id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.019 Rolnummer: A. 141222/V-1688 Zaak: Arrêt / Arrest 178019 - Divers (économie) / Varia (economische zaken) - 18/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-11 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-30 04:59 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 178.019 van 18 december 2007 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.019 van 18 december 2007 A. 141.222/V-1688 In zake:
- UNION DES FABRICANTS D’ARMES DE CHASSE ET DE SPORT, afgekort als U.F.A., beroepsvereniging,
- de NV VERREES & Co, die woonplaats hebben gekozen bij Mr. Roger LALLEMAND en Mr. Jérôme SOHIER, advocaten, Emile De Motstraat 19 1000 Brussel, tegen:
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats heeft gekozen bij Mr. Hans-Kristof CAREME, advocaat, Industrieweg 4/1 3001 Heverlee,
- het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door zijn regering,
- het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door zijn regering, die beide woonplaats hebben gekozen bij Mr. Jean-François ROMAIN, advocaat, Louizalaan 493, bus 8 1050 Brussel. ------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER Gezien het op 5 september 2003 ingediende verzoekschrift, waarbij de UNION DES FABRICANTS D’ARMES DE CHASSE ET DE SPORT, afgekort als U.F.A., beroepsvereniging, en de NV VERREES & Co de nietigverklaring vorderen van: V - 1688 - 1/11 - het koninklijk besluit van 16 mei 2003 betreffende de vergunning bedoeld in artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie; - het koninklijk besluit van 2 april 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 maart 1993 tot regeling van de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en de daaraan verbonden technologie; Gelet op arrest nr. 128.379 van 20 februari 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de voormelde koninklijke besluiten wordt afgewezen; Gelet op de kennisgeving van het arrest aan de partijen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend door de tweede verzoekende partij op 26 maart 2004; Gezien de regelmatig uitgewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag van de heer THIBAUT, auditeur bij de Raad van State, opgemaakt op grond van artikel 15ter van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en artikel 12 van de algemene procedureregeling; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en van de tweede en derde verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 oktober 2007, waarvan aan de partijen kennis is gegeven, en waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 13 november 2007 om 10 uur; Gehoord het verslag van de heer ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State; V - 1688 - 2/11 Gehoord de opmerkingen van Mr. J. SOHIER, advocaat, die voor de verzoekende partijen verschijnt , van Mr. H.-K. CAREME, advocaat, die voor de eerste verwerende partij verschijnt, en van Mr. D. HOLZAPFEL, loco Mr. J.-F. ROMAIN, advocaat, die voor de tweede en de derde verwerende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van de heer THIBAUT, auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; I. IN FEITE Overwegende dat de voor de zaak dienstige feiten uiteengezet zijn in arrest nr. 128.379 van 20 februari 2004; dat ernaar wordt verwezen; II. IN RECHTE A. Afstand Overwegende dat de eerste verzoekende partij bij brief van 25 maart 2004, geregistreerd op de griffie van de Raad van State op 29 maart 2004, ervan heeft afgezien de bodemprocedure voort te zetten en de tweede verzoekende partij heeft verklaard dat ze deze wenst voort te zetten; dat de eerste verzoekende partij bijgevolg geacht wordt afstand te doen van haar beroep; B. Ontvankelijkheid Overwegende dat het Vlaamse Gewest, eerste verwerende partij, de NV VERREES & Co, tweede verzoekende partij, het vereiste belang ontzegt om op te treden voor de Raad van State op de grond dat zij geen voorlopige vergunning zou hebben aangevraagd zoals ze dit kon op grond van artikel 7 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 betreffende de vergunning bedoeld in artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie; dat het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, tweede en derde verwerende partij, dezelfde exceptie opwerpen, waarbij ze voorts stellen dat het verzuim van de tweede verzoekende partij als schuldig verzuim kan worden bestempeld en dat de overwegingen die golden voor V - 1688 - 3/11 de vordering tot schorsing zouden kunnen worden toegepast op het annulatieberoep om zich uit te spreken over het belang om op te treden; Overwegende dat de interpretatie van het voormelde artikel 7 dat de Koning gemachtigd zou zijn om te voorzien in een regeling waarbij voortaan verhinderd wordt dat personen die een nieuwe activiteit uitoefenen waarvoor een vergunning vereist is, een vergunning kunnen aanvragen na de termijn van twee maanden of waarbij een vergunning wordt afgeleverd aan personen die geen voorlopige vergunning hebben aangevraagd, geen enkele steun vindt in de wetten van 25 en 26 maart 2003, noch in de parlementaire voorbereiding ervan; dat in het verslag aan de Koning, dat voorafgaat aan het voormelde koninklijk besluit van 16 mei 2003, integendeel het volgende te lezen staat: " Wie op dit ogenblik reeds activiteiten van uitvoer heeft, kan genieten van een overgangsmaatregel, die erin bestaat dat de betrokkenen de nieuwe vergunning onmiddellijk moeten aanvragen om in afwachting daarvan een voorlopige vergunning te ontvangen, die geldig blijft zolang geen uitspraak ten gronde is gedaan over hun aanvraag. Op die manier kunnen zij hun activiteiten verderzetten tot de eigenlijke vergunning wordt afgegeven, of tot die bij een gemotiveerde beslissing zou worden geweigerd. Om van de overgangsmaatregel te kunnen genieten, volstaat het een bewijs mee te leveren dat men tijdens de laatste twee jaar reeds activiteiten heeft uitgeoefend die door de wet bedoeld worden. Dit bewijs kan, bijvoorbeeld, bestaan uit een uitvoerlicentie van de FOD Economie, facturen of andere officiële documenten." dat de omstandigheid dat in het arrest waarbij de vordering tot schorsing wordt afgewezen, wat de beoordeling van het gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, geoordeeld is dat de tweede verzoekende partij, door geen voorlopige vergunning aan te vragen, daardoor ten grondslag ligt aan het beweerde nadeel, in het annulatiecontentieux niet inhoudt dat alle belang om in rechte op te treden ontbreekt; dat de Raad van State, ten slotte, niet bevoegd is om zich uit te spreken over het bestaan van een fout in hoofde van de tweede verzoekende partij, omdat deze geen voorlopige vergunning heeft aangevraagd; dat de door de verwerende partijen opgeworpen exceptie niet wordt aangenomen; Overwegende dat de auditeur-verslaggever ambtshalve een exceptie opwerpt ontleend aan het feit dat de tweede verzoekende partij geen belang zou hebben bij het vorderen van de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 2 april 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 maart 1993 tot regeling van de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en de daaraan verbonden technologie; V - 1688 - 4/11 Overwegende dat deze exceptie onderzocht is in het kader van de vordering tot schorsing en niet is aangenomen; dat de Raad van State van mening is dat niet dient te worden afgeweken van de toen gekozen oplossing; dat de exceptie niet gegrond is; C. De zaak zelf Overwegende dat de tweede verzoekende partij een eerste middel ontleent aan de onbevoegdheid van de steller van de handeling, aan de schending van artikel 88 van de Grondwet en aan machtsoverschrijding; dat ze stelt dat het eerste bestreden besluit uitgevaardigd is op 16 mei 2003, dit is na de ontbinding van de Kamers, meer bepaald in een periode van lopende zaken, dat de Belgische Staat zijn bevoegdheid rechtvaardigde met de overweging dat deze bestuurshandeling de enige nog ontbrekende schakel was in een geheel dat zijn oorsprong vindt in een wetgevend initiatief uit 2000 en diende te worden beschouwd als een dringende lopende zaak, dat de bevoegdheid van de regering, eenmaal de kamers ontbonden zijn, beperkt is tot de lopende zaken, namelijk de dagelijkse zaken waar geen echte politieke verantwoordelijkheid mee gemoeid is, de lopende zaken zonder nieuwe politieke betekenis, alsmede de dringende zaken, dat de regering bijgevolg niet bevoegd was om de eerste bestreden handeling te stellen, dat er geen sprake is van spoedeisendheid, aangezien de Belgische Staat verwijst naar een wetgevend initiatief uit 2000, dat de spoedeisendheid het gevolg is van de vertraging bij de Belgische Staat zelf en niet kan worden aanvaard om te rechtvaardigen dat wordt afgeweken van grondbeginselen zoals het parlementaire stelsel en de ministeriële verantwoordelijkheid, dat de afdeling Wetgeving zich vragen had gesteld bij de ontstentenis van controle door het Parlement en bij de omstandigheid dat de regering niet meer beschikte over de volheid van haar bevoegdheid , dat er geen sprake was van spoedeisendheid na die bestreden handeling, aangezien deze kon worden gesteld door de nieuwe Kamers die de dag na de parlementsverkiezingen zouden worden samengesteld, en dat deze bestreden handeling bekendgemaakt is twee maanden na de uitvaardiging ervan, wat volstaat om elke spoedeisendheid af te wijzen; dat de tweede verzoekende partij, in haar laatste memorie, de tegenstrijdigheid tussen de door de verwerende partijen verstrekte uitleg aan de kaak stelt, namelijk de spoed die vereist was bij het nemen van een besluit dat de laatste noodzakelijke schakel was in een juridisch instrumentarium gevormd door de wijzigingen in de wet van 5 augustus 1991 en de uitleg van de auditeur-verslaggever die het bestreden besluit beschouwt als "een banale maatregel ter uitvoering van de wet"; dat ze trouwens die banaliteit betwist daar het besluit, naar haar mening, maatregelen bevat die in geen enkel opzicht hun oorsprong vinden in de wet en die beleidskeuzes impliceren; V - 1688 - 5/11 Overwegende dat de lopende zaken zowel de dringende als de lopende zaken bestrijken; dat de tweede verzoekende partij betoogt dat het voormelde koninklijk besluit van 16 mei 2003 niet valt onder de categorie van de lopende zaken of van de dringende zaken maar een regeringsaangelegenheid is; Overwegende dat de dringende zaken die zijn welke zonder uitstel geregeld moeten worden wil men geen fundamentele belangen in gevaar brengen of er afbreuk aan doen en de lopende zaken die welke reeds in uitvoering zijn en waarvan de afhandeling geen belangrijke beleidskeuzes impliceert; dat hoewel er twijfel kan bestaan omtrent de spoed, opgevat in deze strikte zin, waarmee het bestreden besluit moest worden genomen, de zaak hoe dan ook kan worden bestempeld als een lopende zaak in die zin dat ze zich aandient als "de enige nog ontbrekende schakel in een geheel dat zijn oorsprong vindt in een wetgevend initiatief daterend van begin 2000..."; dat uit de vergelijking van de tekst van de wet van 25 maart 2003 tot wijziging van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de betreding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie met het voormelde koninklijk besluit niet blijkt dat er fundamentele beleidskeuzes zijn gemaakt of beleidskeuzes die dermate belangrijk zijn dat in normale omstandigheden de verantwoordelijkheid van de regering in het geding had kunnen zijn; dat het middel niet gegrond is; Overwegende dat de tweede verzoekende partij een tweede middel ontleent aan de schending van de artikelen 3 en 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, schending van de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten, ontstentenis van motivering, dwaling omtrent de motieven en machtsoverschrijding; dat ze betoogt dat de bestreden handelingen slechts aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State zijn voorgelegd in het kader van de uitzonderlijke procedure die bij artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt voorgeschreven in spoedeisende gevallen, namelijk binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, dat de met bijzondere redenen omklede spoed, die wordt aangevoerd in beide bestreden besluiten, niet opgaat, dat de wil om beide bestreden handelingen op hetzelfde moment in werking te laten treden als de wet niet volstaat om een vermeende plotse spoedeisendheid aan te voeren om te rechtvaardigen dat niet de gewone procedure van raadpleging van de afdeling Wetgeving wordt gevolgd, dat de wetten waarnaar de Belgische Staat verwijst, goedgekeurd zijn op grond van een wetgevend initiatief uit 2000, dat de raadpleging van de afdeling Wetgeving binnen een uitzonderlijke termijn "des te onwelvoeglijker" was, gelet op de strekking van de bestreden handelingen die ingrijpende wijzigingen aanbrengen in de V - 1688 - 6/11 rechten en verplichtingen van een bepaalde economische sector door nieuwe verplichtingen en lasten op te leggen, dat in het advies van de afdeling Wetgeving om die reden niet alle technische en juridische aspecten van de nieuwe regelgeving werden onderzocht, dat er met de bestreden handelingen geen spoed gemoeid was, aangezien ze zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 juli 2003, dus meer dan drie maanden na de eerste betreden beslissing en bijna twee maanden na de tweede bestreden beslissing, wat volstaat om elke spoedeisendheid van de hand te wijzen, hetgeen wordt bevestigd in twee arresten van de afdeling Bestuursrechtspraak; Overwegende dat om het advies van de Raad van State over beide bestreden handelingen is verzocht onder aanvoering van de spoedeisendheid; dat luidens de aanhef van de besluiten dit verzoek om spoedbehandeling uitdrukkelijk wordt gemotiveerd door de noodzaak om ze terzelfder tijd in werking te laten treden als de wijzigingen die worden aangebracht in de wet van 5 augustus 1991 bij de wetten van 25 en 26 maart 2003, die de wetgever zo snel mogelijk in werking wenste te laten treden; dat deze motieven juist, relevant en aanvaardbaar zijn; dat de voormelde wijzigingswetten goedgekeurd zijn op 25 en 26 maart 2003; dat de Koning eerst na de goedkeuring ervan rechtens de maatregelen kon nemen die noodzakelijk waren voor de uitvoering ervan; dat uit de concrete toedracht van de zaak blijkt dat de procedure die heeft geleid tot de goedkeuring van de bestreden besluiten, haastig is afgehandeld zodat de besluiten vastgesteld konden worden kort na de goedkeuring van de wijzigingswetten; dat ze na het vervullen van alle wettelijke vormvereisten, aldus respectievelijk zijn goedgekeurd op 2 april en op 16 mei 2003; dat er op het tijdstip dat de bevoegde Minister de Raad van State om advies heeft verzocht binnen een termijn van drie dagen, spoedeisendheid was; dat hoewel de besluiten net als de wijzigingswetten zijn bekendgemaakt op 7 juli 2003, moet worden opgemerkt dat het kabinet van de Minister van Justitie had verzocht om de bestreden besluiten met spoed bekend te maken, dat het bestuur de bekendmaking vertraagd heeft, de tijd die nodig was om zich te voorzien van het personeel en de materiële middelen om de vergunningen bedoeld in het nieuwe artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 te kunnen afleveren binnen de termijn van vier maanden, zoals voorgeschreven bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 alsook de voorlopige vergunningen waarvan sprake is in artikel 7 van hetzelfde besluit; dat dit streven van het bestuur het aanvoeren door de Minister van het begrip spoed in de zin van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geenszins ontkracht; dat het middel niet gegrond is; V - 1688 - 7/11 Overwegende dat de tweede verzoekende partij een derde middel ontleent aan de onbevoegdheid van de steller van de handeling, ontstentenis van rechtsgrond, de schending aanvoert van artikel 108 van de Grondwet, van de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten en machtsoverschrijding; dat ze uiteenzet dat het voormelde koninklijk besluit van 2 april 2003 de lijst van de wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel vaststelt op grond van de machtiging vervat in artikel 4 van de wet van 26 maart 2003, terwijl aangenomen wordt dat op grond van de regelgevende bevoegdheid die bij artikel 108 van de Grondwet aan de Koning wordt opgedragen, de regels die zijn opgenomen in de uitvoeringsbesluiten "ten minste in de kiem" besloten moeten liggen in de wet, met dien verstande dat de uitvoerende macht de strekking van de wet niet mag verruimen, de leemten erin niet mag aanvullen of de wet zelf niet mag wijzigen, dat het in de wet bedoelde materieel, op zijn minst gedeeltelijk, in de wet zelf behoorde te worden gedefinieerd en zulks niet volledig aan de Koning mocht worden opgedragen, dat deze delegatie betrekking heeft op een kernpunt van de wetgeving dat verder reikt dan de bevoegdheid ratione materiae van de uitvoerende macht en dat, subsidiair, het raadzaam is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, nu deze machtsoverschrijding rechtstreeks haar oorsprong vindt in artikel 4 van de voormelde wet van 26 maart 2003; Overwegende dat artikel 4, eerste lid, tweede zin, van de wet van 26 maart 2003 luidt als volgt: "De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad welk materieel (militair gebruik, ordehandhaving, tweeërlei gebruik en hun componenten), wordt bedoeld"; dat uit de vergelijking van de eerste twee zinnen van het voormelde eerste lid blijkt dat het aldus bedoelde materieel , het materieel is "voor militair gebruik of voor ordehandhaving"; dat de artikelen 4bis en 17 van dezelfde wet, wat de militaire uitrusting betreft, verwijzen naar de gedragscode van de Europese Unie; dat het bestreden besluit de basislijst van het koninklijk besluit van 8 maart 1993 tot regeling van de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en de daaraan verbonden technologie heeft uitgebreid met het materieel voor ordehandhaving, bepaalde producten heeft geëxpliciteerd op grond van de gemeenschappelijke verklaring van de Ministerraad van 13 juni 2000 betreffende de goedkeuring van de gemeenschappelijke lijst van de militaire uitrusting waarvan sprake is in de voormelde gedragscode en in deze lijst de daarin bij het koninklijk besluit van 10 december 1998 aangebrachte wijzigingen heeft opgenomen (verslag aan de Koning voorafgaand aan het bestreden koninklijk besluit, toelichting bij artikel 4); V - 1688 - 8/11 Overwegende dat de tweede verzoekende partij enerzijds niet bewijst dat ze activiteiten uitoefent die verband houden met "materieel" in de zin van de aangevochten bepaling, te meer daar in de voormelde wet van 5 augustus 1991, zoals gewijzigd bij de voormelde wetten van 25 en 26 maart 2003, wapens en munitie onderscheiden worden van materieel, en de tweede verzoekende partij er zich anderzijds toe beperkt kritiek te uiten op de aan de Koning verleende machtiging, zonder zelfs maar te pogen aan te tonen dat Hij, door de lijst vast te stellen die voorkomt in dat koninklijk besluit van 2 april 2003, het wettelijke begrip “materieel” zou hebben geschonden, een notie die bewust ruim is en dient om inzonderheid bijzondere technologieën te omvatten; dat ze geen belang heeft bij het middel; dat er bijgevolg geen grond is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof omtrent de grondwettigheid van artikel 4 van de voormelde wet; Overwegende dat de tweede verzoekende partij een vierde middel ontleent aan de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de schending van het evenredigheidsbeginsel en aan machtsoverschrijding; dat ze stelt dat de bestreden handelingen nieuwe maatregelen opleggen die de wetgeving en regelgeving wijzigen zonder enig onderscheid te maken tussen de verschillende betrokkenen en die gelijke kosten opleggen voor het verkrijgen van een nieuwe vergunning, dat de bepalingen waarnaar in het middel wordt verwezen eraan in de weg staan dat categorieën van personen die zich in onderscheiden feitelijke situaties bevinden, in rechte identiek behandeld worden, dat de bestreden handelingen aanzienlijke ondernemingen in de sector wapens en militair materieel op dezelfde manier behandelen als kleine wapenmakers en wapenfabrikanten, die werken buiten het bestek van exploitatie van materieel voor militair gebruik, dat de kosten opgelegd voor de toekenning van de vergunning onbetaalbaar blijken te zijn wanneer het gaat om jachtwapens, die aangekocht of hersteld worden bij een kleine fabrikant, hetgeen niet zo is wanneer het gaat om een grote onderneming die actief is in de militaire sector, waardoor het onmogelijk of bijzonder moeilijk wordt voor een kleine fabrikant om een beroepsactiviteit te blijven uitoefenen en dat, gesteld dat deze schending haar oorsprong vindt in de voormelde wet van 26 maart 2003, een prejudiciële vraag zou moeten worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof; dat ze in haar laatste memorie, de vraag die ze aan het Hof zou willen laten voorleggen formuleert als volgt: "Is artikel 15 van de wet van 25 maart 2003 tot wijziging van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de betreding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie conform de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een in rechte identieke behandeling oplegt in de vorm van gelijke kosten voor het verkrijgen V - 1688 - 9/11 van de nieuwe vergunning, voor categorieën van personen die zich in een verschillende feitelijke situatie bevinden, naar gelang het gaat om een grote onderneming dan wel een kleine fabrikant in de betrokken sector?"; Overwegende dat de kritiek van de tweede verzoekende partij zich in feite beperkt tot artikel 15 van de voormelde wet van 25 maart 2003; dat deze bepaling voorschrijft dat de vergunning kan worden aangevraagd voor onbepaalde duur of voor een nader omschreven operatie, op de wijze en tegen een retributie bepaald door de Koning; dat ze eveneens voorziet in het storten van een waarborg waarvan het bedrag door de Koning wordt bepaald, welk bedrag varieert naar gelang het gaat om een vergunning van onbepaalde duur of voor een nader omschreven operatie; dat deze wet de Koning zodoende de bevoegdheid opdraagt om er rekening mee te houden dat het bij de operaties met betrekking tot de munitie, de wapens en het "speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie" gaat om een gevestigde gewoonte dan wel om op zichzelf staande gevallen en bijgevolg rekening te houden met de plaats die de operatoren innemen op deze specifieke markt; dat deze wetsbepaling niet zo mag worden uitgelegd dat ze de Koning machtigt om voor de uitvoering ervan maatregelen te nemen die in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; dat er bijgevolg geen grond is om aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag te stellen waar de tweede verzoekende partij om heeft verzocht, dat het zich niet laat aanzien dat de Koning Zijn bevoegdheid op zodanige wijze zou hebben aangewend; dat Hij bij het vaststellen van het bedrag van de waarborgen en de retributies, wat de waarborg betreft, overeenkomstig de wet, een onderscheid heeft gemaakt tussen de waarborg voor een vergunning voor onbepaalde duur en een vergunning voor een nader omschreven operatie; dat het geen betoog hoeft dat de operator voor deze of gene vergunning zal opteren naar gelang van de omvang van de activiteiten die hij verricht en waarvoor een vergunning van de Minister van Justitie is vereist; dat de waarborg 10.000 i bedraagt voor een vergunning voor onbepaalde duur en ten minste 1000 i voor een vergunning voor een welbepaalde operatie; dat hoewel het laatstgenoemde bedrag misschien hoog lijkt, niet uit het oog mag worden verloren dat het gaat om een waarborg die wordt terugbetaald onder de voorwaarden bepaald in het voormelde koninklijk besluit van 16 mei 2003 en niet om een geldsom die verloren gaat of niet aftrekbaar is als beroepskosten; dat zulks evenzo geldt voor de retributie die de Koning kan aanpassen naar gelang het gaat om een vergunning voor onbepaalde duur
(1000i)of een vergunning voor een welbepaalde operatie (60 i); dat er bijgevolg geenszins sprake is van discriminatie, aangezien elke operator , naar gelang van de omvang van de vergunningsplichtige operaties, uitmaakt welk soort vergunning voor hem het meest aangewezen is; dat daaruit volgt dat het middel niet gegrond is, V - 1688 - 10/11 BESLUIT: Artikel
- De afstand van het geding wordt toegewezen wat de eerste verzoekende partij betreft. Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de eerste verzoekende partij ten belope van 175 euro en ten laste van de tweede verzoekende partij ten belope van 350 euro. Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op achttien december tweeduizend zeven door: de Hr. R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, de Hr. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Eerste Voorzitter van de Raad van State, M.-Chr. MALCORPS. R. ANDERSEN. V - 1688 - 11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.019 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.128.379 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div