← België

Arrest 178074 - Milieuvergunningen - 20/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.074 Rolnummer: A. 115447/VII-25504 Zaak: Arrest 178074 - Milieuvergunningen - 20/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-15 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:46 Fiche Arrest nr 178.074 van 20 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.074 van 20 december 2007 in de zaak A. 115.447/VII-25.

  1. In zake : Jos DETERS, die woonplaats kiest bij advocaat I. CUYPERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
  2. tussenkomende partij : de stad BREE, die woonplaats kiest bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jos DETERS op 16 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 16 november 2001 waarbij zijn beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 23 mei 2001, houdende weigering van de vergunning voor de exploitatie van een inrichting voor het bewerken van slachtproducten, gelegen aan de Opitterkiezel 36 te Bree, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 107.446 van 6 juni 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 11 september 2002; VII-25.504-1/6 Gelet op de beschikking van 24 september 2002 die de tussenkomst van de stad BREE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 22 februari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2007 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 14 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. DE BECKER die, loco advocaat I. CUYPERS verschijnt voor verzoeker, van advocaat I. LAUREYS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. GEELEN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De feiten 1.
  5. Verzoeker is uitbater van een inrichting voor het bewerken van slachtproducten aan de Opitterkiezel 36 te Bree. 1.
  6. Volgens het bij koninklijk besluit van 22 maart 1978 vastgesteld gewestplan Neerpelt-Bree is de inrichting gelegen in woongebied, woonuitbreidings- gebied, waterwinningsgebied en agrarisch gebied. VII-25.504-2/6 1.
  7. Volgens het bij ministerieel besluit van 29 april 1997 goedgekeurd Bijzonder Plan van Aanleg (hierna: BPA) Opitterkiezel, ligt de inrichting in een zone voor ambachtelijke bedrijven. 1.
  8. Op 6 november 2000 dient verzoeker een vergunningsaanvraag in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg voor de exploitatie van een inrichting voor het bewerken van slachtproducten. 1.
  9. Tijdens het openbaar onderzoek worden 311 bezwaarschriften ingediend. 1.
  10. Op 23 mei 2001 weigert de bestendige deputatie de gevraagde vergunning te verlenen. 1.
  11. Hiertegen stelt verzoeker beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 1.
  12. In het kader van de beroepsprocedure worden verscheidene adviezen uitgebracht. Het advies van 17 augustus 2001 van het bestuur Milieuver- gunningen is ongunstig. 1.
  13. Met een besluit van 16 november 2001 acht de verwerende partij verzoekers beroep ongegrond en wordt de beroepen beslissing tot weigering van de gevraagde vergunning bevestigd. Dit is het thans bestreden besluit. Het weigert de vergunning om de volgende redenen : "Overwegende dat de inrichting gelegen is op ongeveer 20 m van de dichtstbijgelegen woning; dat de inrichting zich bevindt achter een rij woningen en vlakbij een woonkern; dat de toegang tot de inrichting zich bevindt via een vrij smalle doorgang tussen twee woningen; dat de aanvoer van de dierlijke afvalstoffen zal dienen te gebeuren met vrachtwagens en dat de smalle toegang tot het bedrijfsterrein voor verkeersgevaarlijke situaties zou kunnen zorgen; dat de vrachtwagens bovendien geluidshinder veroorzaken; Overwegende dat de opslag en verwerking van dierlijk afval aanleiding kan geven tot hevige geurhinder; dat de milieuvergunningsaanvraag niet duidelijk maakt waar het dierlijk afval wordt gelost, buiten of binnen het gebouw; dat het buiten het gebouw lossen van dierlijk afval aanleiding kan geven tot geurhin- der; dat de 2 voorziene poorten voor aan- en afvoer slechts 4 m breed zijn, wat nipt is voor vrachtwagens; dat ook niet duidelijk is hoe de verdeling en de verkeerssituatie van de ruimtes intern is; dat er geen antwoord wordt gegeven of de vrachtwagen eventueel langs dezelfde poort de bedrijfsruimte verlaat; dat er geen duidelijk afgescheiden koelruimte is getekend op het plan en dat niet duidelijk wordt gemaakt welk gedeelte van het gebouw wordt gekoeld en welk niet; dat de droogkasten en de opslagruimtes niet duidelijk zijn aangegeven op VII-25.504-3/6 het bijgevoegde plan; dat bijgevolg uit het bijgevoegde plan niet is op te maken hoe de werkzaamheden concreet zullen verlopen binnen de bedrijfsruimte; dat bijgevolg het bijgevoegde plan niet beantwoordt aan artikel 5, §3 van titel I van het Vlarem; dat gezien de nabijheid van een aantal woningen de kans op geurhinder niet denkbeeldig is en dat daarom het noodzakelijk is om de werkprocedures van de exploitant voldoende te kennen; dat de kans op geurhinder niet voldoende kan ingeschat worden met de huidige milieuvergun- ningsaanvraag en het bijgevoegde plan".
  14. De ontvankelijkheid 2.
  15. De tussenkomende partij stelt in haar laatste memorie dat ondertussen- op 26 maart 2003- een BPA "Opitterkiezel" werd goedgekeurd waarin, voor de zone waar de betrokken inrichting is gelegen, het verboden is een activiteit als deze die het voorwerp uitmaakt van de gevraagde vergunning, uit te oefenen. Na een gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit zal verzoeker het voordeel dat hij nastreeft niet kunnen bekomen, aangezien de voorschriften van het BPA de exploitatie onmogelijk maken. Volgens de tussenkomende partij beschikt verzoeker niet meer over het rechtens vereiste belang. 2.
  16. De Raad van State mag zich in het kader van voorliggend geding echter niet uitspreken over de eventuele uitkomst van de herneming van de administratieve procedure na een vernietigingsarrest. De Raad zou zich daarmee in de plaats stellen van het bestuur. Overigens kan verzoeker een eventuele weigerings- beslissing die gesteund zou worden op het door de tussenkomende partij aangehaal- de BPA, opnieuw aanvechten bij de Raad van State waarbij eventueel, bij wijze van exceptie, de onwettigheid van dit BPA wordt opgeworpen. De exceptie gaat niet op.
  17. Ten gronde 3.
  18. In het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt als derde middel de schending aangevoerd van artikel 52, 3/, b), van Vlarem I en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Verzoeker betoogt dat het in het bestreden besluit opgegeven weigeringsmotief betreffende het risico op geurhinder om diverse redenen niet afdoende is. 3.
  19. In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 5, §3, van Vlarem I en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Met betrekking tot het motief waarin wordt overwogen dat het bij de vergunningsaanvraag gevoegde "plan" niet beantwoordt VII-25.504-4/6 aan artikel 5, §3, van Vlarem I, betoogt verzoeker dat bedoeld (uitvoerings)plan wel degelijk voldoet aan voornoemde bepaling omdat op dat plan zowel de koelruimtes, de droogkasten en de opslagplaatsen alsmede de biofilter aangegeven staan. Voorts argumenteert hij dat het bestreden besluit niet voldoet aan de vereisten van de formele motivering omdat niet wordt vermeld welk plan - het uitvoeringsplan dan wel het situeringsplan - precies wordt bedoeld. Verzoeker stelt dat in zoverre het bekritiseerde motief het uitvoeringsplan bedoelt en de minister hierbij zou stellen dat uit het opgemaakte plan niet kan worden afgeleid hoe de werkzaamheden concreet zullen verlopen, alsook dat op basis van dat plan de kans op geurhinder niet kan worden ingeschat, het bestreden besluit verder gaat dan wat door artikel 5, §3, van Vlarem I wordt vereist. 3.
  20. De beide middelen worden in het auditoraatsverslag onderzocht en gegrond bevonden. De auditeur adviseert dan ook het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. De weigering is echter niet alleen gegrond op het motief inzake geurhinder, dat in de besproken middelen ondeugdelijk wordt genoemd, maar ook op de mogelijke verkeersonveiligheid en de door het vrachtwagenverkeer veroorzaakte geluidshinder die het gevolg zullen zijn van de exploitatie. Dit motief volstond op zich om tot weigering van de vergunning te kunnen besluiten. In het tweede middel levert verzoeker kritiek op die motivering , die gebrekkig wordt genoemd omdat "zij uitgaat van een foutieve feitenvinding". Alvorens de Raad van State zich kan uitspreken over de gevorderde en door de auditeur geadviseerde nietigverklaring van het bestreden besluit, moet eerst dit middel worden onderzocht. Het past dan ook de debatten op dit punt te heropenen, BESLUIT: Artikel
  21. De debatten worden heropend. Artikel
  22. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. VII-25.504-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-25.504-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.074 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.107.446 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.809 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.