← België

Arrêt / Arrest 178023 - Fonction publique fédérale - Recrutement et carrière / Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.023 Rolnummer: A. 182118/V-1734 Zaak: Arrêt / Arrest 178023 - Fonction publique fédérale - Recrutement et carrière / Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-14 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-30 05:01 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 178.023 van 19 december 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.023 van 19 december 2007 in de zaak A. 182.118/V-1734 In zake : VANDERVEEREN Christine, die woonplaats kiest bij Mr. Dirk VAN HEUVEN en Mr. Inge DERDE, advocaten, President Kennedypark 6/24 8500 Kortrijk, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Energie, die woonplaats kiest bij Mr. Peter LUYPAERS en Mr. Hans-Kristof CAREME, advocaten, Industrieweg 4 bus 1 3001 Heverlee. tussenkomende partijen : 1. LACROSSE Bernard, Winston Churchilllaan 93/117 1180 Brussel, 2. De Commissie voor de Regulering van de Electriciteit en het Gas (CREG), die woonplaats kiest bij Mr. Willy VAN EECKHOUTTE, advocaat, Driekoningenstraat 3 9051 Gent. ------------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Ve K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Christine VANDERVEEREN op 29 maart 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 15 januari 2007 waarbij Bernard LACROSSE voor een periode van zes jaar wordt benoemd tot directeur van de administratieve directie van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas; V- 1734 -1/13 Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 27 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 oktober 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat H.-K. CAREME die, loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verwerende partij, van advocaat M. DETRY, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en van advocaat K. SALOMEZ, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Bernard LACROSSE met een verzoekschrift van 23 april 2007 vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de Commissie voor de Regulering van de Electriciteit en het Gas (CREG) met een verzoekschrift van 8 mei 2007 vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; V- 1734 -2/13 1. De gegevens van de zaak. 1.1. Verzoekster wordt bij koninklijk besluit van 9 januari 2000 benoemd tot voorzitter van het directiecomité en directeur van de directie voor het marktcontentieux van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (hierna: CREG) voor een periode van zes jaar met ingang van 10 januari 2000. Dit directiecomité bestaat op dat ogenblik uit zes leden, de voorzitter inbegrepen overeenkomstig de toenmalige structuur van de CREG die uit zes directies bestaat: 1. een directie voor het marktcontentieux 2. een directie voor de technische werking van de electriciteitsmarkt; 3. een directie voor de technische werking van de gasmarkt; 4. een directie voor de controle op de prijzen en de rekeningen van de electriciteitsmarkt; 5. een directie voor de controle op de prijzen en de rekeningen van de gasmarkt; 6. een administratieve directie 1.2. Van de zes directeurs worden in toepassing van artikel 24, § 2, van de Electriciteitswet twee directeurs, aanvankelijk maar voor drie jaar aangesteld. Bij koninklijke besluiten van 11 december 2002 worden zij benoemd voor zes jaar ingaand op 10 januari 2003. De mandaten van de vier overige directeurs, waaronder verzoekster, lopen af op 9 januari 2006. Toch blijven zij nog tot 30 januari 2007 in functie. Verzoekster verneemt op 6 oktober 2005 dat er sprake is van nieuwe selecties voor de directeurs van de CREG . Zij laat daarop op 14 oktober 2005 aan de de eerste minister, de vice-eerste ministers en de minister van Energie weten dat zij haar functie bij de CREG wenst voort te zetten. 1.3. Overeenkomstig artikel 124 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen worden de zes directies van de CREG verminderd tot drie en wordt de functie van voorzitter niet langer verbonden aan het directeurschap van één van de directies. Het directiecomité bestaat bijgevolg nog slechts uit vier personen in plaats van zes. Deze bepaling wordt bij koninklijk besluit van 21 december 2006 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 januari 2007 en in werking gesteld op 30 januari 2007. V- 1734 -3/13 1.4. Reeds in de loop van de maanden juli-september 2006 wordt in de gespecialiseerde pers en in het Belgisch Staatsblad een oproep tot de kandidaten gepubliceerd voor onder meer de functie van voorzitter van het directiecomité en van administratief directeur. De minister van Energie brengt de verzoekster daar ook persoonlijk van op de hoogte. Verzoekster dient op 12 september 2006 haar kandidatuur in voor de functie van voorzitter van het directiecomité en van administratief directeur. Ook Bernard Lacrosse kandideert voor deze beide functies. 1.5. Op 21 september 2006 schrijft verzoekster in een brief aan het selectiekantoor Hudson/De Witte & Morel dat zij twijfelt aan de objectiviteit van Jean- Marie Pauwels die zou zijn aangezocht als lid van de selectiecommissie omdat deze in een interview dat is verschenen in de krant forse kritiek zou hebben uitgeoefend op haar persoon. Zij stuurt een kopie van deze brief aan de minister van Energie. Op 12 oktober 2006 antwoordt de minister van Energie die ook door Hudson/De Witte & Morel van het probleem op de hoogte was gebracht aan verzoekster als volgt: " Ik heb uw schrijven van 21 september 2006, met in bijlage uw brief aan de heer Ivan De Witte aangaande de vooringenomenheid van de heer Jean-Pierre Pauwels t.a.v. uw persoon, goed ontvangen. Aangezien ik sta op het correcte verloop van de selectieprocedure en gezien de bezorgdheid die u in voornoemd schrijven uitdrukt, heb ik de zaak grondig laten onderzoeken vooraleer te antwoorden op uw brief. Uit het onderzoek is gebleken dat de uitlatingen waarnaar u verwijst in uw brief en die uw bezorgdheid hebben gewekt, het gevolg zijn van en ik citeer uit het - proces-verbaal van de vergadering van de Algemene Raad van de CREG van 19 april 2006, blz. 6/7 'een manifeste fout van een bepaalde krant. De betrokken redacteur heeft zich telefonisch verontschuldigd en een correctie in de betreffende krant laten verschijnen'. Ook de heer Pauwels heeft kennis van dit verslag en dus van de onjuistheid van de inhoud van het artikel waarop zijn uitspraken waren gebaseerd. Overwegende dat overigens de jury uit minstens 7 personen zal bestaan, die samen evalueren, dat het gesprek met het selectiecomité bovendien slechts 1 onderdeel is van de selectieprocedure, naast de beoordeling van het CV, het verkennend gesprek en het assessment, Overwegende dat het selectiebureau in kwestie een zeer degelijke reputatie en een hoge graad van ‘professionaliteit heeft, is er, mijns inziens, een duidelijke garantie voor een correcte beoordeling van uw en andere kandidaturen". V- 1734 -4/13 Op 16 oktober 2006 laat verzoekster aan de Minister weten dat zij kennis neemt van zijn standpunt en zij maakt hierbij voorbehoud. 1.6. Zij neemt vervolgens deel aan de selectieproeven voor de functies van voorzitter van het directiecomité en van administratief directeur. Die selectie verloopt in verscheidene stappen waarbij in een eerste selectie, op zicht van de kandidaatsstellingen, de kandidaten die niet voldoen aan de vooropgestelde objectieve criteria, waaronder ervaring en diploma, worden geweerd. Er is ook een verkennend gesprek rond de motivatie van de kandidaten, hun inpasbaarheid in de overheidscontext, hun communicatievaardigheden en de relevantie van hun ervaring. Tijdens dit gesprek worden de kandidaten gezien door steeds dezelfde twee consultants, een Nederlandstalige en een Franstalige. De kandidaten worden geïnterviewd door de consultant van hun taalrol terwijl de consultant van de andere taalrol hun elementaire kennis van de andere landstaal toetst. Over elke kandidaat wordt een verslag opgesteld waarin de inhoud van het gesprek per thema wordt weergegeven en een korte samenvatting van de bevindingen. Voor verzoekster luidt die samenvatting als volgt: " Christine Vanderveeren oefent op dit moment de functie van voorzitter van de CREG uit. Zij is een eminente juriste die buiten het voorzitten van het directiecomité een sterke controle heeft uitgeoefend op de werking van de markten vanuit het standpunt van de wetgeving. Zij kent dan ook de heersende wetgeving en is vertrouwd met de aspecten van de prijzen en rekeningen van de elektriciteits- en gasmarkt en tevens de technische werking van beide markten. Zij heeft gedurende de laatste zes jaren opgetreden als voorzitter van het directiecomité met vallen en opstaan. Zij rekent meer op de nieuwe organisatiestructuur en de bevoegdheidsverdelingen tussen de directieleden om het in de toekomst beter te kunnen doen dan op haar sociale vaardigheden". 1.7. Na op basis van haar curriculum vitae en van verkennende gesprekken voor de beide functies te zijn weerhouden voor het assessment center, wordt verzoekster door de consultant niet geschikt bevonden voor de functie van voorzitter van het directiecomité doch wel geschikt voor de functie van administratief directeur. Ook Bernard Lacrosse wordt niet geschikt bevonden voor de functie van voorzitter van het directiecomité doch wel voor de functie van administratief directeur. V- 1734 -5/13 Over verzoekster luidt de conclusie gefundeerd op een beoordeling per deelaspect als volgt: " Mevrouw Vanderveeren is kandidaat voor de functie van Voorzitter van het directiecomité en voor de functie van Administratief Directeur. Voor laatstgenoemde functie beschikt ze over voldoende relevante competenties om een dergelijke afdeling te leiden, zeker vanuit haar sterke expertise als jurist en vanuit haar ervaring als directeur marktcontentieux. Zij beschikt echter (over) te weinig sociale vaardigheden en interpersoonlijke vaardigheden om een directiecomité op sleeptouw te nemen en dit op performante wijze te leiden. Ons advies is geschikt voor de functie van Administratief Directeur. Ons advies is niet geschikt voor de functie van Voorzitter van het Directiecomité". 1.8. Een tweetalig samengestelde selectiecommissie, bestaande uit professoren en uit de afgevaardigden van de consultant die het assessment center hebben afgenomen, beoordeelt verzoekster als zeer geschikt voor de functiespecifieke competenties voor de functie van administratief directeur. Ook Bernard Lacrosse wordt als zeer geschikt beoordeeld. De selectiecommissie oordeelt in einddeliberatie als volgt over verzoekster en over Bernard Lacrosse. " (...)VANDERVEEREN CHRISTINE Uit het interview zien we dat mevrouw Vanderveeren over voldoende vaktechnische kennis van de elektriciteits- en gasmarkt beschikt en de rol van de regulator hierin. Daarnaast heeft zij een goed inzicht in de context en de economisch-sociale dimensie van een gereguleerde markt. Zij beschikt over goede managementinzichten en kan deze vertalen naar het operationele niveau vanuit een sterke realistische inslag. Zij heeft echter minder aandacht voor de participatieve benadering van leidinggeven (het eigen groot gelijk primeert). Mevrouw Vanderveeren krijgt naar aanleiding van haar antwoorden op de vragen die betrekking hebben op haar deskundigheid voor wat betreft de aangelegenheden die onder de bevoegheid vallen van de administratieve directie van de juryleden van de selectiecommissie van drie juryleden van de selectiecommissie een A (Zeer geschikt) en van drie juryleden een B (Geschikt). Uit het assessment zien we dat mevrouw Vanderveeren zich profileert als een expert-manager. Uit haar antwoorden op de vragen van de juryleden zien we dat ze het moeilijk heeft gehad om de verschillende visies van haar directieleden te convergeren in een éénduidige visie. Zij legt de nadruk op taakgericht management en in mindere mate op mensgericht management. Haar credibiliteit ten opzichte van haar medewerkers en haar managementstijl worden grotendeels gefundeerd op kennis, op expertise. Vanuit haar expertise stelt zij een strategisch actieplan op dat zij op een doelgericht en assertieve manier probeert te realiseren. Haar mindere aandacht voor participatief management wordt enigszins bevestigd in het assessment. Op basis van haar sterke ervaring op juridisch vlak en inzake financieel en administratief beheer, inclusief juridische ondersteuning van alle afdelingen van de instelling achten de juryleden haar deskundigheid vereist voor de V- 1734 -6/13 aangelegenheden die vallen onder de bevoegdheid van de administratieve directie als 'zeer geschikt' (A) voor de functie van Administratief Directeur. Op vlak van de assessment resultaten wordt ze tevens 'geschikt' (B) geacht op grond van haar managementcapaciteiten vereist om de administratieve directie te leiden. (...) LACROSSE BERNARD Le candidat a pu prouver grâce à ses expertises ses expériences professionnelles et ses réponses aux questions du jury qu*il a suffisamment d*expérience dans la gestion financière et administrative, y compris l*assistance juridique de l*ensemble des divisions de l*institution. II est le directeur administratif en fonction à la CREG. II connaît et comprend la législation fédérale et internationale concernant le marché de l*électricité en vigueur sur le marché du gaz. II a un beau carnet de relations dans les différentes administrations, connaît tous les modus operandi, connaît 'tout le monde' dans le secteur de l*énergie. Homme de dialogue, flexible (labile), orienté résultats, est la 'mémoire' de la CREG. Basé sur ses réponses aux questions du jury, quatre membres du jury ont classé le candidat 'très apte' et deux membres l*ont classé B 'apte', en ce qui concerne son niveau d*expertise pour les affaires reprises sous les compétences des postes de cette direction. L*expertise requise pour les matières relevant de la compétence de la direction administrative (est) considérée(

  1. e)par la comité de sélection comme 'très apte' (A). Par l*Assessment Centre Bernard Lacrosse est consideré comme 'apte' (B) sur base de ses capacités en management, requises pour assumer cette direction". 1.9. Bij koninklijk besluit van 15 januari 2007 wordt Bernard Lacrosse benoemd tot directeur van de administratieve directie van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas. Dit is het bestreden besluit. 2. De gegrondheid van de vordering. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1. Overwegende dat verzoekster met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoert dat het gewone annulatiecontentieux niet tot een voldoende snelle oplossing van het geschil kan leiden; dat ingevolge de bepalingen van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot vaststelling van de regels toepasselijk op de voorzitter en de V- 1734 -7/13 leden van het directiecomité van de CREG inzake onverenigbaarheden en belangenconflicten zij gedurende één jaar na afloop van haar mandaat bij de CREG geen enkele functie of activiteit kan uitoefenen ten dienste van een netbeheerder, een neteigenaar, een producent, een distributeur of een tussenpersoon zoals bepaald in artikel 2 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de electriciteitsmarkt (hierna: Electriciteitswet) of artikel 1 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten (hierna: Gaswet); dat zij door de bestreden beslissing geen tewerkstelling kan zoeken in de sector die zij het best kent, namelijk de energiesector en dat zij daardoor voor ten minste één jaar elke ervaring in de elektriciteits- en gassector dreigt te moeten missen; dat zij door de bestreden beslissing haar mandaat van lid van het directiecomité van de CREG niet zal kunnen voortzetten op een ogenblik waarop de structuur en de werking van dit directiecomité grondig is hervormd: de administratief directeur is niet enkel bevoegd voor de administratieve functie van de CREG maar ook voor het marktcontentieux; dat zij aldus deze specifieke ervaring zal moeten ontberen; dat zij ten slotte ook een moreel nadeel ondergaat, met name een prestigeverlies dat niet alleen voortvloeit uit de bestreden beslissing maar eveneens uit de specifieke omstandigheden waarin de beslissing tot stand kwam; dat haar naam immers in het huidig benoemingsdossier diverse keren in een slecht daglicht is gesteld; dat zij in dat verband verwijst naar diverse persberichten voor en na de bestreden beslissing en naar uitlatingen van de bevoegde minister aan het adres van de verzoekster; dat de gespannen betrekkingen met de minister voorts blijken uit het verkennend gesprek en uit het verslag over het assessment center waarin sprake is van vastgelopen betrekkingen met het kabinet van de minister van Energie; dat zodoende de bestreden beslissing, volgens verzoekster, ook iets heeft van een verkapte tuchtstraf; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het feit dat de verzoekster gedurende één jaar geen functie mag uitoefenen in de energiesector geen nadeel is dat rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden beslissing maar wel uit artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot vaststelling van de regels toepasselijk op de voorzitter en de leden van het directiecomité van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas inzake onverenigbaarheden en belangenconflicten; dat verzoekster het verbod vastgelegd in voornoemd artikel heeft aanvaard bij haar benoeming tot voorzitter van het directiecomité en directeur van de directie voor het marktcontentieux en zij aldus niet aantoont dat dit haar een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel zou berokkenen; dat zij ook in gebreke blijft toe te lichten waarin het ontberen van de specifieke ervaring als "directeur van de administratieve directie - nieuwe stijl" een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel zou uitmaken en dat zij zich V- 1734 -8/13 blijkbaar beroept op het verlies van een kans om specifieke ervaring op te doen in de managementsfunctie van directeur van de administratieve directie; dat zij evenwel niet aantoont dat het verlies van deze kans in oorzakelijk verband staat met de bestreden beslissing aangezien dit verlies niet voortvloeit uit de benoeming van de nieuwe directeur maar veeleer uit de impliciete weigering om haar in die functie te benoemen; dat dit niet wordt bestreden; dat zij evenmin aantoont dat de ervaring die zij zou ontberen een specifieke ervaring zou zijn; dat overigens de mogelijkheid voor de benoemde om ervaring op te doen in zijn nieuwe functie en de niet benoemde niet, geen moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan opleveren aangezien de ervaring die wordt opgedaan ingevolge een nadien vernietigde benoeming niet in aanmerking mag genomen worden bij het overdoen van de benoemingsprocedure; dat verzoekster niet aantoont dat de tussenkomende partij een dermate specifieke ervaring zal verwerven die zij, wanneer zij niet onmiddellijk in de voormelde functie zal worden benoemd, nog onmogelijk zal kunnen verwerven; dat een moreel nadeel in de regel wordt goedgemaakt door de morele genoegdoening die gepaard gaat met de vernietiging van de betreden beslissing; dat de ontgoocheling die een niet-benoemde kandidaat oploopt immers inherent is aan een benoemingsronde en dat een kandidaat hiermee van in het begin rekening mee moet houden; dat alhoewel het feit dat een niet-benoemde kandidaat het voorwerp kan uitmaken van afkeuring of minachting of het feit dat de bestreden beslissing steunt op elementen die de verzoekende partij in een slecht daglicht stellen een moreel nadeel uitmaken maar die verdachtmaking, de afkeuring of de minachting moet blijken uit de bestreden beslissing zelf en niet uit gegevens of feiten die er aan voorafgaan; dat in deze de bestreden beslissing geenszins is ingegeven door redenen die te maken hebben met de persoon van de verzoekster en zij geen enkele blijk geeft van verdachtmaking, afkeuring of minachting; dat de verwerende partij in dat verband opmerkt dat verzoekster de eindbeoordeling "geschikt" kreeg; 2.3. Overwegende dat de eerste tussenkomende partij opmerkt dat verzoekster zich beroept op wat wordt beschouwd als een inherent risico aan het deelnemen aan een benoemingsprocedure, namelijk het feit naast de benoeming te grijpen; dat dit geen moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan uitmaken; dat het verbod om gedurende één jaar een functie uit te oefenen in de energiesector een voorwaarde is die verbonden was met het uitgeoefend mandaat en die door de verzoekster als dusdanig was gekend en aanvaard; dat de omstandigheid dat deze voorwaarde effectief geworden is niet het gevolg is van de bestreden akte maar wel van het eraan voorafgaande aflopen van verzoeksters mandaat; dat verzoekster daarenboven vergeet te vermelden dat die tijdelijke onmogelijkheid wordt gecompenseerd door een vergoeding van meer dan 140.000 euro, wat overeenkomt met de helft van haar jaarwedde; dat het morele nadeel V- 1734 -9/13 dat bestaat uit een verlies aan prestige door een eventuele vernietiging kan worden goedgemaakt, temeer daar het bestaan van prestigeverlies in hoofde van de verzoekster in vraag wordt gesteld door het feit dat de verzoekster reeds in een hogere functie werd aangeworven door Dexia-bank; dat wat de ervaring betreft die kan worden verworven in de begeven functie, ingeval van vernietiging die ervaring niet zal in aanmerking mogen genomen worden; 2.4. Overwegende dat de tweede tussenkomende partij stelt dat de schorsingsprocedure niet dient om de duur van een annulatieprocedure te ondervangen en dat het nadeel moet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en niet uit de tijd die een annulatieprocedure in beslag neemt; dat het verbod om gedurende één jaar een functie uit te oefenen in de energiesector een voorwaarde is die verbonden is met het uitgeoefend mandaat en die door de verzoekster als dusdanig was gekend en aanvaard en ter compensatie waarvan zij een geldelijke vergoeding heeft gekregen; dat daarenboven dit verbod en het daaraan door verzoekster verbonden verlies aan ervaring geenszins volgt uit de tenuitvoerlegging van de bestreden akte maar wel uit het aflopen van haar eigen mandaat; dat verzoekster ook niet aantoont dat het door haar aangevoerde nadeel moeilijk te herstellen is: het verlies van ervaring is vergoed en bovendien behoudt de verzoekster de ervaring die zij in de sector reeds verwierf en belet niets haar deze na verloop van een jaar verder uit te bouwen, zij is in dezelfde situatie als een werknemer die zich op grond van een concurrentiebeding gedurende één jaar na het einde van zijn arbeidsovereenkomst ervan moet onthouden een soortgelijke activiteit uit te oefenen voor een concurrent; dat zelfs indien dat nadeel als moeilijk te herstellen en ernstig zou moeten aanvaard worden dan nog moet worden vastgesteld dat op het ogenblik waarop de Raad van State zich zal uitspreken over het schorsingsverzoek die periode van een jaar zo niet volledig dan toch al voor een groot deel verstreken zal zijn, ongeacht of men dat jaar begint te tellen vanaf 10 januari 2006 of 30 januari 2007; dat een schorsing er bijgevolg niet meer aan zal kunnen verhelpen en dus geen nuttig effect zal hebben voor het ondervangen van dat nadeel; dat wat het moreel nadeel betreft, het niet herbenoemd worden en de daarmee gepaard gaande teleurstelling inherent is aan het uitoefenen van een tijdelijk mandaat en de verzoekster er dus van in den beginne moest rekening mee houden dat haar aanstelling maar van tijdelijke duur was; dat het aangevoerde prestigeverlies ten slotte niet het gevolg is van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; dat het zelfs niet voortvloeit uit de motivering van die beslissing maar wel, zoals verzoekster zelf beweert, uit andere akten en handelingen zoals persberichten, uitlatingen van de bevoegde minister; V- 1734 -10/13 2.5. Overwegende dat de loutere omstandigheid dat een annulatieprocedure een zekere tijd vergt zulks op zich geen ernstig nadeel is; dat indien verzoekster het heeft over de duur van een annulatieprocedure het nadeel dat zij daardoor zou oplopen, dat nadeel in elk geval niet voldoet aan de in de wet gestelde schorsingsvoorwaarde dat het nadeel zijn oorsprong moet vinden in de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zelf; dat voorts niet ingezien wordt hoe de schorsing van de bestreden beslissing het nadeel dat voortvloeit uit het feit dat verzoekster ingevolge het verbod opgenomen in artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot vaststelling van de regels toepasselijk op de voorzitter en de leden van het directiecomité van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas inzake onverenigbaarheden en belangenconflicten, waardoor verzoekster ervaring zal missen, zal kunnen ondervangen; dat de bestreden beslissing immers niet de weigering is om de verzoekster opnieuw te benoemen of ook niet de beëindiging van haar oorspronkelijk mandaat, maar wel de aanstelling van een ander persoon in de functie die zij uitoefende, zodat de schorsing van de benoeming van de tussenkomende partij niet automatisch betekent dat verzoekster in haar functie wordt hersteld; dat dit nadeel alleen kan worden weggenomen door een nieuwe aanstelling van verzoekster, bijgevolg door een nieuwe beslissing; dat zulks aantoont dat dit nadeel niet rechtstreeks voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; dat overigens geenszins is aangetoond dat dergelijk nadeel de vereiste ernst vertoont aangezien verzoekster reeds jarenlang, zowel als voorzitter van het directiecomité, als als directeur ervaring heeft opgedaan in de sector van gas en electriciteit en dat die jarenlange ervaring niet kan opwegen tegen het verbod voor een termijn - die overigens reeds bijna volledig is verstreken - van één jaar, ingesteld bij voornoemd artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999; dat met de tweede tussenkomende partij wordt aangenomen dat verzoekster op het ogenblik van haar aanstelling in het mandaat kennis had van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 en van de daarin opgenomen verbodsbepalingen; dat zij dan ook moet geacht worden op dat ogenblik reeds het nadeel dat zij nu aanvoert te hebben aanvaard; dat ook de door haar aangevoerde specifieke ervaring in het marktcontentieux in dat kader moet worden geplaatst; dat in de mate dat verzoekster zou bedoelen dat zij in vergelijking met de tussenkomende partij een achterstand in specifieke ervaring oploopt, een overheid, die ingevolge de vernietiging van de bestreden benoeming of aanstelling opnieuw overgaat tot een vergelijking van de titels, geen rekening mag houden met de ervaring die door de oorspronkelijk benoemde werd verworven door de bij hypothese vernietigde benoeming of aanstelling; dat er niet mag van uitgegaan worden dat de overheid onwettig zou handelen; dat ten slotte wat het door verzoekster aangevoerde prestigeverlies als moreel nadeel betreft, dat een gevolg is van het feit dat iemand anders in haar plaats werd benoemd en dat de negatieve berichtgeving die er V- 1734 -11/13 over haar is geweest, dit nadeel ruimschoots kan worden hersteld door de morele genoegdoening die verzoekster zou verkrijgen door een - overigens met terugwerkende kracht - gebeurlijke vernietiging van de bestreden benoeming; dat immers het door verzoekster voorgebrachte persbericht het gevolg zou zijn van "een manifeste fout van een bepaalde krant" en de betrokken redacteur een correctie in de krant heeft laten verschijnen; dat wat de vastgelopen betrekkingen met het kabinet van de minister van Energie betreft, dit op zich geen afkeuring, verdachtmaking of minachting betekent ten opzichte van de persoon van verzoekster, zodat ook haar bewering dat de bestreden beslissing "een verkapte tuchtstraf" zou zijn, ongeloofwaardig is; 2.6. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan, dat die vaststelling volstaat om verzoeksters vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De verzoeken tot tussenkomst van Bernard LACROSSE en de Commissie voor de Regulering van de Electriciteit en het Gas (CREG) in het administratief kort geding worden ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten in de schorsingsprocedure, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. V- 1734 -12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien december 2007, door de Ve kamer, die was samengesteld uit : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, de HH. E. BREWAEYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. V- 1734 -13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.023 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.330 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.