id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.082 Rolnummer: A. 134369/IX-3740 Zaak: Arrest 178082 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 20/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-17 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:46 Fiche Arrest nr 178.082 van 20 december 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.082 van 20 december 2007 in de zaak A. 134.369/IX-
- In zake : Robert VERHAEGEN, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALUMGRÉ, kantoor houdende te TESSENDERLO, Lichtveld 55, A2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Robert VERHAEGEN op 20 maart 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 januari 2003 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij zijn beroep tegen de beslissing van 25 april 2001 van de commissie voor ver- goedingspensioenen onontvankelijk wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-3740-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRÉ, die verschijnt voor verzoeker, en van eerste attaché van Financiën J. HEEMERYCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Verzoeker is beroepsmilitair en vraagt op 3 april 1997 een vergoedingspensioen aan voor een extensiebeperking van de rechterarm als gevolg van een dienstongeval op 16 mei
- 1.
- Op 25 april 2001 kent de commissie voor vergoedingspensioenen 3 % invaliditeit toe voor die aandoening. Samen met een reeds eerder voor een andere aandoening toegekende invaliditeit van 5 %, bedraagt verzoekers totale invaliditeit nu 8 %, wat onvoldoende is om recht te geven op een vergoedings- pensioen. Deze beslissing wordt hem meegedeeld met een aangetekende brief van 3 mei
- 1.
- Met een aangetekende brief van 16 mei 2001 dient verzoeker beroep in. Het beroepschrift is niet ondertekend. 1.
- Met een brief van 27 juni 2001 zendt de administratie het beroepschrift aan verzoeker terug met de mededeling dat het niet ondertekend is en dat het, om ontvankelijk te zijn, door verzoeker zelf of door zijn raadsman ondertekend moet zijn en “ten laatste voor 6 juli 2001” teruggezonden moet worden. 1.
- Verzoeker ondertekent zijn beroepschrift en zendt het met een brief van 9 juli 2001 aan de administratie terug. IX-3740-2/7 1.
- Hierop wordt het dossier voorgelegd aan de kamer van beroep van de gerechtelijk-geneeskundige dienst, die op 10 december 2001 verzoekers invaliditeit als gevolg van de extensiebeperking van de rechterarm op 5% raamt. 1.
- Op 21 januari 2003 verklaart de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen verzoekers beroep onontvankelijk. Overwogen wordt : “dat overeenkomstig artikel 10, par. 1, van het besluit van de Regent van 15 juni 1949 het beroep door belanghebbende moet ondertekend zijn” en “dat het beroep ten vroegste werd ingesteld op 9 juli 2001 en de termijn verstreek op 06.07.2001". De grond van de zaak
- In het eerste en het derde middel voert verzoeker de schending aan van het vertrouwens- en het zorgvuldigheidsbeginsel enerzijds en van het fair- playbeginsel anderzijds. De bestreden beslissing is beperkt tot het onontvankelijk verklaren van zijn beroep omdat het niet ondertekend was en het laattijdig werd ingediend, terwijl hij reeds op 16 mei 2001 het bestuur in kennis gesteld heeft van zijn wens om beroep aan te tekenen. Het getuigt van grote onzorgvuldigheid dat zijn brief van 16 mei 2001 hem slechts op 27 juni 2001 terugbezorgd werd met de mededeling dat het beroepschrift ondertekend moest worden en teruggezonden vóór 6 juli
- Bovendien was in de brief van 27 juni 2001 een verkeerde straatnaam -“am Lieber” in plaats van “am Lieberg”- vermeld waardoor hij de brief slechts op 9 juli 2001 ontvangen heeft. Hij was bijgevolg door het toedoen van de verwerende partij in de onmogelijkheid om de voorschriften van het procedurereglement na te leven. De verwerende partij zou ten onrechte stellen dat zij niet verplicht is een niet- ondertekend beroepschrift terug te zenden, aangezien uit haar handelwijze blijkt dat zij hem in staat heeft willen stellen zijn rechten daadwerkelijk te laten gelden. Door haar tekortkomingen -lang wachten; verkeerde adressering- is zij verantwoordelijk voor zijn falen en daarom moet de bestreden beslissing wegens miskenning van het beginsel “nemo auditur” vernietigd worden. Het onzorgvuldig handelen van de verwerende partij betekent ook dat hij niet fair behandeld is, aangezien hij niet in staat is geweest om dienstig voor zijn belangen op te komen.
- De verwerende partij antwoordt dat de beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op administratieve rechtscolleges. De commissie van beroep kan niet ingaan tegen een wetsbepaling waarin uitdrukkelijk gesteld is dat een beroep ondertekend moet zijn. Voorts is de administratie der Pensioenen er IX-3740-3/7 geenszins toe verplicht een niet-ondertekend beroepschrift terug te zenden. In ieder geval heeft zij in dit geval het beroepschrift elf dagen voor het verstrijken van de beroepstermijn naar verzoeker opgestuurd en had hij aldus de kans om zijn fout recht te zetten. Verzoeker bewijst overigens niet dat hij de brief van 27 juni 2001 laattijdig ontvangen heeft en, zo het adres er onjuist in is vermeld, dan is het omdat verzoeker zelf in zijn beroepschrift de straatnaam onjuist had opgegeven. Normaal worden de beroepschriften zonder nazicht door de administratie doorgezonden naar het secretariaat van de commissie van beroep en aan de commissaris-verslaggever overgemaakt en verzoeker kan geen rechten putten uit de omstandigheid dat in dit geval een welwillend ambtenaar hem attent heeft willen maken op de onregelmatig- heid die aan het beroepschrift kleefde. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen de commissie van beroep er niet van ontlasten de wet toe te passen en dus moest zij het niet ondertekende beroep onontvankelijk verklaren.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de beginselen van behoorlijk bestuur wel van toepassing zijn op administratieve overheden zoals de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen, aangezien het gaat om rechtsnormen die zich aan de besturen opdringen en niet aangenomen kan worden dat administratieve rechtscolleges niet gebonden zouden zijn door algemene beginselen zoals de eerbiediging van de rechten van verdediging en de fairplay-norm. De verwerende partij kon reeds bij het indienen van zijn beroep- schrift op 16 mei 2001 vaststellen dat het niet ondertekend was en zij moest dan ook geen 6 weken wachten om hem aan te schrijven. De overheid moet, in het kader van de op haar rustende zorgvuldigheidsverplichting, zich behulpzaam opstellen.
- Verzoeker verwijst naar de schending van het vertrouwensbe- ginsel, maar zet niet uiteen op welke wijze de commissie van beroep dat beginsel in zijn geval zou miskend hebben. Hij werkt deze grief wel uit in zijn tweede middel.
- De commissie van beroep is een administratief rechtscollege en dus geen orgaan van het actief bestuur. De beslissingen van de commissie zijn rechterlijke uitspraken. De miskenning van de verplichtingen die zich als algemene beginselen van behoorlijk bestuur aan het actief bestuur opdringen, kan tegen dergelijke rechterlijke beslissingen niet ingeroepen worden. IX-3740-4/7
- In zaken van vergoedingspensioenen moeten de belanghebbenden, overeenkomstig artikel 10, § 1, tweede lid, van het besluit van de Regent van 15 juni 1949 tot bepaling van de rechtspleging voor de commissies voor vergoedingspensi- oenen, hun beroep tegen een beslissing van de commissie voor vergoedingspensioe- nen ondertekenen en het met een ter post aangetekend schrijven toezenden “aan de minister van het Algemeen Bestuur en de Pensioenen, bestuur der militaire pensioenen”. Krachtens artikel 45, § 4, van de gecoördineerde wetten op de vergoedingspensioenen wordt het hoger beroep dan “voorgelegd aan (de) commissie van beroep”. Aldus vervult de administratie de functie van secretariaat van het rechtscollege en is het belast met de administratieve verwerking van het beroep. Het is niet bevoegd om eigenmachtig standpunt in te nemen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van het beroep en om in functie daarvan aan de betrokkene vragen te stellen of mededelingen te doen. Dergelijke vragen of mededelingen binden het rechtscollege niet.
- Geen wettelijke of reglementaire bepaling verplichtte het bestuur der militaire pensioenen verzoeker ervan in kennis te stellen dat zijn beroepschrift niet ondertekend was en dat het beroep aldus niet voldeed aan het uitdrukkelijk voorschrift van artikel 10, § 1, tweede lid, van het regentsbesluit van 15 juni
- Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de commissie van beroep het beroep onontvankelijk verklaard heeft omdat er binnen de voorgeschreven termijn geen ondertekend verzoekschrift en dus geen rechtsgeldig beroepsschrift was ingediend. De commissie van beroep heeft aldus haar beoordelingsbevoegd- heid uitgeoefend met inachtneming van de ter zake geldende wettelijke bepalingen en op grond van het dossier dat haar was voorgelegd. De stappen die een welwillend ambtenaar eigenmachtig gezet heeft om het beroepschrift alsnog geregulariseerd te krijgen en de eventuele vergissingen die te dezer gelegenheid begaan zouden zijn, kunnen niet aan de commissie van beroep aangerekend worden. Zij kunnen in een annulatieberoep niet tegen de beslissing van de commissie van beroep aangevoerd worden. De middelen zijn niet ontvankelijk.
- In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van het vertrouwensbeginsel -beginsel van behoorlijk bestuur- doordat hij opgeroepen werd om, gevolg gevend aan zijn beroep, op 3 december 2001 bij de gerechtelijk- geneeskundige dienst een geneeskundig onderzoek te ondergaan, hetgeen bij hem IX-3740-5/7 de verwachting heeft doen ontstaan dat de commissie van beroep de beslissing waartegen hij beroep ingediend had zou heroverwegen.
- De verwerende partij herhaalt in essentie dat de beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op rechterlijke beslissingen. De reden waarom de commissaris-verslaggever het dossier voor onderzoek aan de gerechtelijk-geneeskundige dienst overgemaakt heeft vertoont geen enkel belang. Overigens is dergelijke beslissing een voorbereidende handeling die niet voor vernietiging vatbaar is.
- Verzoeker repliceert dat de commissie van beroep zich diende uit te spreken over het gehele dossier en dat zij dus ook rekening moest houden met de voorafgaande beslissingen die reeds genomen waren.
- De commissie van beroep voor vergoedingspensioenen is een administratief rechtscollege. De beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op haar besluitvorming. Overigens lopen onderzoeksmaatregelen die door een rechts- college bevolen worden, niet vooruit op de eindbeslissing die dat college moet nemen. Het enkele feit dat verzoeker opgeroepen was voor een geneeskundig onderzoek, kon dus geen enkele verwachting doen ontstaan met betrekking tot de nog te nemen beslissing over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het middel kan niet aangenomen worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-3740-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 20 december 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3740-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.082 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.