id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.068 Rolnummer: A. 131427/VII-28755 Zaak: Arrest 178068 - Milieuvergunningen - 20/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:45 Fiche Arrest nr 178.068 van 20 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.068 van 20 december 2007 in de zaak A. 131.427/VII-28.755. In zake : André FRANCKEN, die woonplaats kiest bij advocaat R. HENS, kantoor houdende te BRASSCHAAT, Bredabaan 161, bus 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André FRANCKEN op 6 januari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 7 november 2002 waarbij zijn beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 3 november 1993, houdende het weigeren aan verzoeker van de vergunning voor de uitbreiding van een inrichting met een stal voor 700 varkens, opslag van 750 m3 dierlijke mest en met toestellen met elektromotoren van 3 kW, gelegen aan de Witgoorsebaan 60 te Wuustwezel, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 11 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-28.755-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VERMEIREN, die, loco advocaat R. HENS, verschijnt voor verzoeker, en van advocaat N. DEWINT, die, loco advocaat B. BRONDERS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Verzoeker heeft op 28 augustus 1991 een vergunningsaanvraag ingediend tot uitbreiding van zijn veeteeltinrichting gelegen te Wuustwezel, Witgoorsebaan 60, met een stal voor 700 varkens, 750 m³ mestopslag en toestellen met elektromotoren van 3 kW. Het betreft dus een aanvraag die is ingediend onder het regime van het Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming (ARAB). 1.2. Op 3 november 1993 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning. 1.3. Op 16 december 1993 gaat verzoeker hiertegen in beroep. 1.4. Op 10 november 1995 bevestigt de verwerende partij de voornoemde weigeringsbeslissing. VII-28.755-2/8 1.5. Met het arrest nr. 104.984 van 21 maart 2002 vernietigt de Raad van State het besluit van 10 november 1995. 1.6. Na het vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure hernomen, en worden een aantal adviezen uitgebracht. De Vlaamse Landmaatschappij en de afdeling Milieuvergunningen adviseren ongunstig, de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig. 1.7. Op 7 november 2002 wordt het thans bestreden besluit genomen. De beroepen beslissing tot weigering van de gevraagde vergunning van 3 november 1993 wordt opnieuw bevestigd; 2. De gegrondheid 2.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van het ARAB, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffende- creet), van artikel 31 van het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : het wijzigingsdecreet van 20 december 1995), van het rechtszekerheids-, het legaliteits- en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat hij in het eerste onderdeel stelt dat hij zijn vergunning geweigerd ziet aangezien volgens artikel 31 van het wijzigings- decreet van 20 december 1995, voor wat betreft lopende ARAB-aanvragen waarvoor in laatste aanleg nog geen beslissing werd genomen, er enkel een vergunning kan worden verleend voor een inrichting waarvan de totale dierenpopulatie niet groter is dan de aantallen zoals vermeld in het vroegere artikel 2bis van het meststoffende- creet, dat voornoemd artikel 2bis van het meststoffendecreet, ingevoegd door het wijzigingsdecreet van 20 december 1995, inmiddels is opgeheven door artikel 3 van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: het wijzigingsdecreet van 11 mei 1999), dat de verwerende partij zelf in haar motivering aanhaalt dat voornoemd artikel niet meer bestaande is, dat de motivering van de verwerende partij als volgt luidt: "dat voor ARAB-dossiers met name de overgangsbepalingen van artikel 31 van het wijzigingsdecreet van 20 december 1995 (B.S. van 30 december 1995) nog steeds van kracht zijn; dat volgens dit artikel 31 van het decreet van VII-28.755-3/8 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, voor wat betreft lopende ARAB-aanvragen waarvoor in laatste aanleg nog geen beslissing genomen werd, er enkel een vergunning kan verleend worden voor een inrichting waarvan de totale dierenpopulatie niet groter is dan de aantallen zoals vermeld in het vroegere artikel 2bis van het Meststoffendecreet"; dat het voornoemde opgeheven artikel 2bis van het meststoffendecreet niet tot grondslag kan dienen tot weigering van de vergunning op 7 november 2002, dan mits schending van het legaliteitsbeginsel, dat tevens de auditeur in zijn verslag van 22 december 2000, dat werd neergelegd in de voorgaande procedure voor de Raad van State tot vernietiging van het besluit van de verwerende partij van 10 november 1995, uitdrukkelijk heeft vermeld dat het is uitgeloten dat voornoemd artikel 2bis van het meststoffendecreet tot grondslag kan dienen van een nieuwe vergunnings- weigering; dat verzoeker dit verslag citeert; dat hij, voorts, aanvoert dat de verwerende partij haar weigeringsbeslissing enkel en alleen op dit voornoemd artikel 2bis van het meststoffendecreet laat steunen en daardoor het vertrouwen van verzoeker ernstig heeft misleid, dat, steeds volgens verzoeker, de verwerende partij het legaliteitsbeginsel miskent en het rechtszekerheidbeginsel ernstig schendt, daar hij er immers door het handelen van de staat mocht van uitgaan dat het voornoemd opgeheven artikel 2bis geen toepassing meer kon hebben; dat hij in het tweede onderdeel stelt dat de vergunningsaanvraag ressorteert onder het toepassingsgebied van de voorschriften en procedureregels van het ARAB, dat voornoemd artikel 31 van het wijzigingsdecreet van 20 december 1995 bepaalt dat de te vergunnen productie van dergelijke inrichtingen voor de toepassing van het meststoffendecreet als vergund wordt beschouwd, dat voornoemde bepaling uitdrukkelijk vaststelt dat, wat betreft lopende ARAB-aanvragen waarvoor in laatste aanleg nog geen beslissing werd genomen, het meststoffendecreet de te vergunnen productie als vergund beschouwt; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord vooreerst artikel 31 van het wijzigingsdecreet van 20 december 1995 citeert; dat zij stelt dat hoofdstuk 1bis van het meststoffendecreet, dat onder meer voornoemd artikel 2bis bevatte, ondertussen werd opgeheven bij artikel 3 van het wijzigingsdecreet van 11 mei 1999, dat voornoemd artikel 31 van het wijzigingsde- creet van 20 december 1995 een op zichzelf staand artikel was dat een overgangsre- geling voorzag met betrekking tot vergunningsaanvragen binnen de ARAB- procedure, dat voornoemd artikel bepaalt dat een vergunning kan worden verleend, mits onder meer is voldaan aan een criterium met betrekking tot het aantal dieren, dat, teneinde dit criterium te bepalen, voornoemd artikel 31 enkele berekeningswij- VII-28.755-4/8 zen voor de veebezetting hanteert, zoals die werden uitgewerkt om na te gaan of een bedrijf al dan niet voldoet aan de voorwaarden voor de notificatie als gezinsveeteelt- bedrijf, dat artikel 31 daartoe louter verwijst naar hetgeen is bepaald in artikel 2bis, §2, 2/, b),
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.