id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.065 Rolnummer: A. 183317/VII-36986 Zaak: Arrest 178065 - Milieuvergunningen - 20/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:45 Fiche Arrest nr 178.065 van 20 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.065 van 20 december 2007 in de zaak A. 183.317/VII-36.986. In zake : Bob D'HAEN, die woonplaats kiest bij advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57 tegen : de deputatie van de provincie OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : 1. de n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET, die woonplaats kiest bij advocaat D. ABBELOOS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Hoge Weg 7, 2. de gemeente TEMSE, die woonplaats kiest bij advocaten D. LINDEMANS en Th. EYSKENS, kantoor houdende te BRUSSEL, keizerslaan 3, 3. de n.v. WATERWEGEN en ZEEKANAAL, die woonplaats kiest bij advocaat Y. LOIX, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bob D’HAEN op 15 mei 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 15 maart 2007 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse van 10 oktober 2006, waarmee aan de n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET een milieuvergunning wordt verleend voor het exploiteren en veranderen van een handel in inerte producten (bouwstoffen), brandstoffen en andere goederen, met inbegrip van het gebruik van een loskade, administratieve gebouwen en onderhoudswerkplaatsen voor voertuigen, gelegen aan de Wilfordkaai 41 te Temse, niet worden ingewilligd en de beroepen VII-36.986-1/23 beslissing wordt bevestigd, mits gecoördineerde aanpassing en aanvulling van een aantal voorwaarden; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. RENTMEESTERS die, loco advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor verzoeker, van bestuurssecretaris- jurist K. VAN KEYMEULEN, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaten D. ABBELOOS, Th. EYSKENS en Y. LOIX, die respectievelijk verschijnen voor de eerste, de tweede en de derde tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat met verzoekschriften van 8 en 18 juni 2007 en 5 juli 2007 respectievelijk de n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET, de gemeente TEMSE en de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL gevraagd hebben om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat verzoeker ter zitting het belang van de gemeente TEMSE en van de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL in deze ontkent; dat, op het eerste gezicht, de gemeente TEMSE niet alleen rechtstreeks betrokken is omwille van de impact van de vergunningsproblematiek op het verkeer en de mobiliteit, doch ook omwille van de geplande ontdubbeling van de Scheldebrug, die een rechtstreekse aanleiding is van de geplande reorganisatie van de exploitatie van de eerste tussenkomende partij; dat VII-36.986-2/23 de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL financieel betrokken is bij die geplande reorganisatie van de exploitatie; dat de aangevoerde exceptie niet opgaat; dat de n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET houdster is van de bestreden vergunning; dat de verzoekende partijen in tussenkomst derhalve worden toegelaten om tussen te komen in onderhavig geding; 2. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. De n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET, eerste tussenkomende partij, exploiteert sedert jaren een bedrijf aan de Wilfordkaai te Temse, gelegen aan de westkant van de brug over de Schelde, en aan de naastgelegen Scheldekaai, gelegen aan de oostkant van de brug. Het betreft een handel in minerale stoffen, hout, rubber, kunststoffen en brandstoffen, die worden aangevoerd per binnenschip en ter plaatse worden opgeslagen. Er worden ook stoffen gemengd voor aanwending in de bouwsector en er wordt eveneens beton bereid. De inrichting ligt volgens het gewestplan in industriegebied; volgens het bijzonder plan van aanleg Schauselbroek is zij verdeeld over een zone voor kernfuncties (bestemd voor handel, horeca, kantoren, ambachtelijke bedrijven), een zone voor nijverheid, en een zone voor waterweg. 2.2. Op 24 maart 2003 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse een milieuvergunning ter hernieuwing en verandering van de inrichting, voor een termijn van twintig jaar. Na een beroep door buurtbewoners brengt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de termijn terug tot tien jaar, en voor een deel (de activiteiten in woongebied aan de Wilfordkaai) tot een proeftermijn van twee jaar. Op 25 augustus 2005 wordt dit gedeelte definitief vergund, voor een termijn die samenvalt met de resterende termijn van de vergunning. 2.3. Het Vlaamse Gewest is van plan om de brug over de Schelde te Temse te ontdubbelen. Een deel van het bedrijfsterrein aan de Wilfordkaai wordt daartoe onteigend. VII-36.986-3/23 2.4. Op 10 juni 2006 dient de exploitant, de n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET, een milieuvergunningsaanvraag in, die er in hoofdzaak toe strekt de exploitatie te reorganiseren door het overbrengen van de activiteiten van de Wilfordkaai naar de Scheldekaai. Er worden daarbij geen nieuwe percelen ingenomen, maar een nieuw aan te leggen loskade zal 50 meter de Schelde in steken. Die kade zal worden aangelegd door de derde tussenkomende partij, de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL, afdeling Zeeschelde. 2.5. Op 15 juni 2006 wordt hiervoor een stedenbouwkundige vergunning verleend, evenals voor het aanleggen van een fiets/jaagpad van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Voor andere bedrijfsgebouwen wordt een stedenbouwkundige vergunning verleend op 12 juni 2006. 2.6. De plannen leiden tot heel wat commotie : er worden 401 bezwaarschriften ingediend (waarvan een aantal door niet rechtstreeks betrokken personen, en waarvan soms meerdere bezwaarschriften door eenzelfde persoon). 2.7. Op 10 oktober 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse de gevraagde vergunning, voor een termijn van twintig jaar. Het gaat onder meer om: - het stallen van 20 voertuigen (vrachtwagens, aanhangwagens, laadschoppen, heftrucks); - een herstellingswerkplaats voor voertuigen; - de opslag van 150 ton steenkool; - de opslag van 50 ton cement in een silo; - de ondergrondse opslag van 20.000 liter stookolie; - de opslag van 1.000 m3 hout in open lucht; - de opslag van 150 ton kunststoffen in open lucht; - metaalbewerkingsmachines met een totaal vermogen van 21,33 kW; - een menginstallatie met een vermogen van 60,5 kW; - de opslag van minerale producten op een oppervlakte van 2,5 ha; - de opslag van 150 ton rubber in open lucht; - de opslag van 45 ton strooizout in een silo. VII-36.986-4/23 De exploitatie van de loskade wordt niet als vergunningsplichtig beschouwd. 2.8. Er worden verscheidene bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd, waaronder: - maatregelen ter voorkoming van stofhinder (besproeiing van transporten, wielwasinstallatie,...); - optimalisering en uitbreiding van het groenscherm; - om geluidshinder te beperken moet een berm worden aangelegd, gecombineerd met de bufferende opslag van inerte materialen; om het effect hiervan te kunnen evalueren dient een meting te gebeuren; - het lossen van schepen mag gebeuren tussen 4 uur en 22 uur; - laden en transport langs de weg, alsook activiteiten in de nijverheidszone mag tussen 6 uur en 20 uur; - in afwachting van de ingebruikname van een nieuwe weg mag het transport over de openbare weg slechts tussen 7 uur en 19 uur gebeuren; er moet op dezelfde weg worden gewacht vooraleer allerhande materialen en voorwerpen vervaardigd uit hout, rubber en kunststoffen kunnen worden gelost en overgeslagen; - bij calamiteiten en/of bijzondere voorvallen kunnen activiteiten uitgevoerd worden tussen 22 uur en 6 uur en op zon- en feestdagen; deze "bijzondere" omstandigheden moeten onverwijld meegedeeld worden aan de lokale politiezone en aan de gemeentelijke milieudienst; - teneinde lichthinder te vermijden dienen nachtelijke activiteiten op de loskade en de nijverheidszone tot het absolute minimum beperkt te blijven; - teneinde lichthinder en geluidshinder van de exploitatie van de nijverheidszone en de hierbij horende loskade te vermijden is het slechts bij uitzonderlijke situaties (calamiteiten/noodsituaties) toegestaan nachtelijke activiteiten uit te voeren tussen 22 uur 's avonds en 4 uur 's ochtends. Er worden meerdere administratieve beroepen ingediend. De adviezen die gegeven worden zijn de volgende: - de afdeling Milieuvergunningen adviseert aanvankelijk ongunstig, maar wijzigt het advies later naar een voorwaardelijk gunstig advies; - het agentschap Ruimtelijke Ordening adviseert voorwaardelijk gunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig; - de provinciale geluidsdeskundige adviseert ongunstig; VII-36.986-5/23 - de provinciale milieudeskundige adviseert aanvankelijk ongunstig, maar wijzigt het advies later naar een voorwaardelijk gunstig advies; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie geeft een voorwaardelijk gunstig advies. 2.9. Op 15 maart 2007 neemt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het bestreden besluit. De beroepen worden verworpen en de vergunning wordt bevestigd, met aanpassing van de bijzondere vergunningsvoorwaarden. Deze zijn onder meer : - bij de nachtelijke activiteiten bij "calamiteiten en/of bijzondere voorvallen" mag enkel de elektrische kraan gebruikt worden; - bij het lossen van boomstammen moet een zandbed gebruikt worden om overmatig geluid en trillingen te beperken; - binnen drie maanden na ingebruikname van de loskade moeten geluidsmetingen worden uitgevoerd en desgevallend moeten binnen vijftien maanden bijkomende saneringsmaatregelen worden getroffen om de geluidsnormen te kunnen respecteren; - er moeten speciale verlichtingsarmaturen worden gebruikt en de verlichting moet steeds worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is; 3. De ontvankelijkheid van de vordering Overwegende dat zowel de eerste als de derde tussenkomende partij het belang van verzoeker ontkennen; dat over die exceptie slechts uitspraak zou moeten worden gedaan indien aan de beide, cumulatieve voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan is voldaan, wat te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is; 4. De schorsingsvoorwaarden Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; VII-36.986-6/23 4.1. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoert wat volgt : "MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL Zoals gesteld in de feitenweergave, is verzoekende partij eigenaar en bewoner van een woning, gelegen te 9140 TEMSE, Fonteinstraat 12. De inplanting van deze woning ten opzichte van de inrichting wordt weergegeven op de stukken 10 en 12. Zijn woning en tuin bevinden zich op een afstand van minder dan 200 m van de gewenste inrichting, waarop verzoekende partij een rechtstreeks zicht heeft. Het kan niet op redelijke wijze betwist worden dat verzoekende partij door de gevraagde activiteiten aanzienlijke hinder zal ondervinden en een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt. In eerste instantie is er uiteraard de visuele hinder. In het verlengde van de eigendom van verzoekende partij worden meerdere 'toeslagbunkers' voorzien, en aan de noordzijde plant men hopen zand en grind als zogenaamde 'akoestische buffer' te leggen : 'Nadien wordt de geluidsbelasting opnieuw doorgerekend waarbij rekening wordt gehouden met een bijkomende natuurlijke geluidsbuffer t.g.v. de stockage van zand of grind in hopen aan de noordelijke terreingrens. Van Riet heeft de bedoeling haar huidige exploitatie aan de oostelijke zijde te wijzigen door het thans gestockeerde zand en grind langsheen de Scheldekant te verplaatsen naar de andere zijde aan de noordelijke terreingrens'. (...) Deze bergen zand en grind zorgen uiteraard wel voor visuele hinder. Foto's in bijlage tonen aan dat de huidige situatie reeds voor hinder zorgt, en deze zal uiteraard alleen maar toenemen nu de omvang van de op te slagen goederen aanzienlijk vermeerdert. Dat de aanleg van een groenscherm deze hinder zal wegnemen, is een utopie. In het verleden moest de exploitant reeds een groenscherm aanbrengen, maar hij heeft dit steeds nagelaten. Andere beroepsindieners hebben hierop reeds gewezen bij de behandeling van het dossier voor de Provinciale Milieuvergunningscommissie (...). Het enige groen dat momenteel aanwezig is, bevindt zich niet op het industrieterrein zelf en werd dus niet door de exploitant voorzien. Dit volstaat echter niet. Het groenscherm dat nu voorzien wordt op de plannen (variërend van slechts 2,70 m tot 5 meter) is ruim onvoldoende : de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen voorziet als uitgangspunt een bufferstrook binnen het industriegebied van 15 m voor ambachtelijke bedrijven, 25 m voor milieubelastende bedrijven en 50 m voor vervuilende bedrijven. Huidige exploitatie moet minstens beschouwd worden als een milieubelastend bedrijf zodat in principe een buffer van 25 meter vereist is! Een schamele groenscherm dat nu voorzien wordt, kan dan ook bezwaarlijk de visuele hinder (of enige andere vorm van hinder) tegenhouden. Ten tweede vreest verzoekende partij terecht voor aanzienlijke geluidshinder. De exploitant zal dit uiteraard betwisten, verwijzend naar zijn akoestische simulatiestudie waaruit zou moeten blijken dat de geldende normen niet worden overschreden. Deze geluidsstudie is echter voor fundamentele kritiek vatbaar. Enerzijds is het uiteraard slechts een studie die is uitgevoerd in opdracht van de exploitant en die dan ook geen objectieve waarde heeft. Anderzijds is de studie ook niet meer dan een simulatie die uitgaat van de voor de exploitant meest gunstige situaties (ook al beweert men het tegendeel). VII-36.986-7/23 Verzoekende partij heeft er reeds op gewezen dat men er ten onrechte van uitgaat dat tijdens de nachtperiode enkel uitzonderlijk zand zal gelost worden met de elektrische kraan. De exploitatie laat tijdens de nachtperiode echter ook andere activiteiten toe : niet alleen het lossen van schepen, maar ook andere havenactiviteiten, en niet alleen het lossen van zand maar ook het lossen van grind, bomen, en dergelijke meer. Dat betekent dat de geluidshinder die men overdag verwacht (de scenario's 1 tot 4 van de geluidssimulatie) zich de facto ook tijdens de nacht kan voordoen. Conform bijlage 4.5.4 Vlarem II zijn de richtwaarden voor specifiek geluid in open lucht van als hinderlijk ingedeelde inrichtingen binnen woongebieden (waartoe de woning van verzoeker hoort) 45 dB(A) overdag, 40 dB(A) 's avonds en 35 dB(A) 's nachts. Voor fluctuerend geluid wordt dit respectievelijk 55, 45 en 40 dB(A). De geluidskaarten van de akoestische simulatiestudie tonen de verwachte geluidshinder voor de verschillende scenario's aan. Ter hoogte van de woning van verzoekende partij is dit : - scenario 1: 40-45 dB(A) - scenario 2: 40-50 dB(A) - scenario 3: 40-50 dB(A) - scenario 4: 40-50 dB(A) Met andere woorden : zowel 's avonds als 's nachts, maar in sommige gevallen ook overdag worden de richtwaarden wel degelijk overschreden en dit blijkens de eigen gegevens van de exploitant. Deze gegevens gaan dan nog uit van : - te beperkte en door verzoeker dan ook betwiste periodes waarbinnen bepaalde toestellen gehanteerd zouden worden, - te optimistisch ingeschat geluidsbufferend effect van de aanwezige hopen zand en grind - de bewering dat het lossen van hout (dat zeer veel lawaai met zich meebrengt) niet tegelijk met andere activiteiten zou kunnen gebeuren - het feit dat het vrachtwagenverkeer vermindert omdat de interne transporten verdwijnen. Dat de capaciteit van de inrichting aanzienlijk toegenomen is en men zelf spreekt van 100 aan- en afrijdende vrachtwagens per dag, negeert men. Dat verzoekende partij effectief geluidshinder zal ondervinden door de vergunde activiteiten, en dit 6 dagen op 7, kan dan ook niet betwist worden. Dit is ongetwijfeld een zeer ernstig en niet te herstellen nadeel. Daarnaast is er uiteraard ook stof- en lichthinder. Uit het feit dat de exploitant een bijkomende milieunota heeft moeten opmaken waarin specifiek op deze aspecten moest worden ingegaan, blijkt dat de inrichting in ieder geval stof- en lichthinder zal veroorzaken, waarvan onder meer verzoekende partij (als dichtste omwonende) het slachtoffer zal zijn. Voormelde milieunota toont ook effectief aan dat deze hinder te verwachten is, maar stelt een aantal maatregelen voor om de hinder binnen de perken van het aanvaardbare te houden. Het is echter maar de vraag of deze maatregelen zullen volstaan, en of zij effectief nageleefd zullen worden. Het verleden heeft in ieder geval aangetoond dat de exploitant zich tot nu toe zelden of nooit aan de hem opgelegde voorwaarden heeft gehouden. Bovendien blijvende opgelegde maatregelen vaak weinig concreet en effectief, en afhankelijk van derden of andere factoren ('externe chauffeurs sensibiliseren', 'bij hevige wind vermijden', 'in de mate van het mogelijke'). Ook op dit punt lijdt verzoekende partij onbetwistbaar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Tenslotte bevestigt het beleids-MER, opgesteld naar aanleiding van de ontdubbeling van de Scheldebrug de hinder die van de exploitatie afkomstig zal VII-36.986-8/23 zijn. Zoals aangehaald in de feitenweergave heeft men immers een studie gedaan naar de meest geschikte locatie om de exploitatie VAN RIET / BELGOMINE te verplaatsen. Uit deze studie is gebleken dat de huidige locatie het slechtst scoort wat de effecten op mens en milieu betreft (op de huidige inplantingsplaats
- na)! 'Op basis van een aantal criteria (planologische mogelijkheden, beschermingsgebieden, ontsluiting, regio klanten) werden 5 sites weerhouden : Site 1: industriezone ten oosten N16 (reeds in gebruik door Van Riet) Site 2 : boelwerf Site 3 : petroleumkaai Hoboken Site 4: industriegebied Kruibeke Site 5: zone Nijverheidsstraat Puurs-Bornem Als nulalternatief werd uitgegaan van het behoud van de huidige situatie met een gedeeltelijke exploitatie op de Wildfordkaai. Op basis van milieuaspecten en effecten op de mens blijkt dat het nulalternatief het slechtst scoort. De beste score wordt behaald door de site 4 voor site 3 en site 5. Dan volgt site 2 en op de vijfde plaats staat site 1, die zelfs na milderende maatregelen duidelijk negatief blijft scoren'. Uit puur economische overwegingen wordt de huidige site uiteindelijk toch gekozen, hetgeen aantoont dat men de milieubelangen duidelijk ondergeschikt gemaakt heeft aan het economische. Dit neemt het vaststaande feit echter niet weg van de negatieve effecten van de vergunde inrichting voor mens en milieu (en dus voor verzoeker), zodat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in zijnen hoofde niet kan betwist worden"; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop als volgt antwoordt : "Vooreerst kan gesteld worden dat verzoeker toch op ruime afstand van de inrichting woont, zodat de ernst van het gevreesde nadeel kan betwijfeld worden. Daarnaast is de vrees van de exploitant voor visuele hinder ongegrond en hypothetisch. De eventuele visuele hinder zal met de bestreden beslissing zelfs verminderen, nu de locatie van de inrichting verhuist weg van het centrum van Temse. De stelling dat de exploitant in het verleden zou hebben nagelaten een groenscherm aan te leggen, betekent daarom nog niet dat hij het nu ook zal nalaten. Ook de vermeende geluidshinder is puur hypothetisch. De loutere 'vrees' voor hinder kan trouwens geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaken. Zoals reeds gesteld was de conclusie van de akoestische simulatiestudie dat de inrichting, mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden, kan voldoen aan de vigerende geluidsnormen van Vlarem II. Bovendien wordt in de bestreden beslissing de volgende voorwaarde opgelegd : 'Binnen de drie maand nadat de activiteiten volledig opgestart zijn, dus na de ingebruikname van het kaaiplateau, zullen door een erkend deskundige geluid. controlemetingen uitgevoerd worden om vast te stellen of de inrichting inderdaad voldoet aan de geluidsnormen. Indien uit de controlegeluidsmeting blijkt dat de vigerende geluidsnormen niet worden nageleefd, dient de exploitant bijkomende saneringsmaatregelen te nemen. Deze maatregelen dienen uitgevoerd binnen de termijn van 15 maanden, na datum van de uitgevoerde controlemetingen'. VII-36.986-9/23 Als dit alles niet voldoende is om de geluidshinder binnen de perken te houden, wat dan wel? Blijkbaar wordt door verzoeker opnieuw de objectiviteit van een onafhankelijk en erkend deskundige in twijfel getrokken. De vermeende stof- en lichthinder is opnieuw hypothetisch waar verzoeker vreest of de opgelegde maatregelen om deze hinder in te perken, voldoende zullen zijn. Deze aspecten werden grondig onderzocht en er worden in de bestreden beslissing afdoende voorwaarden opgelegd. Verder nog beweert verzoeker dat met de bestreden beslissing economische over ecologische belangen zouden primeren. Er valt niet in te zien hoe deze bewering te rijmen valt met de notie 'moeilijk te herstellen ernstig nadeel'. Daarnaast is verzoekers' stelling ongegrond aangezien in de beoordeling van de alternatieven naar een evenwicht werd gezocht tussen de effecten op mens en milieu en de specifieke en praktische haalbaarheid. Er kan niet ontkend worden dat de locatie vergund met de bestreden beslissing een verbetering betekent voor mens en milieu ten opzichte van de bestaande toestand"; 4.3. Overwegende dat de eerste tussenkomende partij als volgt argumenteert : "AFWEZIGHEID VAN ENIG NADEEL Preliminair en voor alle andere dient te worden benadrukt dat de exploitatie van verzoekster tot tussenkomst reeds gebeurt op de terreinen waarvan sprake in de milieuvergunningen. De exploitatie is bestaande. De nadelen die verzoekende partij inroept, hebben nauwelijks iets te maken met de verplaatsing van de laad- en losactiviteit. Verzoekende partij beklaagt zich nu al over de actuele toestand. Op geen enkele manier wordt aangetoond dat ingeval het besluit van de Bestendige Deputatie geschorst wordt, de situatie opeens veel beter zou zijn, dan ingeval de activiteit niet verplaatst wordt. De wijziging die het voorwerp uitmaakt van de milieuvergunningsaanvraag is in belangrijke mate de verplaatsing van de laad- en loskade met de laad- en losactiviteiten. * De bewering van verzoekende partij, dat er visuele hinder zou ontstaan door het rechtstreekse visuele contact met de exploitatie van verzoekster tot tussenkomst is een gegevenheid die vandaag al speelt, al sinds de vergunningen uit de jaren 70. Verzoekende partij laat echter na enig stuk bij te brengen waaruit blijkt dat de door hem opgeworpen hinderaspecten zich daadwerkelijk manifesteren. Integendeel de onderzoekers/studies/vaststellingen door onafhankelijke deskundigen tonen op meer dan afdoende wijze aan dat geen enkel van de opgeworpen hinderaspecten zich voordoet. Aan de hand van deze studies waarbij verzoekster tot tussenkomst ingaat op een vraag van de Provinciale Milieuvergunningcommissie, wordt in concreto aangetoond dat de verplaatsing van de activiteiten een betere weerslag heeft op het leefmilieu dan de huidige situatie. (...). Uit het beleids-MER opgesteld naar aanleiding van de ontdubbeling van de Scheldebrug die de directe oorzaak is van de herlocalisatie van de laad- en losactiviteiten, is gebleken dat de huidige locatie het slechts scoort wat de effecten op mens en milieu betreft. De herlocalisatie naar de Scheldekaai zal in elk geval een verbetering zijn. De hinder die de verzoekende partij opwerpt betreft louter hypothetische hinder, maar in elk geval geen meer-hinder dan de huidige hinder, mocht die al bestaan. VII-36.986-10/23 * Verzoekende partij gaat totaal onterecht uit van de kwade trouw van verzoekster tot tussenkomst als zou ze zich niet aan de bijzondere voorwaarden willen houden en totaal subjectieve deskundigenverslagen laten opmaken. Deze gissingen missen elk(
- e)grond van waarheid. Het is tergend dat de verzoekende partij zomaar uitgaat van het gegeven dat het opleggen van bijzondere voorwaarden geen zin heeft, omdat verzoekster tot tussenkomst deze voorwaarden toch niet zou naleven. Deze instelling ontneemt uiteraard verzoekende partij elk motiveringsrecht. Bij het doortrekken van de redenering dat verzoekster tot tussenkomst zich onttrekt aan de voorwaarden, zou het dan ook geen enkele zin hebben om voorwaarden op te leggen, laat staan strengere voorwaarden op te leggen. Door deze poging om verzoekster tot tussenkomst ongenuanceerd, en totaal onbewezen in een verkeerd daglicht te stellen, ondergraaft verzoekster haar eigen positie. Haar vordering tot schorsing is ingegeven uit een grote onvrede met het bestaan van de firma van verzoekster in tussenkomst als bedrijf in industriegebied en vindt geen enkele bestaansreden in het voorwerp van de aangevraagde vergunning. De behandeling van de milieuvergunningsaanvraag en de schorsingsprocedure is voor verzoekster niets meer dan een bijkomende gelegenheid om verzoekster tot tussenkomst te bekladden. Er dient dan ook te worden besloten tot de afwezigheid van enige hinder in hoofde van verzoekende partij, die zelfs nalaat om de concrete hinder op een waarheidsgetrouwe manier in zijn hoofde aan te tonen. Er dient in deze te worden gewezen op de toepassing van artikel 14 van het decreet van 19 mei 2006 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en energie (B.S. 20.06.2006), dat bepaalt dat in art 24 §3 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning tussen het eerste en tweede lid een nieuw lid wordt ingevoegd dat luidt als volgt : 'Wanneer het beroep wordt ingediend door de gouverneur, het college van burgemeester en schepenen of de adviesverlenende overheidsorganen, wordt de beslissing, vanaf de bekendmaking van de ontvankelijkheid- verklaring van het beroep aan de exploitant geschorst gedurende een termijn van maximaal 150 kalenderdagen'. De decreetwijziging heeft dan ook tot gevolg dat indien een beslissing van de bestendige deputatie omtrent de milieuvergunning geschorst wordt, de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen opnieuw uitwerking krijgt. De parlementaire voorbereidingen bevestigen deze stellingname : 'het is dus ook niet de bedoeling dat, tengevolge van een schorsing of vernietiging van de beroepsbeslissing door de Raad van State, de schorsende werking van het administratief beroep zou herleven en het voorlopige exploiteren op grond van de in eerste aanleg verkregen vergunning zou verhinderd worden'. Het College van Burgemeester en Schepenen verleend aan verzoekster tot tussenkomst een milieuvergunning met minder verstrekkende voorwaarden, die bij schorsing door Uw raad, opnieuw uitwerking krijgt. De schorsing van de bestreden beslissing heeft dan ook geen nuttig effect voor verzoekende partij, gezien de eerdere verlening van de milieuvergunning door het College van Burgemeester en Schepenen. Er is geen moeilijk te herstellen nadeel in hoofde van verzoekende partij. (...) AFWEZIGHEID VAN ERNSTIGE HINDER IN HOOFDE VAN VERZOEKENDE PARTIJ Het uitgangspunt is niet waarheidsgetrouw; andermaal stelt verzoekende partij dat zijn tuin zich bevindt op een afstand van minder dan 200 meter van de gewenste inrichting. VII-36.986-11/23 De tuin bevindt zich op meer dan 300 meter van de nieuwe loskade. Verzoekende partij bedoelt dat de grens van het landbouwperceel met bomenrij zich op minder dan 200 meter bevindt van het groenscherm van de bestaande exploitatie. Er dient te worden opgemerkt dat verzoekende partij nalaat om in concreto aan te geven waarin precies zijn moeilijk te herstellen nadeel gelegen is. Verzoekende partij moet in haar verzoekschrift duidelijk en concreet aantonen waarin precies het moeilijk te herstellen nadeel gelegen is dat ze ingevolge de tenuitvoerlegging van haar bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan. Een bepaalde tolerantiegraad dient te bestaan in hoofde van verzoekende partij die pas in 2001 zijn intrek nam in de Fonteinstraat 12, waarbij hij duidelijk diende te respecteren dat er op een afstand van enkele honderden meter van zijn woning, zich een industriegebied bevindt, na de landbouwzone en het parkgebied. de vermeende visuele hinder welke door verzoekende partij als eerste moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt aangevoerd, is voor verzoekende partij onbestaande. In de eerste plaats verwijst verzoekster tot tussenkomst naar het Proces-verbaal van meting met foto-opname van NV landmeetkunde & expertiseburo N.V, dat naar waarheid opgemeten en opgemaakt werd door een Meetkundige schatter van Onroerende goederen. Hieruit blijkt duidelijk dat vanuit het bewoonde gebeid van verzoekende partij, de site van verzoekster tot tussenkomst nauwelijks zichtbaar is, laat staan dat de beperkte omvangstijging enige hinder zou veroorzaken op landschappelijke waardering. In tegenstelling tot wat verzoekende partij beweert is het groenscherm door verzoekster tot tussenkomst wel degelijk geplaatst, maar deze is momenteel verwijderd om de aanleg van een fietspad mogelijk te maken. Het spreekt voor zich dat dit groenscherm conform de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning zal worden aangelegd. De simpele verklaring dat het voorziene groenscherm ruim onvoldoende is, mist elke bewijskracht. Dat een grotere groenbuffer nodig is omdat het bedrijf van verzoekster tot tussenkomst een milieubelastend bedrijf zou zijn, mist elke grondslag. Het bedrijf is gelet op zijn milieuvriendelijkheid tegenover transport eerder een milieubevorderend bedrijf in plaats van een belastend bedrijf. Verzoekster tot tussenkomst verwijst naar de verplichtingen die haar in bijzondere voorwaarden opgelegd zijn om deze buffer van inerte materialen permanent te voorzien met het oog op het tegengaan van de geluidstrillingen. Verzoekster tot tussenkomst wenst op te merken dat verzoekende partij geen beroep aantekende tegen de bouwvergunningen die verkregen werden door de NV Waterwegen en Zeekanaal, waaruit duidelijk blijkt dat aanleg van een fietspad de teloorgang van het bestaande groenscherm met zich meebracht. Er is geen ernstig visueel nadeel. Wat de beweringen over de geluidshinder betreft wordt een gelijkaardig verhaal voorgehouden als zou verzoekster tot tussenkomst zich niet houden aan de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning. Deze bijzondere voorwaarden laten de activiteiten waarvan sprake in het verzoekschrift gewoonweg niet toe. Teneinde geluidsoverlast van de activiteiten op het bedrijfsterrein te reduceren dienen de in het beleidsMER opgenomen milderende maatregelen effectief uitgevoerd te worden :
- a)tussen de nijverheidszones en de SBZ's (VRG+HRG) dient in het oostelijk deel van deze industriezone een berm aangelegd te worden in combinatie met de bestendige opslag van inerte materialen op het VII-36.986-12/23 bedrijfsterrein teneinde op deze wijze een effectief geluidsscherm te creëren.
- b)De huidige geluidsreducerende maatregelen / installaties voor de beperking van lawaaihinder in het woongebeid dienen overgebracht te worden naar de nieuwe vestigingszone (geluidsisolatie/wandbekleding toeslagbunker en polyethyleenplaten op de bobcat).
- c)In afwijking van de sectorale milieuvergunningsvoorwaarden worden volgende exploitatietijdstippen toegestaan : • lossen van vaartuigen aan de nieuwe loskade : van 4u.00 's ochtends tot 22u.00 's avonds op voorwaarde dat er een geluidswerende berm wordt aangelegd in de industriezone in combinatie niet een bestendige opslag van inerte materialen tussen de nijverheidszone en het vogelrichtlijngebied. Na de aanleg van deze geluidswerende infrastructuur dient een akoestische meting uitgevoerd te worden teneinde het rendement van deze remediërende maatregelen te evalueren. • Laden & transport producten via de weg en de overige bedrijfsactiviteiten in de nijverheidszone: 6u.00 's ochtends tot 20u.00 's avonds; • Uitbating onderhoudswerkplaats in de woonzone: normale daguren van maandag tot en met vrijdag tussen 7u.00 's ochtends en 19u.00 's avonds; • Het uitvoeren van hinderlijke bedrijfsactiviteiten op zon- en feestdagen is principieel verboden; • Bij calamiteiten en/of bijzondere voorvallen kunnen activiteiten uitgevoerd worden tussen 22u.00 ' s avonds en 6u.00 's ochtends en op zon- en feestdagen; deze 'bijzondere' omstandigheden moeten onverwijld meegedeeld worden aan de lokale politiezone en aan de gemeentelijke milieudienst (faxbericht en/of mail); • Zolang de nieuwe weg (over de kasteelstraat en langs de Parklaan) niet aangewend wordt voor de ontsluiting van het bedrijfsterrein is het transport van goederen over de openbare weg slechts toegestaan van 7u.00 's ochtends tot 19u.00 's avonds (daguren); Deze voorwaarden worden dan later nog als volgt genuanceerd door de Bestendige Deputatie: - Voorwaarde 13a wordt aangevuld met : 'Gelet op het gegeven dat de buffer zal bestaan uit opgeslagen grondstoffen, dient er te allen tijde een voldoende hoge opslag gerealiseerd te zijn om de bufferende werking te waarborgen'. - Voorwaarde 13c, vijfde alinea wordt aangevuld met: 'Deze activiteiten zullen zich strikt beperken tot het gebruik van uitsluitend de elektrische kraan'. - Voorwaarde 13d wordt toegevoegd: 'Bij het lossen van boomstammen zal een zandbed voorzien worden om overmatig geluid en trillingen te vermijden'. - Voorwaarde 13e wordt toegevoegd: 'Binnen de drie maand nadat de activiteiten volledig opgestart zijn, dus na de ingebruikname van het kaaiplateau, zullen door een erkend deskundige geluid controlemetingen uitgevoerd worden om vast te stellen of de inrichting inderdaad voldoet aan de geluidsnormen. Indien uit de controlegeluidsmeting blijkt dat de vigerende geluidsnormen niet worden nageleefd, dient de exploitant bijkomende saneringsmaatregelen te nemen. Deze maatregelen dienen uitgevoerd binnen de termijn van 15 maanden, na datum van de uitgevoerde controlemetingen'. VII-36.986-13/23 In tegenstelling tot wat verzoekende partij beweert, laat de vergunning geen nachtelijke activiteiten toe (...), dan in noodgevallen en volgt er een studie na de ingebruikname. Dat de studie die verzoekster tot tussenkomst liet opmaken - op uitdrukkelijke vraag van Provinciale Milieuvergunningscommissie - door een Ingenieur Pans van het erkende bureau Ecolas, - waarbij ze zich op geen enkel ogenblik heeft ingelaten niet de methode en de aanpak doet verzoekende partij af als: - niet-objectief (terwijl nergens aangeduid wordt waar het subjectieve schuilt) - met de meest gunstige situaties (terwijl niet wordt aangebracht welke situatie dan wel moest bemeten worden - te beperkte en door verzoeker betwiste periodes (terwijl niet aangeduid wordt welke periodes moesten bemeten worden) - optimalistisch ingeschatte geluidsbufferend effect (terwijl niet wordt aangeduid welk bufferend effect dan wel moest berekend worden) - ... Dat 'men' spreekt van 100 aan- en afrijdende vrachtwagens, vindt verzoekende partij terug in aanvraag van rubriek van de wielwasinstallatie waar elke exploitant een maximum aantal voertuigen dient aan te geven. Verzoekende partij is intellectueel oneerlijk wanneer hij stelt dat dit duidt op de aanzienlijke toename van de capaciteit van de inrichting. De stelling dat de uitbreiding van een capaciteit automatisch tot gevolg heeft dat verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal ondervinden van de aanvraag is impertinent. De stof en lichthinder die verzoeker voorhoudt is niet bewezen. Dat verzoeker 'onbetwistbaar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel' zou ondervinden op gebied van stof- en lichthinder, leidt hij enkel af uit de vaststelling dat verzoekster tot tussenkomst gevraagd werd een bijkomende nota op te maken waarin specifiek op deze aspecten moest worden ingegaan. Het is zo dat op geen enkele manier wordt aangetoond dat welke norm dan ook overschreden wordt en op welke manier de voorwaarden niet volstaan om de hypothetische stof- en lichthinder tegen te gaan. Andermaal moet verzoekster tot tussenkomst vaststellen dat verzoeker zich vooral baseert op hypothetische kwade trouw van verzoekster tot tussenkomst, terwijl hij geen enkel P.V. van overtreding van een milieuvoorwaarde naar voor brengt. Deze hypothetische beweerde hinder wordt door uw raad niet aanvaard (R.v.St., nr. 96.283, 11juni 2000). De afstand tussen de woonzone, waarop de woning van verzoeker gebouwd is en de loskade bedraagt meer dan 300 meter. Met deze afstand moet rekening gehouden worden, alsmede met de aard van de exploitatie en het soort hinder dat ze veroorzaakt of kan veroorzaken. Wie zoals verzoeker ver van een inrichting afwoont die intrinsiek niet van aard is om veel hinder te veroorzaken, ondergaat geen nadeel dat ernstig genoeg is om een schorsing te verantwoorden (R.v.St.., nr. 38.374. 20 december 1991.) De bestemming van het terrein en de omstandigheid dat verzoeker pas in de buurt kwam wonen, nadat de bestemming van de percelen van de industriële terreinen vastlag, maakt dat van verzoeker een grotere tolerantie mag verwacht worden aangaande mogelijke hinder die zou worden veroorzaakt door verzoekster in tussenkomst. 'dat bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen nadeel dat door de exploitatie van de gevraagde uitbating aan de verzoeker zou worden berokkend ook niet kan worden voorbijgegaan aan de vaststelling dat verzoeker ervoor opteerde om een woning te kopen die vlakbij een KMO-gebied is gelegen...' R.v.St. nr. 103.561, 15 januari 2004. VII-36.986-14/23 Verzoekster tot tussenkomst besluit dan ook door te stellen dat uit de vermelde adviezen/onderzoeken duidelijk blijkt dat bij strikte naleving van de opgelegde exploitatievoorwaarden de inrichting op een verantwoorde wijze kan worden uitgebaat en er derhalve geen bezwaren zijn tegen de inrichting ter plaatse wat betreft de hinderlijke aspecten van de inrichting"; 4.4. Overwegende dat de tweede tussenkomende partij argumenteert als volgt: "De heer D'HAEN stelt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te lijden door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. De heer D'HAEN klaagt 'in eerste instantie' over visuele hinder, nl. toeslagbunkers en hopen zand en grind. De aanleg van een groenscherm moet 'utopisch' worden beschouwd, omdat de uitbater in het verleden geen groenscherm heeft aangebracht. Volgens de heer D'HAEN zou het voorziene groenscherm (met volgens hem een breedte van 2, 70 à 5, 00
- m)niet beantwoorden aan de vereiste breedte van 25 meter, zoals geldend voor een milieubelastend bedrijf. Hij verwijst terzake naar de omzendbrief dd. 8 juli 1997 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. De heer D'HAEN betwist de conclusies van de geluidsimulatie. De geluidsimulatie zou voor de nachtperiode ten onrechte beperkt zijn gebleven tot een onderzoek van het lossen van zand door een elektrische kraan. De heer D'HAEN stelt dat de richtwaarden 's avonds, 's nachts en zelfs overdag worden overschreden. Aldus zou de heer D'HAEN geluidshinder ervaren. De heer D'HAEN stelt dat het 'maar zeer de vraag is of' de milderende maatregelen inzake stof-en lichthinder vruchten zullen afwerpen. Tenslotte verwijst de heer D'HAEN naar het beleids-MER waarin de huidige site - na het nulalternatief - als de minst geschikt(
- e)op het vlak van mens en milieu is naar voor gekomen. Artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten 'een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen'. Uit die bepalingen volgt dat een verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ondergaat of dreigt te ondergaan. Met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent kan geen rekening worden gehouden. De heer D'HAEN maakt niet duidelijk op welke concrete wijze de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zijn woonconfort en woonklimaat op een ernstige en moeilijk te herstellen wijze bedreigt. Enkel om deze reden moet het verzoek worden verworpen. Van zo'n bedreiging is niets aan. De heer D'HAEN laat de talloze bijzondere vergunningsvoorwaarden buiten beschouwing, hoewel deze precies betrekking hebben op zijn grieven. Het ingeroepen nadeel is dan ook onvoldoende concreet op de zaak betrokken. Verzoeker moet immers aantonen dat de exploitatie zelfs met naleving van de bijzondere vergunningsvoorwaarden een moeilijk te herstellen VII-36.986-15/23 ernstig nadeel zal meebrengen dat significant groter moet zijn dan de huidige toestand. In wezen verzet de heer D'HAEN zich tegen om het even welke industriële activiteit op het terrein gelegen in een industriegebied (volgens het gewestplan) en een zone voor nijverheid (volgens het BPA). Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan in aanmerking worden genomen, voor zover het vermeende nadeel enkel kan voorkomen worden door de niet-verwezenlijking van de planologische bestemming. De heer D'HAEN had dit vermeende nadeel kunnen voorkomen door het gewestplan en het BPA op een nuttig tijdstip aan te vechten. Dit heeft hij niet gedaan. Vergeefs zou men hiertegen inbrengen dat verzoeker zich pas nà het gewestplan en/of het BPA in de Fonteinstraat heeft gevestigd. In deze hypothese wist de betrokken persoon perfect dat hij zich in de nabije omgeving van een industriegebied vestigt zodat hij er rekening mee moet houden dat er op dit terrein werken en uitbatingen doorgaan in overeenstemming met zijn bestemming. Het terrein wordt ten andere reeds van vóór het gewestplan aangewend als een overslaglocatie. Van de heer D'HAEN moet een hogere tolerantiegrens worden verwacht, net zoals van elkeen die zich in de buurt van een industriegebied vestigt. Dit geldt des te meer nu VAN RIET in alle redelijkheid geen 'harde' industriële activiteiten ontplooit, maar veeleer 'zachte' industriële activiteiten. In ieder geval beantwoordt de vergunde uitbating minstens aan een uitbating waarvan een omwonende kan verwachten dat zij op die plek zal worden uitgevoerd. De heer D'HAEN klaagt over visuele hinder. De visuele hinder is vreemd aan de bestreden milieuvergunning. Als er al een visuele hinder bestaat, vloeit deze hinder voort uit de stedenbouwkundige aspecten van de bedrijvigheid. Bovendien wordt zij veroorzaakt door bouwwerken waarvoor definitief geworden stedenbouwkundige vergunningen voorliggen. De overige werken op de site zijn niet aan de stedenbouwkundige vergunningsplicht onderworpen. Evenmin ernstig is het nadeel dat voortvloeit uit werken die zijn vrijgesteld van de stedenbouwkundige vergunningsplicht. Onduidelijk is bovendien op welke wijze de zandhopen een moeilijk te herstellen nadeel zouden genereren. Zij zijn immers gemakkelijk te verwijderen. De heer D'HAEN meent ten onrechte dat een buffer enkel kan worden verwezenlijkt door een groenscherm. Veelal wordt zo'n buffer opgevat als een groene buffer, maar geen enkele bepaling vereist dit. Er is enkel vereist dat de strook 'buffert' tussen de eigenlijke bedrijfsactiviteit en de bestemming van het naastliggend gebied. Die buffering kan bestaan uit keerwanden. muren, groen, open veld, een fietspad enz. Te dezen krijgen de zand- en grindhopen tevens een bufferende functie. De breedte en de aanleg van de buffer is afhankelijk van de oppervlakte en de vorm van het industriegebied zelf, van de aard van de industrieën, van de eigenlijke hinderlijkheid ervan en van de bestemming van de aanpalende gebieden. Er bestaan geen rechtens afdwingbare normen die de breedte voor de bufferstrook rond een industriegebied, bepalen, zelfs al heeft de Vlaamse overheid 'richtinggevende' breedten vooropgesteld. Verzoeker verliest uit het oog dat de bufferkwestie moet worden bekeken in functie van het BPA. Het is onduidelijk hoe de heer D'HAEN ertoe komt te besluiten dat de bufferbreedte slechts 2, 70 meter bedraagt. De heer D’HAEN maakt niet duidelijk waarom de bestreden milieuvergunning, en meer in het bijzonder de verschillende VII-36.986-16/23 klasse II-inrichtingen ervan, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel realiseren. Uw Raad heeft in het verleden terecht beslist dat een klasse II-inrichting zo'n nadeel in principe niet genereert. De heer D’HAEN maakt ook niet duidelijk welke klasse II-inrichtingen hem storen, en zeker niet in welke concrete mate dit het geval is. Inzake de vermeende geluidshinder, moet de rechtspraak MACHIELSELS in herinnering worden gebracht, waaruit blijkt dat de draagkracht van deskundige vaststellingen in principe niet kan worden betwijfeld : 'Overwegende dat in de huidige stand van de procedure uit de adviezen van terzake gespecialiseerde overheidsinstanties en uit het verslag van de gerechtsdeskundige blijkt dat de betrokken inrichting geen overmatige geluidshinder veroorzaakt'; De erkende deskundige in de discipline geluid en trillingen heeft geen overschrijdingen van de richtnormen vastgesteld, in tegenstelling tot wat verzoekers aanvoeren. Zelfs indien het standpunt van de heer D'HAEN kan worden gevolgd (quod non), blijkt dat enkel richtinggevende normen worden overschreden. De loutere overschrijding van een richtinggevende norm genereert geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel (en zelfs geen onwettigheid). De heer D'HAEN toont niet aan waarom de bijzondere vergunningsvoorwaarde 13, zoals door de bestendige deputatie aangevuld, niet zou(...) volstaan. Drie maanden na de aanvang van de uitbating dient een erkend deskundige in de discipline geluid een onderzoek door te voeren, op grond van wiens bevindingen er desgevallend saneringsmaatregelen kunnen worden opgelegd. In de mate dat de heer D'HAEN meent dat met de inplanting van het bedrijf ten onrechte te weinig belang wordt gegeven aan de aspecten mens en milieu, kan worden verwezen naar de rechtspraak die stelt dat de beweerde schade die aan het leefmilieu in het algemeen zal worden toegebracht niet als een specifiek persoonlijk nadeel van de verzoekende partij kan worden aangemerkt. In geen geval toont de heer D'HAEN precies, concreet en betrouwbaar aan op welke wijze hij een moeilijk nadeel ondergaat ten gevolge van de vergunde exploitatie. Hij toont het moeilijk te herstellen karakter van dit nadeel evenmin aan, terwijl de vergunde activiteit uit haar aard gemakkelijk te verwijderen is. Het gaat immers essentieel om overslagactiviteiten"; 4.5. Overwegende dat de derde tussenkomende partij haar standpunt als volgt uiteenzet : "Verzoekende partij wekt de indruk dat een nieuwe inrichting vergund zou worden, hetgeen niet correct is. Het bedrijf is immers vergund. De milieuvergunning is geldig tot 2013. Er wordt een vroegtijdige hernieuwing gevraagd. De Verzoekende partij maakt nergens de vergelijking met de vergunde toestand, terwijl deze toestand toch het uitgangspunt is om te beoordelen of de uitvoering van de voorliggende vergunning een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt. Immers, enkel bijkomende hinder kan ten opzichte van de huidige vergunde toestand een nadeel uitmaken. Eventuele hinder m.b.t. de bestaande vergunde toestand vloeit niet voort uit de thans verleende vergunning, doch uit de bestaande vergunning. Verderop zal overigens blijken dat de toestand er niet op achteruit gaat, doch er in tegendeel nog op verbetert door de (bijkomende) voorwaarden die opgelegd worden. Er is dan ook geen sprake van een nadeel, laat staan dat dit ernstig en moeilijk te herstellen zou zijn. VII-36.986-17/23 Verzoekende partij voert visuele hinder, geluidshinder, stof- en lichthinder aan als moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Wat de visuele hinder betreft, dient opgemerkt te worden dat deze niet voortkomt uit de huidige vergunning, wel in tegendeel. In vergelijking met de bestaande toestand zal het visuele aspect er alleen nog maar op vooruitgaan. In de vergunning is immers opgenomen dat thans een groenscherm moet aangelegd worden. Hoe dit een nadeel kan vormen ten aanzien van de huidige toestand is niet duidelijk. Verzoekende partij vindt het groenscherm 'ruim onvoldoende' en spreekt over een 'schamel' groenscherm. Zelfs indien verzoekende partij hierin gevolgd zou kunnen worden, quod non, dan nog is deze toestand beter dan de bestaande vergunningstoestand. Het is dan ook duidelijk dat de beweerde visuele hinder niet rechtstreeks haar oorzaak vindt in de huidige bestreden vergunning, doch wel in de bestaande vergunningstoestand. Bij een schorsing van de verleende vergunning keert men terug naar de bestaande vergunningstoestand, welke minder gunstig is dan de nieuwe toestand waarin het groenscherm wordt opgelegd. Verzoekende partij zou hierdoor zelf een nadeel creëren eerder dan er één weg te nemen. M.b.t. de vermeende visuele hinder moet nog opgemerkt worden dat verzoekende partij bij het bestrijden van een milieuvergunning geen hinder aanvoer(
- t)welke niet voortvloeit uit de exploitatie, maar uit de constructie zelf. Wat de vermeende geluidshinder betreft moet worden opgemerkt dat de vrees hiervoor louter hypothetisch is. In de lijn van de beste beschikbare technieken worden de volgende maatregelen opgelegd: a. de strenge en duidelijke gedragscode die gesloten wordt met de interne en externe chauffeurs b. aanleg van de berm in het oostelijk deel in combinatie met de bestendige opslag van inerte materialen c. de overbrenging van geluidsreducerende maatregelen naar de nieuwe locatie d. verbod van nachtelijke activiteiten e. de nachtelijke activiteiten zullen zich strikt beperken tot het gebruik van uitsluitend de elektrische kraan f. bij het lossen van boomstammen zal een zandbed voorzien worden om overmatig geluid en trillingen te vermijden g. binnen de drie maanden nadat de activiteiten volledig opgestart zijn, dus na de ingebruikname van het kaaiplateau, zullen door een erkend deskundige geluid controlemetingen uitgevoerd worden om vast te stellen of de inrichting voldoet aan de geluidsnormen. Indien uit de controlegeluidsmeting blijkt dat de vigerende geluidsnormen niet worden nageleefd, dient verzoekster tot tussenkomst bijkomende saneringsmaatregelen te nemen. Deze maatregelen dienen uitgevoerd te worden binnen de termijn van 15 maanden, na datum van de uitgevoerde controlemetingen. De deskundige geluid en trillingen die een akoestische simulatiestudie uitvoerde bevestigde dat voor de beschouwde scenario's de Vlaremnormen worden gerespecteerd. De deskundige expliciteert dat de specifieke geluidsbijdrage werd berekend voor de dichtste woningen gelegen in de Fonteinstraat. Deze woningen, stelt de deskundige, zijn gelegen binnen een afstand van 200 meter van de perceelsgrenzen van de inrichting. De afstand tussen de woning van verzoekende partij en de grootste geluidsbron is veel groter en wordt bovendien gebufferd door de inerte materialen en de groene buffer. Bovendien wordt in de bestreden beslissing de volgende voorwaarde opgelegd: 'Binnen de drie maand nadat de activiteiten volledig opgestart zijn, dus na de ingebruikname van het kaaiplateau, zullen door een erkend deskundige VII-36.986-18/23 geluid controlemetingen uitgevoerd worden om vast te stellen of de inrichting inderdaad voldoet aan de geluidsnormen. Indien uit de controlegeluidsmeting blijkt dat de vigerende geluidsnormen niet worden nageleefd dient de exploitant bijkomende saneringsmaatregelen te nemen. Deze maatregelen dienen uitgevoerd binnen de termijn van 15 maanden, na datum van de uitgevoerde controlemetingen'. Er is aldus voorzien in een controlesysteem, hetwelk, bij overschrijding van de geluidsnormen, leidt tot bijkomende saneringsmaatregelen. De vrees voor geluidshinder is dan ook louter hypothetisch. In de vergunning zelf zijn voldoende waarborgen ingebouwd. Ook de vrees voor stofhinder is hypothetisch. In de vergunning zijn immers voldoende maatregelen opgenomen om potentiële hinder te vermijden of in te perken. a. Er wordt gewerkt conform de GPBV-checklist voor bulkopslag b. Er worden regelmatig visuele inspecties uitgevoerd om te zien of zich stofemissies voordoen en om te controleren of de preventieve maatregelen goed werken c. Bij kortdurige opslag in openlucht wordt het oppervlak van de bulkopslag bevochtigd, besproeid door de 'Kaaireiniger'. d. De huidige silo*s zijn voldoende stabiel en er wordt instortingsgevaar vermeden. e. Het laden en lossen wordt zoveel als mogelijk gepland wanneer de windsnelheid laag is. f. De transportbanden worden door de locatie van de nieuwe loskade sterk beperkt. De transportband transporteert rechtstreeks van het schip naar de stockageplaats, zodat vrijwel geen intern vrachtverkeer, met daaraan gekoppelde laad- en losbewegingen meer gegenereerd wordt. g. Door de nieuwe wiellader wordt de afwerphoogte gereduceerd en de beste positie gekozen bij het afwerpen in een vrachtwagen. h. De snelheid op het hele terrein is gereduceerd tot 10 km/u. i. Enkel de loskade wordt verhard, waarbij het risico vermindert dat er stof opwaait naar aanleiding van schoonmaakbeurten. j. De loskade wordt gereinigd door de 'Kaaireiniger'. k. Er wordt een wielwasinstallatie geïnstalleerd. l. Indien nodig wordt bij het laden en lossen van schepen, de vracht besproeid door de 'Kaaireiniger'. m. Laden en lossen gebeurt niet met vulbuizen, maar gedeeltelijk met een trechtersysteem; vullen van de stabilisécentrale met cement gebeurt in een gesloten systeem. Het cement, dat dunner is dan zand wordt vanuit een tankwagen via een buis in de cementsilo geblazen. Onderaan het systeem wordt het cement vermengd met zand uit de andere silo*s om te komen tot stabilisé (dat zelf geen stuifgevoelig product
- is). De ontluchting van de cementsilo gebeurt door een volautomatische zelfreinigende ontluchtingsfilter van het merk WAM, geïnstalleerd in 2002. Deze omvat 6 filterzakken die om de ca. 6 maand worden vervangen. n. De trechterhoogte van silo*s bevindt zich zo laag mogelijk boven de vrachtwagen. o. Bij gebruik van grijpers wordt het beslissingsschema uit §4.4.3.2 van de BREF gevolgd en de grijper wordt lang genoeg in de storttrechter gelaten na het lossen. p. De huidige grijpers voldoen aan de gestelde eigenschappen. Er kan ook verwezen worden naar de studie die de exploitant liet uitvoeren door het erkende nv Belconsulting om er zeker van te zijn dat enkel de Best Beschikbare Technieken uit de sector worden toegepast. Daarenboven worden in de milieuvergunning een groot aantal bijkomende voorwaarden opgelegd om de mogelijke stofhinder te voorkomen. VII-36.986-19/23 Ook de vrees voor lichthinder is hypothetisch. In de vergunning zijn immers voldoende maatregelen opgenomen om potentiële hinder te vermijden of in te perken. De verlichtingsarmaturen zullen vervangen worden door deze die vermeld worden in de milieunota (Belconsulting dd. 02/2007) of gelijkwaardige systemen op de locaties die op plan voorzien werden in dezelfde nota. Deze verlichting zal steeds uitgeschakeld worden indien er geen activiteiten gebeuren op het terrein die verlichting noodzakelijk maken. In het algemeen kan verwezen worden naar de tientallen voorwaarden die in de vergunning van het college van burgemeester en schepenen zijn opgenomen voor het vermijden van elke vorm van hinder en welke gewijzigd en/of aangevuld werden door de bestendige deputatie n.a.v. het advies van de PMVC en dit na het horen - hoewel niet wettelijk verplicht - van een vertegenwoordiging van de omwonenden. Zo kan verwezen worden naar volgende aanpassingen/aanvullingen t.a.v. de reeds (in eerste aanleg) door het college van burgemeester en schepenen opgelegde voorwaarden: a. Voorwaarde 8b wordt vervangen door: 'Bij het verlaten van het bedrijfsterrein moet een watergordijn (sprinklerleiding ter hoogte van de wielwasinstallatie) geïnstalleerd worden dat steeds wordt ingeschakeld om het zand of andere stofveroorzakende producten van elke vrachtwagen te besproeien in dergelijke mate dat er een natte bovenlaag wordt gecreëerd zodat het opwaaien van stof tijdens de relatief korte transporten wordt verhinderd'. b. Voorwaarde 8e wordt aangevuld met: 'De meest stofgevoelige bulkgoederen zullen voldoende ver van het aan te leggen jaagpad opgeslagen worden én zo nodig zullen stofdoeken aangebracht worden boven de betonnen keermuren langs het jaagpad'. c. Voorwaarde 8h wordt toegevoegd: 'Regelmatig (dagelijks) dienen visuele inspecties uitgevoerd te worden om te zien of er zich stofemissies (= waarneembare stofverspreiding) voordoen en om te controleren of de preventieve maatregelen werken (aan de hand van een checklijst)'. d. Voorwaarde 8i wordt toegevoegd: 'De zelfreinigende filters op de cementsilo dienen regelmatig onderhouden en gecontroleerd te worden'. e. Voorwaarde 8j wordt toegevoegd: 'Het behandelen van stuifgevoelige stoffen dient bij hevige wind zoveel mogelijk vermeden te worden. Indien het niet anders kan, dient het materiaal maximaal bevochtigd te worden om stofverspreiding tegen te gaan'. f. Voorwaarde 8k wordt toegevoegd: 'De werknemers en externe chauffeurs dienen gesensibiliseerd te worden over alle hinderaspecten en over de te nemen maatregelen'. g. Voorwaarde 13a wordt aangevuld met: 'Gelet op het gegeven dat de buffer zal bestaan uit opgeslagen grondstoffen, dient er te allen tijde een voldoende hoge opslag gerealiseerd te zijn om de bufferende werking te waarborgen'. h. Voorwaarde 13c, vijfde alinea wordt aangevuld met: 'Deze activiteiten zullen zich strikt beperken tot het gebruik van uitsluitend de elektrische kraan'. i. Voorwaarde 13d wordt toegevoegd: 'Bij het lossen van boomstammen zal een zandbed voorzien worden om overmatig geluid en trillingen te vermijden.' j. Voorwaarde 13e wordt toegevoegd: 'Binnen de drie maand nadat de activiteiten volledig opgestart zijn, dus na de ingebruikname van het kaaiplateau, zullen door een erkend deskundige geluid controlemetingen uitgevoerd worden om vast te stellen of de inrichting inderdaad voldoet aan de geluidsnormen. Indien uit de controlegeluidsmeting blijkt dat de vigerende geluidsnormen niet worden nageleefd, dient de exploitant bijkomende saneringsmaatregelen te nemen. Deze maatregelen dienen VII-36.986-20/23 uitgevoerd binnen de termijn van 15 maanden, na datum van de uitgevoerde controlemetingen'. k. Voorwaarde 32 wordt aangevuld met: 'De bestaande verlichtingsarmaturen zullen vervangen worden door deze die vermeld worden in de milieunota (Belconsulting dd 02/2007) of gelijkwaardige systemen op de locaties die op plan voorzien werden in dezelfde nota. Deze verlichting zal steeds uitgeschakeld worden indien er geen activiteiten gebeuren op het terrein die verlichting noodzakelijk maken'. Er kan moeilijk voorgehouden worden, met alle opgelegde voorwaarden, dat er sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het omgekeerde is waar. De uitvoering van thans aangevochten beslissing betekent voor mens en milieu een verbetering ten opzichte van de bestaande toestand. Er kan dan ook moeilijk ingezien worden hoe zulks een nadeel zou zijn, laat staan een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel. Verzoekende partij vergeet dat een bepaalde vergunde toestand bestaat, nl. tot 2013. Deze vormt het uitgangspunt. De nieuwe toestand (vroegtijdige hernieuwing) is niet van aard dat deze nadelig, laat staan nadeliger zou zijn dan de huidige toestand. Met het bestrijden van de huidige vergunning schiet de verzoekende partij in haar eigen voet aangezien hierdoor teruggevallen wordt op de huidige toestand (vergund tot 2013) en tal van waarborgen voor het vermijden van de door verzoekende partij aangehaalde hinderaspecten worden hierdoor geen uitwerking zouden kunnen hebben. Verzoekende partij organiseert daarmee haar eigen 'nadeel"; 4.6. Overwegende dat de Raad van State er vooreerst rekening mee houdt dat het bewuste deel van het bedrijfsterrein industriegebied is, zodat verzoeker er zich aan mocht verwachten dat er ooit bedrijfsactiviteiten zouden worden ontwikkeld en dat er van hem derhalve ook een hogere tolerantiegraad wordt verwacht; dat verzoeker ook niet preciseert hoe de wijziging van de vergunning een ernstig nadeel zou berokkenen dat er niet eerder was, aangezien blijkt dat op het bewuste terrein ook reeds voorheen industriële activiteit was; dat, voorts, uit de stukken neergelegd door de eerste tussenkomende partij afdoende blijkt dat de woning van verzoeker zich bevindt op een afstand van 250 meter van de as van het ontworpen fietspad dat achter de vergunde inrichting ligt en op meer dan 300 meter van de loskade; dat er zowel achteraan de tuin van verzoeker als aan de rand van het bedrijfsterrein aanplantingen van bomen en struiken zijn; dat het louter gegeven dat de inrichting zichtbaar kan zijn van op een afstand van 200 tot 300 meter - vooral tijdens de winter - bezwaarlijk zonder meer als visuele hinder kan worden beschouwd en als een ernstig nadeel; dat bovendien in de vergunning als bijzondere voorwaarde is opgenomen dat de bestaande groenbeplanting dient geoptimaliseerd en uitgebreid met bijkomende struik- en heestergroepen; dat, voorts, wat de aangevoerde geluidshinder betreft, wordt vastgesteld dat de geluidsstudie is uitgevoerd door een erkend deskundige, zodat de resultaten ervan niet zonder meer als onbetrouwbaar kunnen worden bestempeld; dat de geluidskaarten van de akoestische simulatiestudie aanduiden dat verzoekers woning zich in de vier VII-36.986-21/23 "dagscenario*s" in de zone 40-45 dB(A) bevindt; dat de door verzoeker vermelde richtwaarden van bijlage 4.5.4. bij het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) deze voor woongebieden zijn, terwijl de geldende richtwaarden zijn: 50/45/45 dB(A) (dag/avond/nacht); dat bij toepassing van artikel 4.5.3.1, § 3, van Vlarem II het specifieke geluid van de inrichting 5 dB(A) onder de richtwaarden dient te blijven, derhalve in deze onder 45 dB(A) overdag en onder 40 dB(A) 's avonds en 's nachts; dat zowel in de vier verschillende simulaties voor de dagperiode als in deze voor de nachtperiode het specifieke geluid van de inrichting, ter hoogte van verzoekers woning, onder de norm blijft; dat de te verwachten geluidshinder derhalve niet wordt aanvaard als een ernstig nadeel; dat die conclusie niet wegneemt dat de bestreden milieuvergunning gewaagt van laden en transport van producten via de weg en van overige bedrijfsactiviteiten in de nijverheidszone vanaf 6 uur tot 20 uur, terwijl luidens artikel 1.1.2 van Vlarem II de beoordelingsperiode "'s nachts", de periode is van 22 uur tot 7 uur; dat het bijgevolg mogelijk is dat tussen 6 uur en 7 uur geluidsoverschrijdingen waargenomen zouden worden; dat evenwel een overschrijding van de geluidsnorm op zich geen ernstig nadeel betekent, terwijl ook niet afdoende wordt aangetoond dat de activiteiten tussen 6 uur en 7 uur reeds volledig met dezelfde intensiteit zouden gebeuren zoals in de in de simulatiestudie gehanteerde dagscenario's; dat ook rekening wordt gehouden met de opgelegde geluidsmeting binnen drie maanden, met eventuele sanering binnen vijftien maanden, zodat de termijn waarin een mogelijke geluidshinder zou kunnen bestaan tussen 6 uur en 7 uur beperkt is in tijd en derhalve niet moeilijk te herstellen zal zijn; dat verzoeker met betrekking tot de door hem aangevoerde stof- en lichthinder niet bewijst dat die hinder ernstig is; dat immers de afstand van zijn woning tot de inrichting, alsmede de opgelegde vergunningsvoorwaarden, de ernst van dergelijke hinder -zo er hinder zou zijn- in zo belangrijke mate afzwakken dat die hinder niet in aanmerking kan worden genomen om als een ernstig nadeel in de zin van voornoemd artikel 17, § 2, te worden beschouwd; dat ten slotte louter de ongunstige rangschikking van de locatie in een evaluatie van verschillende alternatieven geen persoonlijk nadeel aan verzoeker berokkent; 4.7. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om verzoekers vordering af te wijzen, VII-36.986-22/23 BESLUIT: Artikel 1. De verzoeken tot tussenkomst van de n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET, de gemeente TEMSE en de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL in het administratief kort geding worden ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 375 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en zeven, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.986-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.065 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.740 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div