← België

Arrest 178066 - Milieuvergunningen - 20/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.066 Rolnummer: A. 183594/VII-36992 Zaak: Arrest 178066 - Milieuvergunningen - 20/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-17 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:45 Fiche Arrest nr 178.066 van 20 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.066 van 20 december 2007 in de zaak A. 183.594/VII-36.992. In zake : 1. Dirk LAUWERS, wonende te TEMSE, Fonteinstraat 23 2. Stefaan PAUWELS, wonende te TEMSE, Fonteinstraat 6 tegen : de deputatie van de provincie OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partijen : 1. de gemeente TEMSE, die woonplaats kiest bij advocaten D. LINDEMANS en Th. EYSKENS, kantoor houdende te BRUSSEL, keizerslaan 3, 2. de n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET, die woonplaats kiest bij advocaat D. ABBELOOS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Hoge Weg 7, 3. de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL, die woonplaats kiest bij advocaat Y. LOIX, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Dirk LAUWERS en Stefaan PAUWELS op 24 mei 2007 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 15 maart 2007 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse van 10 oktober 2006, waarmee aan de n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET een milieuvergunning wordt verleend voor het exploiteren en veranderen van een handel in inerte producten (bouwstoffen), brandstoffen en andere goederen, met inbegrip van het gebruik van een loskade, administratieve gebouwen en onderhouds- werkplaatsen voor voertuigen, gelegen aan de Wilfordkaai 41 te Temse, niet worden VII-36.992-1/20 ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd, mits gecoördineerde aanpassing en aanvulling van een aantal voorwaarden; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van Dirk LAUWERS en Stefaan PAUWELS, die in persoon verschijnen, van bestuurssecretaris-jurist K. VAN KEYMEULEN, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaten Th. EYSKENS, D. ABBELOOS en Y. LOIX, die respectievelijk verschijnen voor de eerste, de tweede en de derde tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat met verzoekschriften van 18 en 19 juni 2007 en 5 juli 2007 respectievelijk de gemeente TEMSE, de n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET en de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL gevraagd hebben om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat verzoekers ter zitting het belang van de gemeente TEMSE en van de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL in deze ontkennen; dat, op het eerste gezicht, de gemeente TEMSE niet alleen rechtstreeks betrokken is omwille van de impact van de vergunningsproblematiek op het verkeer en de mobiliteit, doch ook omwille van de geplande ontdubbeling van de Scheldebrug, die een rechtstreekse aanleiding is van de geplande reorganisatie van de exploitatie van de tweede tussenkomende partij; VII-36.992-2/20 dat de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL financieel betrokken is bij die geplande reorganisatie van de exploitatie; dat de aangevoerde exceptie niet opgaat; dat de n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET houdster is van de bestreden vergunning; dat de verzoekende partijen in tussenkomst derhalve worden toegelaten om tussen te komen in onderhavig geding; 2. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. De n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET, tweede tussenkomende partij, exploiteert sedert jaren een bedrijf aan de Wilfordkaai te Temse, gelegen aan de westkant van de brug over de Schelde, en aan de naastgelegen Scheldekaai, gelegen aan de oostkant van de brug. Het betreft een handel in minerale stoffen, hout, rubber, kunststoffen en brandstoffen, die worden aangevoerd per binnenschip en ter plaatse worden opgeslagen. Er worden ook stoffen gemengd voor aanwending in de bouwsector en er wordt eveneens beton bereid. De inrichting ligt volgens het gewestplan in industriegebied; volgens het bijzonder plan van aanleg Schauselbroek is zij verdeeld over een zone voor kernfuncties (bestemd voor handel, horeca, kantoren, ambachtelijke bedrijven), een zone voor nijverheid, en een zone voor waterweg. 2.2. Op 24 maart 2003 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse een milieuvergunning ter hernieuwing en verandering van de inrichting, voor een termijn van twintig jaar. Na een beroep door buurtbewoners brengt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de termijn terug tot tien jaar, en voor een deel (de activiteiten in woongebied aan de Wilfordkaai) tot een proeftermijn van twee jaar. Op 25 augustus 2005 wordt dit gedeelte definitief vergund, voor een termijn die samenvalt met de resterende termijn van de vergunning. 2.3. Het Vlaamse Gewest is van plan om de brug over de Schelde te Temse te ontdubbelen. Een deel van het bedrijfsterrein aan de Wilfordkaai wordt daartoe onteigend. VII-36.992-3/20 2.4. Op 10 juni 2006 dient de exploitant, de n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET, een milieuvergunningsaanvraag in, die er in hoofdzaak toe strekt de exploitatie te reorganiseren door het overbrengen van de activiteiten van de Wilfordkaai naar de Scheldekaai. Er worden daarbij geen nieuwe percelen ingenomen, maar een nieuw aan te leggen loskade zal 50 meter de Schelde in steken. Die kade zal worden aangelegd door de derde tussenkomende partij, de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL, afdeling Zeeschelde. 2.5. Op 15 juni 2006 wordt hiervoor een stedenbouwkundige vergunning verleend, evenals voor het aanleggen van een fiets/jaagpad van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Voor andere bedrijfsgebouwen wordt een stedenbouwkundige vergunning verleend op 12 juni 2006. 2.6. De plannen leiden tot heel wat commotie : er worden 401 bezwaarschriften ingediend (waarvan een aantal door niet rechtstreeks betrokken personen, en waarvan soms meerdere bezwaarschriften door eenzelfde persoon). 2.7. Op 10 oktober 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse de gevraagde vergunning, voor een termijn van twintig jaar. Het gaat onder meer om : - het stallen van 20 voertuigen (vrachtwagens, aanhangwagens, laadschoppen, heftrucks); - een herstellingswerkplaats voor voertuigen; - de opslag van 150 ton steenkool; - de opslag van 50 ton cement in een silo; - de ondergrondse opslag van 20.000 liter stookolie; - de opslag van 1.000 m3 hout in open lucht; - de opslag van 150 ton kunststoffen in open lucht; - metaalbewerkingsmachines met een totaal vermogen van 21,33 kW; - een menginstallatie met een vermogen van 60,5 kW; - de opslag van minerale producten op een oppervlakte van 2,5 ha; - de opslag van 150 ton rubber in open lucht; - de opslag van 45 ton strooizout in een silo. VII-36.992-4/20 De exploitatie van de loskade wordt niet als vergunningsplichtig beschouwd. 2.8. Er worden verscheidene bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd, waaronder : - maatregelen ter voorkoming van stofhinder (besproeiing van transporten, wielwasinstallatie,...); - optimalisering en uitbreiding van het groenscherm; - om geluidshinder te beperken moet een berm worden aangelegd, gecombineerd met de bufferende opslag van inerte materialen; om het effect hiervan te kunnen evalueren dient een meting te gebeuren; - het lossen van schepen mag gebeuren tussen 4 uur en 22 uur; - laden en transport langs de weg, alsook activiteiten in de nijverheidszone mag tussen 6 uur en 20 uur; - in afwachting van de ingebruikname van een nieuwe weg mag het transport over de openbare weg slechts tussen 7 uur en 19 uur gebeuren; er moet op dezelfde weg worden gewacht vooraleer allerhande materialen en voorwerpen vervaardigd uit hout, rubber en kunststoffen kunnen worden gelost en overgeslagen; - bij calamiteiten en/of bijzondere voorvallen kunnen activiteiten uitgevoerd worden tussen 22 uur en 6 uur en op zon- en feestdagen; deze "bijzondere" omstandigheden moeten onverwijld meegedeeld worden aan de lokale politiezone en aan de gemeentelijke milieudienst; - teneinde lichthinder te vermijden dienen nachtelijke activiteiten op de loskade en de nijverheidszone tot het absolute minimum beperkt te blijven; - teneinde lichthinder en geluidshinder van de exploitatie van de nijverheidszone en de hierbij horende loskade te vermijden is het slechts bij uitzonderlijke situaties (calamiteiten/noodsituaties) toegestaan nachtelijke activiteiten uit te voeren tussen 22 uur 's avonds en 4 uur 's ochtends. Er worden meerdere administratieve beroepen ingediend. De adviezen die gegeven worden zijn de volgende : - de afdeling Milieuvergunningen adviseert aanvankelijk ongunstig, maar wijzigt het advies later naar een voorwaardelijk gunstig advies; - het agentschap Ruimtelijke Ordening adviseert voorwaardelijk gunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig; - de provinciale geluidsdeskundige adviseert ongunstig; VII-36.992-5/20 - de provinciale milieudeskundige adviseert aanvankelijk ongunstig, maar wijzigt het advies later naar een voorwaardelijk gunstig advies; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie geeft een voorwaardelijk gunstig advies. 2.9. Op 15 maart 2007 neemt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het bestreden besluit. De beroepen worden verworpen en de vergunning wordt bevestigd, met aanpassing van de bijzondere vergunningsvoorwaarden. Deze zijn onder meer : - bij de nachtelijke activiteiten bij "calamiteiten en/of bijzondere voorvallen" mag enkel de elektrische kraan gebruikt worden; - bij het lossen van boomstammen moet een zandbed gebruikt worden om overmatig geluid en trillingen te beperken; - binnen drie maanden na ingebruikname van de loskade moeten geluidsmetingen worden uitgevoerd en desgevallend moeten binnen vijftien maanden bijkomende saneringsmaatregelen worden getroffen om de geluidsnormen te kunnen respecteren; - er moeten speciale verlichtingsarmaturen worden gebruikt en de verlichting moet steeds worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is; 3. De ontvankelijkheid van de vordering 3.1.1. Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat de vordering tot schorsing laattijdig is; dat zij hierbij uiteenzet dat het bestreden besluit aangetekend werd verzonden op 19 maart 2007, dat de termijn van 60 dagen is beginnen lopen op 20 maart 2007 en dat 18 mei 2007 de laatste dag was om de vordering in te dienen; dat, aangezien de Post op die dag een brugdag hield, de laatste dag is verschoven naar maandag 21 mei 2007; dat de vordering tot schorsing is ingediend op 24 mei 2007, dit is drie dagen te laat; 3.1.2. Overwegende dat verzoekers in hun inleidende vordering uiteenzetten dat het bestreden besluit werd bekendgemaakt van 29 maart tot 28 mei 2007 en dat hun vordering bijgevolg tijdig is ingesteld; 3.1.3. Overwegende dat geen bewijs voorligt van een aan de Post afgegeven aangetekende zending aan eerste verzoeker; dat zulks wel het geval is VII-36.992-6/20 voor een aan de Post afgegeven aangetekende zending gericht aan tweede verzoeker; dat de exceptie, zoals geformuleerd door de verwerende partij, bijgevolg niet opgaat voor wat betreft eerste verzoeker; dat het bestreden besluit evenwel niet moest worden betekend aan tweede verzoeker; dat het bestreden besluit, op grond van artikel 35, 5/, juncto artikel 31, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), moest worden bekendgemaakt door middel van aanplakking; dat dit effectief is gebeurd van 29 maart 2007 tot 28 mei 2007; dat in geval van dergelijke bekendmaking, de beroepstermijn ingaat na afloop van de bekendmakingsperiode, dit ongeacht gebeurlijke eerdere feitelijke kennisneming door belanghebbenden; dat in deze de beroepstermijn derhalve een aanvang nam op 29 mei 2007; dat het beroep derhalve tijdig werd ingediend; dat de exceptie niet opgaat; 3.2. Overwegende dat zowel de tweede als de derde tussenkomende partij het belang van verzoekers ontkennen; dat over die exceptie slechts uitspraak zou moeten worden gedaan indien aan de beide, cumulatieve voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan is voldaan, wat te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is; 4. De schorsingsvoorwaarden Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1. Overwegende dat verzoekers met betrekking tot de tweede voorwaarde, meer bepaald waarom het nadeel ernstig is, aanvoeren wat volgt : "Verzoekers zijn beiden bewoners en eigenaars van woningen gelegen binnen een straal van 140 à 200 meter van de inrichting en benadrukken het ernstig persoonlijk nadeel van (

  1. de)bestreden beslissing. Gelet op het feit dat verzoekers in de onmiddellijke nabijheid van de geplande exploitatie wonen, kan te algemenen titel gesteld worden dat de aanleg van de exploitatie en de hiermee gepaard gaande hinder een significante aantasting van de levenskwaliteit en het woongenot van de verzoekende partijen tot gevolg zal hebben; meer in het bijzonder: VII-36.992-7/20 - Omwille van de zandhopen die als buffer tussen de woningen en de inrichting zullen worden aangebracht verdwijnt het zicht op de Schelde volledig, daarenboven wordt daarmee de band met de rivier als het ware doorgeknipt, hetgeen zij zullen ervaren als een ernstig nadeel. - Omwille van de nachtelijke geluidshinder zullen zij 's nachts ernstige (en wetenschappelijk aangetoonde) hinder ervaren, meer bepaald slaapstoornissen en daaruit voortvloeiende gezondheidsschade. - Omwille van de in de bestreden beslissing niet-gedefinieerde 'calamiteiten' kunnen zij hun rechten niet laten gelden en kan de toezichthoudende overheid en de politie bij klachten niet optreden tegen de overlast. - Omwille van de in de bestreden beslissing niet in overweging genomen negatieve effecten op de verkeersafwikkeling, meer in het bijzonder inzake het stijgende vrachtvervoer van en naar de inrichting via een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg doorheen het gemeentelijk park en langsheen het NMBS- treinstation. Het station is daarenboven voor verzoekers een omgeving die zij als pendelaars en zwakke weggebruikers bijna dagelijks (fietsend en wandelend) gebruiken. - Omwille van het geschrapte (en voorlopig nog niet verlegde) jaagpad langs de Schelde moeten verzoekers vele honderden meters omrijden om van en naar het centrum van Temse te fietsen, te wandelen ... - Verzoekers geraken tot nu toe (vanuit de eigen tuin of vanuit voetwegels) makkelijk in de ecologisch waardevolle recreatieve - en natuurrijke gebieden als het Scheldepark, Meulenbroek, Schauselbroek, de Scheldeboorden ... Dit genot zal door de bestreden beslissing fel verminderen door de industriële havenactiviteiten die geconcentreerd worden aan de oostelijke zijde van de Scheldebrug; precies de zijde waar zij wonen. - Verzoekers zullen zeker ernstig nadeel ondervinden van de verhoogde opslag aan (in open lucht opgeslagen) granulaten, kunststoffen, cement, hout ... Dit brengt zeker verhoogde zand- en (fijn) stofconcentraties met zich mee, hetgeen een ernstig gezondheidsnadeel is voor verzoekers. Verzoekers herhalen in elk geval dat alle vernoemde element het genot van hun eigendom en woonplaats (geluid, zicht, stof/zand, verkeersonveiligheid, recreatie...) zeker ernstig verminderen"; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop in haar nota met opmerkingen als volgt antwoordt : "In essentie voeren verzoekers gelijke argumenten aan als in de hierboven weerlegde middelen. Meer in het algemeen vrezen zij een aantasting van hun woongenot. Zoals hiervoor reeds aangetoond werden door verzoekers geen ernstige middelen aangebracht. Alle gevreesde hinder wordt in de bestreden beslissing ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden waardoor de hinder tot het aanvaardbare wordt beperkt. De loutere 'vrees' voor hinder volstaat niet als moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Er is dan ook geen sprake van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel"; VII-36.992-8/20 4.3. Overwegende dat de eerste tussenkomende partij als volgt argumenteert : "Verzoekende partijen omschrijven het gestelde nadeel in hun hoofde op een identieke wijze. Dit is niet ernstig, al is het maar omdat zij niet aan dezelfde zijde van de Fonteinstraat wonen. De ene verzoeker woont immers in een huis met even nummer, terwijl de andere woont in een huis met een oneven nummer. De verzoekende partij die aan de noordzijde van de Fonteinstraat woont, kan in redelijkheid niet voorhouden dat zij een identiek nadeel ondergaat als de verzoekende partij die aan de zuidzijde van de Fonteinstraat woont. De verzoekende partij die aan de noordzijde van de Fonteinstraat woont, is verder verwijderd van de uitbatingssite. Zij ziet niet uit op de uitbatingssite, gelet op de bebouwing aan de zuidzijde van de Fonteinstraat. Het gegeven dat de woon- en levensactiviteiten in een woonhuis essentieel gericht zijn naar de achterliggende tuin indachtig, is deze verzoekende partij 'weggekeerd' van de uitbatingssite. Het verzoekschrift bevat geen gegevens die toelaten om uit te maken wie van de verzoekende partijen aan welke zijde van de Fonteinstraat woont. Het verzoekschrift laat niet toe - en zeker niet met zekerheid - om uit te maken welke verzoekende partij woont aan de zuidzijde van de Fonteinstraat, te weten de zijde die méér dan de noordzijde wordt blootgesteld aan de hinder van de uitbating. Zodoende staat het beschreven nadeel niet vast en is het louter hypothetisch in hoofde van beide verzoekende partijen. Verzoekende partijen laten de talloze bijzondere vergunningsvoorwaarden zonder meer buiten beschouwing, hoewel deze precies betrekking hebben op hun grieven inzake geluid, verkeer en stof. Verzoekende partijen tonen niet aan dat de bijzondere vergunningsvoorwaarden, die voortvloeien uit voorgestelde milderende maatregelen, niet voldoen (wat niet het geval is; zij voldoen wel degelijk). Het ingeroepen nadeel is dan ook onvoldoende concreet op de zaak betrokken. Verzoekers moeten immers aantonen dat de exploitatie zelfs met naleving van de bijzondere vergunningsvoorwaarden een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal meebrengen dat significant groter moet zijn dan de huidige toestand. In wezen verzetten verzoekers zich tegen om het even welke industriële activiteit op het terrein gelegen in een industriegebied (volgens het gewestplan) en een zone voor nijverheid (volgens het BPA). Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan in aanmerking worden genomen, voor zover het vermeende nadeel enkel kan voorkomen worden door de niet-verwezenlijking van de planologische bestemming. Verzoekers hadden dit vermeende nadeel kunnen voorkomen door het gewestplan en het BPA op een nuttig tijdstip aan te vechten. Dit hebben zij niet gedaan. Vergeefs zou men hiertegen inbrengen dat verzoekers (of één van hen) zich pas na het gewestplan en/of het BPA in de Fonteinstraat hebben (of heeft) gevestigd. In deze hypothese wist de betrokken persoon perfect dat hij zich in de nabije omgeving van een industriegebied vestigt zodat hij er rekening mee moet houden dat er op dit terrein werken en uitbatingen doorgaan in overeenstemming met zijn bestemming. Het terrein wordt ten andere reeds van voor het gewestplan aangewend als een overslaglocatie. Van verzoekers moet een hogere tolerantiegrens worden verwacht, net zoals van elkeen die zich in de buurt van een industriegebied vestigt. Dit geldt des te meer nu VAN RIET in alle redelijkheid geen 'harde' industriële activiteiten ontplooit, maar veeleer 'zachte' industriële activiteiten. In ieder geval VII-36.992-9/20 beantwoordt de vergunde uitbating minstens aan een uitbating waarvan een omwonende kan verwachten dat zij op die plek zal worden uitgevoerd. Verzoekers klagen over visuele hinder. Vermits niet duidelijk is wie van de verzoekende partijen aan de zuidzijde van de Fonteinstraat woont (waarvan men geen uitzicht op de site kan hebben), is deze klacht niet ernstig te noemen. Het is uitgesloten dat beide verzoekers een visuele hinder ondergaan, wanneer niet vaststaat dat zij een uitzicht op de site hebben. Maar er is meer. De visuele hinder is vreemd aan de bestreden milieuvergunning. Als er al een visuele hinder bestaat, vloeit deze hinder voort uit de stedenbouwkundige aspecten van de bedrijvigheid. Bovendien wordt zij veroorzaakt door bouwwerken waarvoor definitief geworden stedenbouwkundige vergunningen voorliggen. De overige werken op de site zijn niet aan de stedenbouwkundige vergunningsplicht onderworpen. Evenmin ernstig is het nadeel dat voortvloeit uit werken die zijn vrijgesteld van de stedenbouwkundige vergunningsplicht. Onduidelijk is bovendien op welke wijze de zandhopen een moeilijk te herstellen nadeel zouden genereren. Zij zijn immers gemakkelijk te verwijderen. (...) Inzake de vermeende geluidshinder moet de rechtspraak MACHIELSELS in herinnering worden gebracht, waaruit blijkt dat de draagkracht van deskundige vaststellingen in principe niet kan worden betwijfeld : 'Overwegende dat in de huidige stand van de procedure uit de adviezen van terzake gespecialiseerde overheidsinstanties en uit het verslag van de gerechtsdeskundige blijkt dat de betrokken inrichting geen overmatige geluidshinder veroorzaakt'; De erkende deskundige in de discipline geluid en trillingen heeft geen overschrijdingen van de richtnormen vastgesteld, in tegenstelling tot wat verzoekers aanvoeren. Zelfs indien het standpunt van verzoekende partijen kan worden gevolgd (quod non), blijkt dat enkel richtinggevende normen worden overschreden. De loutere overschrijding van richtinggevende norm genereert geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel (en zelfs geen onwettigheid). Verzoekende partijen verliezen bovendien het bestaan van de bijzondere vergunningsvoorwaarde 13, zoals door de bestendige deputatie aangevuld, uit het oog. Drie maanden na de aanvang van de uitbating dient een erkend deskundige in de discipline geluid een onderzoek door te voeren, op grond van wiens bevindingen er desgevallend saneringsmaatregelen kunnen worden opgelegd. De vermeende slaapstoornissen en gezondheidsrisico's zijn louter hypothetisch. Verzoekers lichten niet nader toe op welke wijze hun slaapkamer is georiënteerd ten opzichte van de bedoelde exploitatie. De bewering dat verzoekende partijen hun rechten tegen de exploitatie niet zouden kunnen laten gelden, wordt ontkracht door onderhavige procedure. Het is onduidelijk wat het kunnen laten gelden van zijn rechten, te maken heeft met een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Uit de vermeend vage omschrijving van het begrip 'calamiteiten' putten verzoekers weliswaar een middel, maar de vermeende onwettigheid kan niet gelijkgesteld worden met een ernstig nadeel. De aanleg van de ontsluitingsweg vereist een stedenbouwkundige vergunning. Naar aanleiding van deze aanvraag kunnen verzoekers hun grieven formuleren. Deze grief is vreemd aan de bestreden milieuvergunning. Aan de noordgrens van het industriegebied zal het fietspad worden aangelegd. Dat dit hic et nunc nog niet is aangelegd, maakt geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit. Het vormt een tijdelijk ongemak, zoals steeds VII-36.992-10/20 gepaard (...) met de oprichting van elk bouwwerk of de organisatie van een uitbating. Verzoekende partijen tonen niet aan dat zij van het omliggende park en groen op zo'n wijze gebruik maken dat de bestreden uitbating dit vermeend waardevolle gebruik op een ernstige en moeilijk te herstellen wijze tekort doet. Dit geldt des te meer nu verzoekers strikt genomen enkel hun beklag doen over een verminderde bereikbaarheid van dit groen (verzoekers geraken tot nu toe (vanuit de eigen tuin of vanuit voetwegels) makkelijk in de ...'). De bestreden beslissing heeft geen (en dus ook geen negatieve) invloed op deze bereikbaarheid. In geen geval tonen verzoekers precies, concreet en betrouwbaar aan op welke wijze zij een moeilijk nadeel ondergaan ten gevolge van de vergunde exploitatie. Zij tonen het moeilijk te herstellen karakter van dit nadeel evenmin aan, terwijl de vergunde activiteit uit haar aard gemakkelijk te verwijderen is. Het gaat immers essentieel om overslagactiviteiten. Het spreekt voor zich dat de loutere vaststelling dat de vergunning kan worden uitgevoerd, indien zij niet geschorst wordt, niet maakt dat een herstel na een mogelijk vernietigingsarrest moeilijk is"; 4.4. Overwegende dat de tweede tussenkomende partij argumenteert als volgt : "Preliminair en voor alle andere dient te worden benadrukt dat de exploitatie van verzoekster tot tussenkomst reeds gebeurt op de terreinen waarvan sprake in de milieuvergunningen. De exploitatie is bestaande. De nadelen die verzoekers inroepen, hebben nauwelijks iets te maken met de verplaatsing van de laad- en losactiviteit. Verzoekende partij beklaagt zich nu al over de actuele toestand. Op geen enkele manier wordt aangetoond dat ingeval het besluit van de Bestendige Deputatie geschorst wordt, de situatie opeens veel beter zou zijn, dan ingeval de activiteit niet verplaatst wordt. De wijziging die het voorwerp uitmaakt van de milieuvergunningsaanvraag is in belangrijke mate de verplaatsing van de laad-en loskade met de laad- en losactiviteiten. * De bewering van verzoekende partijen, dat er visuele hinder zou ontstaan door het rechtstreekse visuele contact met de exploitatie van verzoekster tot tussenkomst is een gegevenheid die vandaag al speelt, al sinds de vergunningen uit de jaren 70. Verzoekende partijen laat echter na enig stuk bij te brengen waaruit blijkt dat de door hem opgeworpen hinderaspecten zich daadwerkelijk manifesteren. Integendeel de onderzoekers/studies/vaststellingen door onafhankelijke deskundigen tonen op meer dan afdoende wijze aan dat geen enkel van de opgeworpen hinderaspecten zich voordoet. Aan de hand van deze studies waarbij verzoekster tot tussenkomst ingaat op een vraag van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, wordt in concreto aangetoond dat de verplaatsing van de activiteiten een betere weerslag heeft op het leefmilieu dan de huidige situatie. (...) Uit het beleids-MER opgesteld naar aanleiding van de ontdubbeling van de Scheldebrug die de directe oorzaak is van de herlocalisatie van de laad- en losactiviteiten, is gebleken dat de huidige locatie het slechts scoort wat de effecten op mens en milieu betreft. De herlocalisatie naar de Scheldekaai zal in elk geval een verbetering zijn. De hinder die de verzoekende partijen opwerpen betreft louter hypothetische hinder, maar in elk geval geen meer-hinder dan de huidige hinder, mocht die al bestaan. VII-36.992-11/20 Op geen enkel moment brengen ze ook maar één bewijs aan van hun beweerde nadeel. De behandeling van de milieuvergunningsaanvraag en de schorsingsprocedure is voor verzoekster niets meer dan een bijkomende gelegenheid om verzoekster tot tussenkomst te bekladden. Er dient dan ook te worden besloten tot de afwezigheid van enige hinder in hoofde van verzoekende partij, die zelfs nalaat om de concrete hinder op een waarheidsgetrouwe manier in zijn hoofde aan te tonen. (...) Het uitgangspunt (van verzoekers) is niet waarheidsgetrouw; andermaal stellen verzoekende partijen dat hun woningen gelegen zijn binnen een straal van 140 à 200 meter van de inrichting. De tuin bevindt zich op meer dan 300 meter van de nieuwe loskade. Verzoekende partij bedoelt dat de grens van het landbouwperceel met bomenrij zich op minder dan 200 meter bevindt van het groenscherm van de bestaande exploitatie. Er dient te worden opgemerkt dat verzoekende partijen nalaten om in concreto aan te geven waarin precies (hun) moeilijk te herstellen nadeel gelegen is. Verzoekers moeten in hun verzoekschrift duidelijk en concreet aantonen waarin precies het moeilijk te herstellen nadeel gelegen is dat ze ingevolge de tenuitvoerlegging van haar bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan. Een bepaalde tolerantiegraad dient te bestaan in hoofde van verzoekende partijen, waarbij ze duidelijk dienen te respecteren dat er op een afstand van enkele honderden meter van hun woning, zich een industriegebied bevindt, na de woonzone, de landbouwzone en het parkgebied. De vermeende visuele hinder welke door de verzoekende partijen als eerste moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt aangevoerd, is voor verzoekende partijen onbestaande. In de eerste plaats verwijst verzoekster tot tussenkomst naar het Proces- verbaal van meting met foto-opname van NV landmeetkunde & expertiseburo N.V, dat naar waarheid opgemeten en opgemaakt werd door een Meetkundige schatter van Onroerende goederen.(...) Hieruit blijkt duidelijk dat vanuit het bewoonde gebied van verzoekende partijen, de site van verzoekster tot tussenkomst nauwelijks zichtbaar is, laat staan dat de beperkte omvangstijging enige hinder zou veroorzaken op landschappelijke waardering (...). In tegenstelling tot wat verzoekende partij beweert is het groenscherm door verzoekster tot tussenkomst wel degelijk geplaatst, maar deze is momenteel verwijderd om de aanleg van een fietspad mogelijk te maken. Het spreekt voor zich dat dit groenscherm conform de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning zal worden aangelegd. Verzoekster tot tussenkomst wenst op te merken dat verzoekende partijen geen beroep aantekenden tegen de bouwvergunningen die verkregen werden door de NV Waterwegen en Zeekanaal, waaruit duidelijk blijkt dat aanleg van een fietspad de teloorgang van het bestaande groenscherm met zich meebracht. Er is geen ernstig visueel nadeel"; Overwegende dat de tweede tussenkomende partij met betrekking tot de aangevoerde geluids- en stofhinder als volgt antwoordt (er wordt eerst geciteerd uit de beslissing in eerste aanleg) : VII-36.992-12/20 "13. Teneinde geluidsoverlast van de activiteiten op het bedrijfsterrein te reduceren dienen de in het beleidsMER opgenomen milderende maatregelen effectief uitgevoerd te worden :
  2. a)tussen de nijverheidszones en de SBZ*s (VRG+HRG) dient in het oostelijk deel van deze industriezone een berm aangelegd te worden in combinatie met de bestendige opslag van inerte materialen op het bedrijfsterrein teneinde op deze wijze een effectief geluidsscherm te creëren.
  3. b)De huidige geluidsreducerende maatregelen/installaties voor de beperking van lawaaihinder in het woongebied dienen overgebracht te worden naar de nieuwe vestigingszone (geluidsisolatie/wandbekleding toeslag-bunker en polyethyleenplaten op de bobcat).
  4. c)In afwijking van de sectorale milieuvergunningsvoorwaarden worden volgende exploitatietijdstippen toegestaan : - lossen van vaartuigen aan de nieuwe loskade: van 4u.00 ‘s ochtends tot 22u.00 ‘s avonds op voorwaarde dat er een geluidswerende berm wordt aangelegd in de industriezone in combinatie met een bestendige opslag van inerte materialen tussen de nijverheidszone en het vogelrichtlijngebied. Na de aanleg van deze geluidswerende infrastructuur dient een akoestische meting uitgevoerd te worden teneinde het rendement van deze remediërende maatregelen te evalueren. - Laden & transport producten via de weg en de overige bedrijfsactiviteiten in de nijverheidszone: 6u.00 ‘s ochtends tot 20u.00 ‘s avonds; - Uitbating onderhoudswerkplaats in de woonzone: normale daguren van maandag tot en met vrijdag tussen 7u.00 ‘s ochtends en 19u.00 ‘s avonds; - Het uitvoeren van hinderlijke bedrijfsactiviteiten op zon- en feestdagen is principieel verboden; - Bij calamiteiten en/of bijzondere voorvallen kunnen activiteiten uitgevoerd worden tussen 22u.00 ‘s avonds en 6u.00 ‘s ochtends en op zon- en feestdagen; deze 'bijzondere' omstandigheden moeten onverwijld meegedeeld worden aan de lokale politiezone en aan de gemeentelijke milieudienst (faxbericht en/of mail); - Zolang de nieuwe weg (over de Kasteelstraat en langs de Parklaan) niet aangewend wordt voor de ontsluiting van het bedrijfsterrein is het transport van goederen over de openbare weg slechts toegestaan van 7u.00 ‘s ochtends tot 19u.00 ‘s avonds (daguren); Deze voorwaarden worden dan later nog als volgt genuanceerd door de Bestendige Deputatie : - Voorwaarde 13a wordt aangevuld met : 'Gelet op het gegeven dat de buffer zal bestaan uit opgeslagen grondstoffen, dient er te allen tijde een voldoende hoge opslag gerealiseerd te zijn om de bufferende werking te waarborgen'. - Voorwaarde 13c, vijfde alinea wordt aangevuld met : 'Deze activiteiten zullen zich strikt beperken tot het gebruik van uitsluitend de elektrische kraan'. - Voorwaarde 13d wordt toegevoegd : 'Bij het lossen van boomstammen zal een zandbed voorzien worden om overmatig geluid en trillingen te vermijden'. - Voorwaarde 13e wordt toegevoegd : 'Binnen de drie maand nadat de activiteiten volledig opgestart zijn, dus na de ingebruikname van het kaaiplateau, zullen door een erkend deskundige geluid controlemetingen uitgevoerd worden om vast te stellen of de inrichting inderdaad voldoet aan de geluidsnormen. Indien uit de controlegeluidsmeting blijkt dat de vigerende geluidsnormen niet worden nageleefd, dient de exploitant VII-36.992-13/20 bijkomende saneringsmaatregelen te nemen. Deze maatregelen dienen uitgevoerd binnen de termijn van 15 maanden, na datum van de uitgevoerde controlemetingen'. In tegenstelling tot wat verzoekende partij steevast blijven beweren doorheen het hele verzoekschrift, laat de vergunning geen nachtelijke activiteiten toe, dan in noodgevallen en volgt er een studie na de ingebruikname. Dat de studie die verzoekster tot tussenkomst liet opmaken - op uitdrukkelijke vraag van Provinciale Milieuvergunningscommissie - door een Ingenieur Pans van het erkende bureau Ecolas, - waarbij ze zich op geen enkel ogenblik heeft ingelaten met de methode en de aanpak. De gezondheidsschade die zou veroorzaakt worden en wetenschappelijk onderbouwd zou zijn, wordt door het deskundigenonderzoek tegengesproken; er wordt trouwens geen enkele rechtsregel aangaande geluid overschreden. De stofhinder die verzoeker voorhoudt is niet bewezen. Dat verzoekers 'zeker ernstig gezondheidsnadeel' zouden ondervinden op gebied van stof- en lichthinder, leidt hij enkel af uit de vaststelling dat verzoekster tot tussenkomst gevraagd werd een bijkomende nota op te maken waarin specifiek op deze aspecten moest worden ingegaan. Het is zo dat op geen enkele manier wordt aangetoond dat welke norm dan ook overschreden wordt en op welke manier de voorwaarden niet volstaan om de hypothetische stofhinder tegen te gaan. Andermaal moet verzoekster tot tussenkomst vaststellen dat verzoekers enkel als reden de verhoogde opslag van de producten aanduiden om boutweg te stellen 'dat dit zeker verhoogde zand- en fijnstofconcentraties met zich meebrengen, hetgeen een ernstig gezondheidsnadeel is voor verzoekers'. De uitstoot van fijn stof door dieselmotoren heeft hoegenaamd niets te maken met de exploitatie van de verhoogde opslag van granulaten en zand. Deze hypothetische beweerde hinder wordt door uw raad niet aanvaard (R.v.St., nr. 96.283, 11 juni 2000). De afstand tussen de woonzone, waarop de woning van verzoeker gebouwd is en de loskade bedraagt meer dan 300 meter. Met deze afstand moet rekening gehouden worden, alsmede met de aard van de exploitatie en het soort hinder dat ze veroorzaakt of kan veroorzaken. Wie zoals verzoeker ver van een inrichting afwoont die intrinsiek niet van aard is om veel hinder te veroorzaken, ondergaat geen nadeel dat ernstig genoeg is om een schorsing te verantwoorden (R.v.St., nr. 38.374, 20 december 1991). De bestemming van het terrein en de omstandigheid dat verzoeker pas in de buurt kwam wonen, nadat de bestemming van de percelen van de industriële terreinen vastlag, maakt dat van verzoeker een grotere tolerantie mag verwacht worden aangaande mogelijke hinder die zou worden veroorzaakt door verzoekster in tussenkomst. 'dat bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen nadeel dat door de exploitatie van de gevraagde uitbating aan de verzoeker zou worden berokkend ook niet kan worden voorbijgegaan aan de vaststelling dat verzoeker ervoor opteerde om een woning te kopen die vlakbij een KMO-gebied is gelegen ...' R.v.St. nr. 103.561, 15 januari 2004. Verzoekster tot tussenkomst besluit dan ook door te stellen dat uit de vermelde adviezen/onderzoeken duidelijk blijkt dat bij strikte naleving van de opgelegde exploitatievoorwaarden de inrichting op een verantwoorde wijze kan worden uitgebaat en er derhalve geen bezwaren zijn tegen de inrichting ter plaatse wat betreft de hinderlijke aspecten van de inrichting. De laad- losactiviteiten die zich uitsluitend op de kade en het water afspelen zullen allerminst verhinderen dat verzoekers vanuit hun 'tuin', of na het oversteken van de straat, in het ecologisch waardevolle recreatieve en VII-36.992-14/20 natuurrijke gebied als het Scheldepark, Meulenbroek, Schauselbroek, de Scheldeboorden, ... geraken. De verkeersafwikkeling verhoogt niet per definitie door de verplaatsing van de laad- en losactiviteiten van verzoekster tot tussenkomst en tot de kleine uitbreiding van de opslagactiviteiten. Het oorzakelijk verband tussen vermeende negatieve effecten op de verkeersafwikkeling en het voorwerp van de betwisting is duister en onbewezen. Integendeel de opgelegde maatregelen dienen ter vrijwaring van de omwonenden tegen mogelijk hinder. Gelet op de afwezigheid van een ernstig nadeel in hoofde van verzoekende partij dien(
  5. en)de schorsingsvoorwaarden als ongegrond te worden afgewezen"; 4.5. Overwegende dat de derde tussenkomende partij haar standpunt als volgt uiteenzet : "Verzoekende partijen wekken de indruk dat een nieuwe inrichting vergund zou worden, hetgeen niet correct is. Het bedrijf is immers vergund. De milieuvergunning is geldig tot 2013. Er wordt een vroegtijdige hernieuwing gevraagd. Verzoekende partij maakt nergens de vergelijking met de vergunde toestand, terwijl deze toestand toch het uitgangspunt is om te beoordelen of de uitvoering van de voorliggende vergunning een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt. Immers, enkel bijkomende hinder kan ten opzichte van de huidige vergunde toestand een nadeel uitmaken. Eventuele hinder m.b.t. de bestaande vergunde toestand vloeit niet voort uit de thans verleende vergunning, doch uit de bestaande vergunning. Verderop zal overigens blijken dat de toestand er niet op achteruit gaat, doch er in tegendeel nog op verbetert door de (bijkomende) voorwaarden die opgelegd worden. Er is dan ook geen sprake van een nadeel, laat staan dat dit ernstig en moeilijk te herstellen zou zijn. Verzoekende partijen voeren visuele hinder, geluidshinder, stof- en lichthinder aan als moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Wat de visuele hinder betreft, dient opgemerkt te worden dat deze niet voortkomt uit de huidige vergunning, wel in tegendeel. In vergelijking met de bestaande toestand zal het visuele aspect er alleen nog maar op vooruitgaan. In de vergunning is immers opgenomen dat thans een groenscherm moet aangelegd worden. Hoe dit een nadeel kan vormen ten aanzien van de huidige toestand is niet duidelijk. Verzoekende partij vindt het groenscherm 'ruim onvoldoende' en spreekt over een 'schamel' groenscherm. Zelfs indien verzoekende partij hierin gevolgd zou kunnen worden, quod non, dan nog is deze toestand beter dan de bestaande vergunningstoestand. Het is dan ook duidelijk dat de beweerde visuele hinder niet rechtstreeks haar oorzaak vindt in de huidige bestreden vergunning, doch wel in de bestaande vergunningstoestand. Bij een schorsing van de verleende vergunning keert men terug naar de bestaande vergunningstoestand, welke minder gunstig is dan de nieuwe toestand waarin het groenscherm wordt opgelegd. Verzoekende partij zou hierdoor zelf een nadeel creëren eerder dan er één weg te nemen. M.b.t. de vermeende visuele hinder moet nog opgemerkt worden dat verzoekende partij bij het bestrijden van een milieuvergunning geen hinder aanvoer(
  6. t)welke niet voortvloeit uit de exploitatie, maar uit de constructie zelf. Wat de vermeende geluidshinder betreft moet worden opgemerkt dat de vrees hiervoor louter hypothetisch is. In de lijn van de beste beschikbare technieken worden de volgende maatregelen opgelegd : VII-36.992-15/20 a. de strenge en duidelijke gedragscode die gesloten wordt met de interne en externe chauffeurs b. aanleg van de berm in het oostelijk deel in combinatie met de bestendige opslag van inerte materialen c. de overbrenging van geluidsreducerende maatregelen naar de nieuwe locatie d. verbod van nachtelijke activiteiten e. de nachtelijke activiteiten zullen zich strikt beperken tot het gebruik van uitsluitend de elektrische kraan f. bij het lossen van boomstammen zal een zandbed voorzien worden om overmatig geluid en trillingen te vermijden g. binnen de drie maanden nadat de activiteiten volledig opgestart zijn, dus na de ingebruikname van het kaaiplateau, zullen door een erkend deskundige geluid controlemetingen uitgevoerd worden om vast te stellen of de inrichting voldoet aan de geluidsnormen. Indien uit de controlegeluidsmeting blijkt dat de vigerende geluidsnormen niet worden nageleefd, dient verzoekster tot tussenkomst bijkomende saneringsmaatregelen te nemen. Deze maatregelen dienen uitgevoerd te worden binnen de termijn van 15 maanden, na datum van de uitgevoerde controlemetingen. De deskundige geluid en trillingen die een akoestische simulatiestudie uitvoerde bevestigde dat voor de beschouwde scenario*s de Vlaremnormen worden gerespecteerd. De deskundige expliciteert dat de specifieke geluidsbijdrage werd berekend voor de dichtste woningen gelegen in de Fonteinstraat. Deze woningen, stelt de deskundige, zijn gelegen binnen een afstand van 200 meter van de perceelsgrenzen van de inrichting. De afstand tussen de woning van verzoekende partij en de grootste geluidsbron is veel groter en wordt bovendien gebufferd door de inerte materialen en de groene buffer. Bovendien wordt in de bestreden beslissing de volgende voorwaarde opgelegd : 'Binnen de drie maand nadat de activiteiten volledig opgestart zijn, dus na de ingebruikname van het kaaiplateau, zullen door een erkend deskundige geluid controlemetingen uitgevoerd worden om vast te stellen of de inrichting inderdaad voldoet aan de geluidsnormen. Indien uit de controlegeluidsmeting blijkt dat de vigerende geluidsnormen niet worden nageleefd dient de exploitant bijkomende saneringsmaatregelen te nemen. Deze maatregelen dienen uitgevoerd binnen de termijn van 75 maanden, na datum van de uitgevoerde controlemetingen'. Er is aldus voorzien in een controlesysteem, hetwelk, bij overschrijding van de geluidsnormen, leidt tot bijkomende saneringsmaatregelen. De vrees voor geluidshinder is dan ook louter hypothetisch. In de vergunning zelf zijn voldoende waarborgen ingebouwd. Ook de vrees voor stofhinder is hypothetisch. In de vergunning zijn immers voldoende maatregelen opgenomen om potentiële hinder te vermijden of in te perken. a. Er wordt gewerkt conform de GPBV-checklist voor bulkopslag b. Er worden regelmatig visuele inspecties uitgevoerd om te zien of zich stofemissies voordoen en om te controleren of de preventieve maatregelen goed werken c. Bij kortdurige opslag in openlucht wordt het oppervlak van de bulkopslag bevochtigd, besproeid door de 'Kaaireiniger'. d. De huidige silo*s zijn voldoende stabiel en er wordt instortingsgevaar vermeden. e. Het laden en lossen wordt zoveel als mogelijk gepland wanneer de windsnelheid laag is. f. De transportbanden worden door de locatie van de nieuwe loskade sterk beperkt. De transportband transporteert rechtstreeks van het schip naar de VII-36.992-16/20 stockageplaats, zodat vrijwel geen intern vrachtverkeer, met daaraan gekoppelde laad- en losbewegingen meer gegenereerd wordt. g. Door de nieuwe wiellader wordt de afwerphoogte gereduceerd en de beste positie gekozen bij het afwerpen in een vrachtwagen. h. De snelheid op het hele terrein is gereduceerd tot 10 km/u. i. Enkel de loskade wordt verhard, waarbij het risico vermindert dat er stof opwaait naar aanleiding van schoonmaakbeurten. j. De loskade wordt gereinigd door de 'Kaaireiniger' k. Er wordt een wielwasinstallatie geïnstalleerd. l. Indien nodig wordt bij het laden en lossen van schepen, de vracht besproeid door de 'Kaaireiniger'. m. Laden en lossen gebeurt niet met vulbuizen, maar gedeeltelijk met een trechtersysteem; vullen van de stabilisécentrale met cement gebeurt in een gesloten systeem. Het cement, dat dunner is dan zand wordt vanuit een tankwagen via een buis in de cementsilo geblazen. Onderaan het systeem wordt het cement vermengd met zand uit de andere silo*s om te komen tot stabilisé (dat zelf geen stuifgevoelig product is). De ontluchting van de cementsilo gebeurt door een volautomatische zelfreinigende ontluchtingsfilter van het merk WAM, geïnstalleerd in 2002. Deze omvat 6 filterzakken die om de ca. 6 maand worden vervangen. n. De trechterhoogte van silo*s bevindt zich zo laag mogelijk boven de vrachtwagen. o. Bij gebruik van grijpers wordt het beslissingsschema uit §4.4.3.2 van de BREF gevolgd en de grijper wordt lang genoeg in de storttrechter gelaten na het lossen. p. De huidige grijpers voldoen aan de gestelde eigenschappen. Er kan ook verwezen worden naar de studie die de exploitant liet uitvoeren door het erkende nv Belconsulting om er zeker van te zijn dat enkel de Best Beschikbare Technieken uit de sector worden toegepast. Daarenboven worden in de milieuvergunning een groot aantal bijkomende voorwaarden opgelegd om de mogelijke stofhinder te voorkomen. Ook de vrees voor lichthinder is hypothetisch. In de vergunning zijn immers voldoende maatregelen opgenomen om potentiële hinder te vermijden of in te perken. De verlichtingsarmaturen zullen vervangen worden door deze die vermeld worden in de milieunota (Belconsulting dd. 02/2007) of gelijkwaardige systemen op de locaties die op plan voorzien werden in dezelfde nota. Deze verlichting zal steeds uitgeschakeld worden indien er geen activiteiten gebeuren op het terrein die verlichting noodzakelijk maken. In het algemeen kan verwezen worden naar de tientallen voorwaarden die in de vergunning van het college van Burgemeester en Schepenen zijn opgenomen voor het vermijden van elke vorm van hinder en welke gewijzigd en/of aangevuld werden door de Bestendige Deputatie n.a.v. het advies van de PMVC en dit na het horen - hoewel niet wettelijk verplicht -van een vertegenwoordiging van de omwonenden. Zo kan verwezen worden naar volgende aanpassingen/aanvullingen t.a.v. de reeds (in eerste aanleg) door het college van Burgemeester en Schepenen opgelegde voorwaarden : a. Voorwaarde 8b wordt vervangen door : 'Bij het verlaten van het bedrijfsterrein moet een watergordijn (sprinklerleiding ter hoogte van de wielwasinstallatie) geïnstalleerd worden dat steeds wordt ingeschakeld om het zand of andere stof veroorzakende producten van elke vrachtwagen te besproeien in dergelijke mate dat er een natte bovenlaag wordt gecreëerd zodat het opwaaien van stof tijdens de relatief korte transporten wordt verhinderd'. b. Voorwaarde 8e wordt aangevuld met : 'De meest stofgevoelige bulkgoederen zullen voldoende ver van het aan te leggen jaagpad opgeslagen worden én zo nodig zullen stofdoeken aangebracht worden boven de betonnen keermuren langs het jaagpad'. VII-36.992-17/20 c. Voorwaarde 8h wordt toegevoegd : 'Regelmatig (dagelijks) dienen visuele inspecties uitgevoerd te worden om te zien of er zich stofemissies (= waarneembare stofverspreiding) voordoen en om te controleren of de preventieve maatregelen werken (aan de hand van een checklijst) '. d. Voorwaarde 8i wordt toegevoegd : 'De zelfreinigende filters op de cementsilo dienen regelmatig onderhouden en gecontroleerd te worden'. e. Voorwaarde 8j wordt toegevoegd : 'Het behandelen van stuifgevoelige stoffen dient bij hevige wind zoveel mogelijk vermeden te worden. Indien het niet anders kan, dient het materiaal maximaal bevochtigd te worden om stofverspreiding tegen te gaan'. f. Voorwaarde 8k wordt toegevoegd : 'De werknemers en externe chauffeurs dienen gesensibiliseerd te worden over alle hinderaspecten en over de te nemen maatregelen'. g. Voorwaarde 13a wordt aangevuld met : 'Gelet op het gegeven dat de buffer zal bestaan uit opgeslagen grondstoffen, dient er te allen tijde een voldoende hoge opslag gerealiseerd te zijn om de bufferende werking te waarborgen'. h. Voorwaarde 13c, vijfde alinea wordt aangevuld met : 'Deze activiteiten zullen zich strikt beperken tot het gebruik van uitsluitend de elektrische kraan'. i. Voorwaarde 13d wordt toegevoegd : 'Bij het lossen van boomstammen zal een zandbed voorzien worden om overmatig geluid en trillingen te vermijden'. j. Voorwaarde 13e wordt toegevoegd : 'Binnen de drie maand nadat de activiteiten volledig opgestart zijn, dus na de ingebruikname van het kaaiplateau, zullen door een erkend deskundige geluid controlemetingen uitgevoerd worden om vast te stellen of de inrichting inderdaad voldoet aan de geluidsnormen. Indien uit de controlegeluidsmeting blijkt dat de vigerende geluidsnormen niet worden nageleefd, dient de exploitant bijkomende saneringsmaatregelen te nemen. Deze maatregelen dienen uitgevoerd binnen de termijn van 15 maanden, na datum van de uitgevoerde controlemetingen'. k. Voorwaarde 32 wordt aangevuld met : 'De bestaande verlichtingsarmaturen zullen vervangen worden door deze die vermeld worden in de milieunota (Belconsulting dd 02/2007) of gelijkwaardige systemen op de locaties die op plan voorzien werden in dezelfde nota. Deze verlichting zal steeds uitgeschakeld worden indien er geen activiteiten gebeuren op het terrein die verlichting noodzakelijk maken'. Er kan moeilijk voorgehouden worden, met alle opgelegde voorwaarden, dat er sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het omgekeerde is waar. De uitvoering van thans aangevochten beslissing betekent voor mens en milieu een verbetering ten opzichte van de bestaande toestand. Er kan dan ook moeilijk ingezien worden hoe zulks een nadeel zou zijn, laat staan een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel. Verzoekende partij vergeet dat een bepaalde vergunde toestand bestaat, nl. tot 2013. Deze vormt het uitgangspunt. De nieuwe toestand (vroegtijdige hernieuwing) is niet van aard dat deze nadelig, laat staan nadeliger zou zijn dan de huidige toestand. Met het bestrijden van de huidige vergunning schiet de verzoekende partij in haar eigen voet aangezien hierdoor teruggevallen wordt op de huidige toestand (vergund tot 2013) en tal van waarborgen voor het vermijden van de door verzoekende partij aangehaalde hinderaspecten (...) hierdoor geen uitwerking zouden kunnen hebben. Verzoekende partij organiseert daarmee haar eigen 'nadeel'"; 4.6. Overwegende dat de Raad van State er vooreerst rekening mee houdt dat het bewuste deel van het bedrijfsterrein industriegebied is, zodat verzoekers er zich aan mochten verwachten dat er ooit bedrijfsactiviteiten zouden worden ontwikkeld en dat er van hen derhalve ook een hogere tolerantiegraad wordt VII-36.992-18/20 verwacht; dat, voorts, uit de stukken neergelegd door de tweede tussenkomende partij afdoende blijkt dat de woning van eerste verzoeker zich bevindt op een afstand van 280 meter van de as van het ontworpen fietspad dat achter de vergunde inrichting ligt en op meer dan 320 meter van de loskade; dat eerste verzoeker bovendien, vanuit de inrichting beschouwd, aan de overzijde van de Fonteinstraat woont, waardoor hij in de richting van de inrichting enkel zicht heeft op de woning en tuin van zijn overburen; dat de betrekkelijk diepe tuin van tweede verzoeker zich bevindt op een afstand van 145 meter van de as van het ontworpen fietspad dat achter de vergunde inrichting ligt en op ongeveer 200 meter van de loskade, en dat tweede verzoeker achter in zijn tuin een veeleer beperkt zicht heeft in de richting van het bedrijfsterrein; dat die vaststellingen er toe nopen te besluiten dat de door verzoekers aangevoerde zichthinder, voor eerste verzoeker onbestaande is en voor tweede verzoeker verwaarloosbaar en derhalve geen ernstig nadeel kan opleveren; dat met betrekking tot het nadeel dat verzoekers zouden ondergaan door de aangevoerde nachtelijke geluidshinder, verzoekers er zich toe beperken te vermelden dat "zij 's nachts ernstige (en wetenschappelijk aangetoonde) hinder ervaren, meer bepaald slaapstoornissen en daaruit voortvloeiende gezondheidsschade"; dat verzoekers zulks evenwel niet concreter maken zodat hun uiteenzetting te vaag is om te kunnen overtuigen; dat het aangevoerde nadeel dat zou worden berokkend door het niet definiëren in de vergunning van het begrip "calamiteiten" louter hypothetisch is omdat het er van uitgaat dat de exploitant misbruik zal maken van dat begrip om systematisch en quasi permanent op die uitzondering beroep te doen en omdat verzoekers er tevens van uitgaan dat de toezichthoudende overheden niet bij machte zouden zijn op treden indien het begrip "calamiteit" oneigenlijk gebruikt zou worden om ‘s nachts werkzaamheden te verrichten; dat verzoekers ook niet expliciteren waarom het bestreden besluit "negatieve effecten op de verkeersafwikkeling" zou hebben; dat zij hiermee evenmin aantonen dat het bestreden besluit zelf aan de basis zou liggen van een verhoging van het vrachtvervoer; dat het aangevoerde nadeel van het tijdelijk verdwijnen van het jaagpad langs de Schelde niet het voorwerp uitmaakt van het bestreden besluit en trouwens een tijdelijke maatregel blijkt te zijn; dat ook niet valt in te zien hoe dit jaagpad voor verzoekers een kortere weg naar het centrum zou kunnen vormen en waarom de vergunde exploitatie een aanzienlijk groter nadeel berokkent aan hun genot van de recreatieve en natuurlijke gebieden, dan het geval zou zijn bij een andere exploitatie van het industriegebied; dat verzoekers ten slotte ook niet kunnen overtuigen wanneer zij stofhinder aanvoeren; dat immers de afstand van hun woningen tot de inrichting, alsmede de opgelegde vergunningsvoorwaarden, de ernst van dergelijke hinder -zo er hinder zou zijn- in zo belangrijke mate afzwakken dat VII-36.992-19/20 die hinder niet in aanmerking kan worden genomen om als een ernstig nadeel in de zin van voornoemd artikel 17, § 2, te worden beschouwd; 4.7. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan, dat die vaststelling volstaat om de vordering van verzoekers af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De verzoeken tot tussenkomst van de gemeente TEMSE, de n.v. ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET en de n.v. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL in het administratief kort geding worden ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 375 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en zeven, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.992-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.066 Gerelateerde publicatie(
  7. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.764 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.