← België

Arrest 178073 - Milieuvergunningen - 20/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.073 Rolnummer: A. 113998/VII-25284 Zaak: Arrest 178073 - Milieuvergunningen - 20/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-17 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 04:46 Fiche Arrest nr 178.073 van 20 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.073 van 20 december 2007 in de zaak A. 113.998/VII-25.284. In zake : Henny HOUBEN-JACOBS, die woonplaats kiest bij advocaat Y. LOIX, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan 20. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Henny HOUBEN-JACOBS op 11 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 9 oktober 2001 waarbij het beroep ingesteld door de Vlaamse Landmaatschappij, tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 18 april 2001, houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning voor de exploitatie van een pluimveebe- drijf, gelegen aan de Spreeuwerstraat 13 te Maaseik, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning integraal wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 107.179 van 30 mei 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 19 juli 2002 ingediend door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-25.284-1/11 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 19 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. LOIX, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat I. LAUREYS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten 1.1. Verzoeker exploiteert een pluimveebedrijf aan de Spreeuwerstraat 13 te Maaseik. 1.2. Volgens het bij koninklijk besluit van 1 september 1980 vastgesteld gewestplan "Limburgs-Maasland" is de inrichting gelegen in agrarisch gebied. 1.3. De inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, heeft in het verleden het voorwerp uitgemaakt van twee exploitatievergunningen, de ene verleend op 9 oktober 1980 voor het houden van 30.000 mestkuikens en de andere op 11 mei 1988 voor een uitbreiding met 16.000 mestkuikens, die beide geldig waren tot 9 oktober 1995. Tevens heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg op 25 juni 1992 de documenten van verzoeker geviseerd waarbij VII-25.284-2/11 aangifte wordt gedaan van opslagplaatsen voor 781 m³ dierlijke mest horende bij het vergunde veeteeltbedrijf. 1.4. In het jaar 2000 wordt de betrokken inrichting getroffen door een brand waarbij één stal wordt vernield. 1.5. Op 10 november 2000 dient verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van zijn pluimveebedrijf. Tot het voorwerp van de aanvraag behoren: stallen voor het plaatsen van in totaal 46.000 mestkuikens met als bijhorigheden de opslag van 8.500 liter stookolie en diesel, een brandstofverdeelinstallatie, een stookinstallatie, de opslag van 1.000 liter reinigings- en ontsmettingsproducten en het lozen van huishoudelijk afvalwater. 1.6. Op 18 april 2001 verleent de bestendige deputatie de gevraagde vergunning "omwille van sociale redenen" voor het houden van 34.500 mestkuikens. De vergunning wordt geweigerd voor de overige 11.500 kuikens. 1.7. Op 14 mei 2001 tekent de Vlaamse Landmaatschappij tegen deze beslissing beroep aan bij de bevoegde Vlaamse minister. Daarbij wordt inzonderheid aangevoerd dat de bestendige deputatie de aanvraag integraal had moeten weigeren wegens de onverenigbaarheid ervan met het bepaalde van artikel 33ter, §1, 3/, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna: meststoffendecreet), zoals gewijzigd door het decreet van 3 maart 2000. 1.8. Na het inwinnen van de nodige adviezen wordt op 9 oktober 2001 het besluit genomen, waarbij het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en verzoeker de vergunning integraal wordt geweigerd. Dit besluit steunt onder meer op volgend motief : "Overwegende dat onderhavige aanvraag ook dient te voldoen aan de bepalingen van artikel 33ter, §1, van het meststoffendecreet; Overwegende dat de inrichting vergund was bij ministerieel besluit van 11 mei 1988 voor het houden van 46000 slachtkuikens; dat deze vergunning vervallen is op 9 oktober 1995; Overwegende dat op grond van artikel 33ter, §1, l/,

  1. c)van het meststoffendecreet de milieuvergunning niet verleend kan worden voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor de verandering van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de mestproductie van de bestaande VII-25.284-3/11 veeteeltinrichting tot gevolg hebben; dat de inrichting overeenkomstig de definities van het meststoffendecreet, zoals hoger aangetoond, een bestaande inrichting is; dat hier evenwel geen sprake is van verandering van deze bestaande veeteeltinrichting daar de inrichting reeds een aantal jaren niet vergund is (vergunning bij MB dd. 11 mei 1988 tot 9 oktober 1995); dat het meststoffendecreet een soepelere regeling invoerde voor bestaande veeteeltinrichtingen en daarbij geen onderscheid maakte tussen deze die wel en deze die niet vergund waren op het ogenblik van inwerkingtreding van deze b e p a l i n g ; d a t b e h a l v e h e t me s t s t o f f e n d e c r e e t o o k h e t milieuvergunningendecreet van toepassing is; dat in het kader van de toepassing van het milieuvergunningendecreet ook rekening gehouden wordt met bestaande inrichtingen, in het bijzonder voor de toepassing van titel II van het Vlarem waarin deze bestaande inrichtingen gedefinieerd worden; dat in dat kader echter de strenge regels voor nieuwe inrichtingen gelden voor inrichtingen of onderdelen ervan waarvan de exploitatie niet meer vergund is en waarvoor voor het verstrijken van de vergunningstermijn geen aanvraag tot hervergunning is ingediend of melding is gebeurd (principe dat veruitwendigd werd in artikel 3.1.1., §2 van titel II van het Vlarem); dat dit principe moet gevolgd worden omdat anders onaanvaardbare situaties ontstaan; dat dus naar analogie van voormelde Vlarembenadering het voor de toepassing van het meststoffendecreet logisch is te stellen dat de regels voor nieuwe inrichtingen worden toegepast; dat derhalve de aanvraag een laattijdige hernieuwing van de vergunning van deze inrichting voor het houden van 46.000 slachtkuikens betreft (vervallen sinds 9 oktober 1995); dat de gewenste vergunde mestproductie 28.520 kg N en 13.340 kg P2O5 is, overeenkomstig 46.000 slachtkuikens; dat de aanvraag derhalve beschouwd moet worden als een aanvraag tot verandering van de vergunning van deze inrichting met een stijging van de vergunde mestproductie tot gevolg; dat de aanvraag derhalve niet verenigbaar is met artikel 33ter, §1 van het meststoffendecreet". Dit is het thans bestreden besluit. 2. Ten gronde 2.1.1. Als eerste middel wordt in het verzoekschrift de schending aangevoerd van de artikelen 1.1.2., 3.1.1., §2, 5.9.3.1., §1 "en volgende" van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II), van de artikelen 2, 7/, en 33ter, §1, 1, c), van het mestoffendecreet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel : "Doordat de bestreden beslissing het bedrijf van verzoeker beschouwt als een nieuwe inrichting volgens Vlarem II en hieraan de gevolgtrekking koppelt dat zulks derhalve evenzeer het geval is ten aanzien van het meststoffendecreet van 23 januari 1991 (nieuwe veeteeltinrichting); Terwijl verzoeker voldoet aan de algemene definitie van een bestaande inrichting als bepaald in het eerste van voormelde artikelen van Vlarem II namelijk: 'bestaande inrichting': tenzij anders in de bepalingen (met inbegrip van de andere definities) van dit besluit vermeld, de ingedeelde inrichtingen of onderdelen van ingedeelde inrichtingen: VII-25.284-4/11 - waarvoor de exploitatie op 1 januari 1993 was vergund, of waarvoor vóór 1 september 1991 een vergunningsaanvraag is ingediend; - of die op 1 januari 1993 in bedrijf zijn gesteld, vóór 1 september 1991 niet vergunningsplichtig waren, en waarvoor voor 1 maart 1993 een vergunningsaanvraag is ingediend; - of, wanneer het in de derde klasse ingedeelde inrichtingen betreft, die op 1 januari 1 993 in bedrijf zijn gesteld en waarvoor de melding gebeurde voor 1 maart 1993; - of, die op 1januari1993 niet ingedeeld waren, en het tengevolge een van of aanvulling op de indelingslijst nadien wel werden of worden, en die op dat ogenblIk reeds in uitbating of gebruik waren of zijn. Aangezien ook de Vlaamse Minister van Leefmilieu in beroep, in toepassing van artikel 5.9.3.1, § 1 en volgende van Vlarem II tot dezelfde bevinding komt, met name dat het bedrijf van verzoeker een bestaande veeteeltinrichting is vermits voldaan wordt aan de bepalingen terzake van artikel 2, 7/ van het Meststoffendecreet; Dat de verwijzing naar artikel 3.1 .1 .§2 (overgangsmaatregelen) van Vlarem II waarin gesteld wordt dat alle bepalingen van de delen 3, 4 en 5 van Vlarem II onmiddellijk van toepassing zijn op die inrichtingen waarvan de exploitatievergtrnning vervallen is en er niet tijdig een nieuwe vergunning werd aangevraagd, hieraan geen afbreuk doet; Dat immers de uitbating van verzoeker zoals moge blijken uit de adviezen van het Bestuur Milieuvergunningen in het dossier, kan voldoen aan alle voorwaarden van hoofdstuk 5.9 van Vlarem II; Aangezien de enige belemmering voor het verlenen van de gevraagde milieuvergunning volgens de bestreden beslissing voortvloeit uit artikel 33ter § 1 ,
  2. c)van het Meststoffendecreet in zoverre de inrichtIng geen bestaande maar wel een nieuwe veeteeltinrichting zou zijn (met derhalve een verboden verhoging van de mestproductie); Dat voor deze specifieke bepaling uit het Meststoffendecreet die als zodanig kan beschouwd worden als een aanvulling op de regelingen inzake de milieuvergunning (milieuvergunningendecreet en Vlarem I en II) evenwel ook de specifieke definitie van ditzelfde decreet inzake bestaande of nieuwe veeteeltinrichtingen moet gebezigd worden; Dat door in dit kader te verwijzen naar een bepaling als artikel 3.1.1 §2 van V!arem II die eigen is aan deze reglementering inzake de niilieuvergunning, de vergunningverlenende overheid aan de begrippen 'bestaande veeteeltinrichting' en 'nieuwe veeteeltinrichting' een andere draagwijdte geeft dan de decreetgever bedoelde; Dat waar deze beide definities in het Meststoffendecreet voldoende duidelijk omschreven worden, en bovendien moet vastgesteld worden dat ook het Vlarem II inzake de indelingsrubriek 9 uitdrukkelijk hiernaar verwijst (artikel 1 .1 .2., Definities dieren/opslag mest), de vergunningverlenende overheid door deze overwegingen te weerhouden minstens artikel 33ter § 1, 1 /,
  3. c)van het Meststoffendecreet schendt". In essentie voert verzoeker aan dat de "vergunningsstop" die in artikel artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet besloten ligt, niet op hem van toepassing is aangezien zijn inrichting op grond van de definities van artikel 1.1.2. van Vlarem II, juncto artikel 2, 7/, van het meststoffendecreet van, beschouwd moet worden als een "bestaande veeteeltinrichting". In artikel 1.1.2. van Vlarem II wordt voor de definitie van het begrip "bestaande veeteeltinrichting" verwezen naar VII-25.284-5/11 het mestsoffendecreet. In artikel 2, 7/, van voornoemd decreet wordt een "bestaande veeteeltinrichting" omschreven als "een inrichting die ten minste één stal omvat met een capaciteit die in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning als hinderlijk is ingedeeld in één of meer rubrieken die betrekking hebben op diersoorten vermeld in artikel 5 en waarvoor de definitieve bouwvergunning werd verleend voor 1 september 1991 en waarvan minstens voor wat betreft aanslagjaar 1993 voor 29 september 1993 aangifte gedaan werd bij de Mestbank". Met die inrichtingen worden krachtens het tweede lid van artikel 2, 7/, gelijkgesteld "de inrichtingen waarvoor na 1 september 1991 en voor 1 september 1995 de definitieve bouwvergunning en milieuvergunning werden bekomen en die aan de vereiste aangifteplicht in het kader van dit decreet hebben voldaan". Tevens voert verzoeker aan dat zijn inrichting kan worden ingepast in de algemene definitie van "bestaande inrichting" van artikel 1.1.2. van Vlarem II. Wat betreft deze laatste begripsomschrijving kan nu reeds worden vastgesteld dat ze in casu niet relevant is aangezien Vlarem II in een specifieke begripsomschrijving voor "bestaande veeteeltinrichtingen" voorziet en die specifieke definitie hoe dan ook primeert op de algemene definitie die Vlarem II geeft aan "bestaande inrichtingen". De algemene definitie heeft namelijk enkel betekenis wanneer er geen bijzondere begripsomschrijving werd voorzien (artikel 1.1.2. van Vlarem II bevat in dat verband de zinsnede "tenzij anders in de bepalingen (met inbegrip van de andere definities ) van dit besluit vermeld"). 2.1.2. In de memorie van wederantwoord roept verzoeker ook nog de schending van de formele motiveringsplicht en van het vertrouwensbeginsel in. 2.1.3. In de laatste memorie wordt daarnaast de schending ingeroepen van het gelijkheidsbeginsel. 2.1.4. Artikel 33ter, §1, 1/, van het mestsoffendecreet, zoals gewijzigd door artikel 18 van het decreet van 3 maart 2000, luidde als volgt : "§ 1. Met betrekking tot de exploitatie van landbouw- en veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels : 1/ tot en met 31 december 2004;
  4. a)(...);
  5. b)(...):
  6. c)kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, geen milieuvergunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie te berekenen volgens artikel 33bis, §2 van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg hebben, behoudens wanneer het gaat om een VII-25.284-6/11 herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting voortvloeiende uit ruilver- kavelingen, landinrichting, natuurinrichting en/of onteigeningen om openbaar nut en de nieuwe of bijkomende mestproductie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltinrichting". Die bepaling komt neer op een principieel verbod om milieuvergunningen te verlenen die een verhoging van de vergunde mestproductie tot gevolg hebben. 2.1.5. De overweging van het bestreden besluit waarin wordt gesteld dat "deze inrichting conform de bepalingen van artikel 2,7/,
  7. a)van het meststoffendecreet kan beschouwd worden als een bestaande veeteeltinrichting" mag niet worden geïsoleerd van de onmiddellijk daaropvolgende overweging dat "onderhavige aanvraag ook dient te voldoen aan de bepalingen van artikel 33ter, §1, van het meststoffendecreet". Artikel 4, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet) bepaalt dat niemand zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de eerste of tweede klasse mag exploiteren of veranderen. Uit dat verbod vloeit voort dat de exploitatie van een vergunde inrichting moet worden stopgezet wanneer de geldigheidsduur van de lopende vergunning verstrijkt en de exploitant heeft nagelaten om tijdig een verzoek tot hernieuwing van de vergunning(
  8. en)in te dienen. Verzoeker betwist niet dat op het ogenblik dat hij de litigieuze vergunningsaanvraag indiende de geldigheidstermijn van de eertijds, op 9 oktober 1980 en op 11 mei 1988, verleende exploitatievergunningen voor het houden van in totaal 46.000 mestkuikens, reeds meer dan vijf jaar was verstreken. Het wezen van de milieuvergunningsplicht impliceert dat wanneer in de desbetreffende regelgeving wordt gesproken van "bestaande (veeteelt)- inrichtingen" het niet gaat over allerhande bestaande feitelijke toestanden maar dat enkel die toestanden bedoeld worden die ook regelmatig vergund zijn (tenzij natuurlijk het tegendeel uitdrukkelijk zou worden bepaald in een decretale regeling). De definitie van "bestaande veeteeltinrichting" in artikel 2, 7/, van het meststoffendecreet moet daarom samengelezen worden met de artikelen 4, §1, 18, §2 en §3, van het milieuvergunningsdecreet. Dergelijke samenlezing impliceert dat de aanvraag van verzoeker wat betreft het al dan niet "bestaande" VII-25.284-7/11 karakter van de inrichting niet exclusief moest worden beoordeeld in het licht van de bepalingen van het meststoffendecreet en dat de verwerende partij op goede gronden tot het besluit is kunnen komen dat een "bestaande" veeteeltinrichting waarvan de exploitatie niet tijdig werd hernieuwd moet worden beschouwd als een "nieuwe" inrichting. Een tegenovergestelde opvatting zou trouwens kunnen leiden tot de ongerijmde situatie dat "bestaande" maar niet vergunde inrichtingen niet onder de toepassing van artikel 33ter, §1, 1/,
  9. c)van het meststoffendecreet, zouden vallen, en er alsdan zou kunnen toe leiden dat een exploitant wiens vergunning is verstreken en die exploiteert zonder vergunning een uitbreiding van zijn inrichting met verhoging van de mestproductie zou kunnen verkrijgen, terwijl een exploitant wiens milieuvergunning niet is verstreken en die tijdig een uitbreiding van zijn vergunning met verhoging van de mestproductie vraagt, op een weigering zou botsen in toepassing van evengenoemd artikel. In artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet is overigens sprake van een "vergunde" mestproductie. Er is uiteraard geen sprake van een "vergunde" mestproductie wanneer de betrokken veeteeltinrichting niet geëxploiteerd mag worden, omdat ze niet regelmatig is vergund. Ook kan de door de decreetgever gewilde quasi algemene vergunningsstop voor veeteeltinrichtingen niet worden verzoend met een stijging van de mestproductie die zou voortvloeien uit het opnieuw vergunnen van inrichtingen die lange tijd zonder vergunning werden geëxploiteerd en die - om welke reden dan ook - "herleven" door het indienen van een nieuwe aanvraag. In de memorie van wederantwoord roept verzoeker voor het eerst de schending in van de formele motiveringsplicht en van het vertrouwensbeginsel. Daarmee geeft hij een bijkomende grondslag aan het eerste middel die niet te vinden is in het verzoekschrift tot nietigverklaring. Verzoeker was in staat de schending van de formele motiveringsplicht aan te voeren in het inleidend verzoekschrift, zodat deze kritiek niet voor het eerst op ontvankelijke wijze in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd. Een zelfde opmerking geldt voor de in de laatste memorie ingeroepen schending van het gelijkheidsbeginsel. Het eerste middel is niet gegrond. VII-25.284-8/11 2.2.1. Het tweede middel wordt afgeleid uit de schending van "de artikelen 2 en volgende van de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen, minstens schending van de beginselen van redelijkheid en evenredigheid, algemene beginselen van behoorlijk bestuur" : "Doordat de bestreden beslissing niet antwoordt op de opwerping van verzoeken dat hij van oordeel was nog te beschikken over een geldige vergunning gezien de aktename van 25 juni 1992, geldend als vergunning, van de Bestendige Deputatie van de Provincie Limburg waarbij de exploitatie van een mestopslag van 781 m³ horende bij het bestaande pluimveebedrijf vergund wordt tot 25 juni 2012 en waarbij verzoeker bIj deze aangifte zijn volledige exploitatie (stallingen en aantal kippen) vermelde; Terwijl door deze tussenkomst van de Bestendige Deputatie, sinds de inwerkingtreding van Vlarem I hieraan voorafgaand toch de bevoegde, vergunningverlenende overheid terzake, zij niet alleen akte nam van de mestopslag maar tevens een nieuwe vergunningstermijn van 20 jaar vaststelde, daar waar de lopende vergunning zou verstrijken op 9 oktober 1995; Dat verzoeken, voor zover op dat ogenblik op deze wijze géén geldige vergunning zou kunnen verleend worden - verzoeker is evenwel onvoldoende vertrouwd met de betrokken regelgeving en de voortdurende veranderingen hieraan - hij minstens terecht die mening kon zijn toegedaan gezien hij in de daaropvolgende jaren, tot de brand in het jaar 2000, ongestoord zijn uitbating mocht voortzetting, met jaarlijkse aangifte aan de mestbank en met naleving van alle andere wettelijke bepalingen inzake een normale uitbating; Dat trouwens in eerste aanleg, en hierbij kan verwezen worden naar de vergunning verleend door de Bestendige Deputatie van Limburg die 'Sociale redenen' aanhaalt, blijkbaar wel degelijk met dit gegeven werd rekening gehouden; Dat de bestreden beslissing door hier geen enkele aandacht aan te besteden de wettelijk vereiste motiveringsplicht schendt". 2.2.2. Uit de bespreking van het eerste middel volgt dat het bestreden besluit steunt op in rechte correcte motieven die op zich afdoende zijn om de weigering van de milieuvergunning te schragen. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel en het "evenredigheidsbeginsel" kan geen sprake zijn wanneer de vergunningverlenende overheid de geldende reglementering correct toepast en de aanvraag op grond van die toepasselijke reglementering, die geen ruimte laat voor enige discretionaire beoordeling, moet worden geweigerd. Bij de bespreking van het eerste middel wordt reeds gesteld dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet een verbod tot vergunningverlening inhoudt wat betreft de aanvraag die verzoeker heeft ingediend. In die omstandigheid mocht de verwerende partij dan ook geen rekening houden met de "sociale redenen" of met de redenen van "verschoning" die verzoeker meende te kunnen laten gelden. In het arrest nr. 121.538 van 9 juli 2003 VII-25.284-9/11 heeft de Raad van State aangegeven dat artikel 33ter, §1, 1/,c), van het meststoffendecreet aan de vergunningverlenende overheid geen beoordelingsruimte laat en dat zij "niet vermag op grond van billijkheidsredenen deze bepaling niet toe te passen en in weerwil van een uitdrukkelijk wettelijk verbod toch een milieuvergunning te verlenen". Wanneer, zoals te dezen, de toepasselijke rechtsnorm geen beoordelingsruimte laat, hoeft de vergunningverlenende overheid niet te motiveren waarom ze niet op redenen van billijkheid - die in casu door verzoeker worden gestoeld op het vertrouwen dat in zijnen hoofde zou zijn gewekt door het viseringsbesluit van 25 juni 1992 - ingaat. Het tweede middel is niet gegrond, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. VII-25.284-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-25.284-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.073 Gerelateerde publicatie(
  10. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.107.179 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.