← België

Arrest 178156 - Milieuvergunningen - 20/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.156 Rolnummer: A. 139640/VII-30384 Zaak: Arrest 178156 - Milieuvergunningen - 20/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-17 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 04:47 Fiche Arrest nr 178.156 van 20 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.156 van 20 december 2007 in de zaak A. 139.640/VII-30.384. In zake : 1. Herman VAN THILLO, 2. August GOETSCHALCKX, die woonplaats kiezen bij advocaat R. HENS, kantoor houdende te BRASSCHAAT, Bredabaan 161, bus 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Herman VAN THILLO en August GOETSCHALCKX op 26 juli 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : "een gedeeltelijke inhoud van het besluit dd. 23 mei 2003 van de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij het beroep aangetekend door de Vlaamse Landmaatschappij, afdeling Herentals-Mestbank, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals, tegen het besluit nr. MLAV1/010-330/LDS/AK/GM van 7 november 2002 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen, houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan de heer August GOETSCHALCKX, Terbeeksestraat 75, 2321 Hoogstraten (Meer) en aan verzoeker, om een varkensbedrijf, gelegen te 2321 Hoogstraten (Meer), Terbeeksestraat 73a op de kadastrale percelen, afdeling 3, sectie E, nrs. 843/E, 843/F, 843/G, 843/L verder te exploiteren en te veranderen alsook aktename van de in de derde klasse ingedeelde onderdelen van de inrichting gegrond werd verklaard (...) in zoverre het bestreden besluit van de Bestendige Deputatie heeft gestatueerd en beslist : '2/ Artikel 1, § 3 van het bestreden besluit wordt vervangen door wat volgt : '§ 3. Aan de heer August GOETSCHALCKX wonende te 2321 Hoogstraten (Meer) Terbeeksestraat 75 en aan de heer Herman VAN THILLO wonende Terbeeksestraat 73a te 2321 Hoogstraten (Meer), wordt de milieuvergunning geweigerd om een varkensbe- drijf, gelegen Terbeeksestraat 73a te 2321 Hoogstraten (Meer), op de kadastrale percelen, afdeling 3, sectie E, nrs. 843/E, 843/F, 843/G, 843/K, 843/L, te veranderen omvattende : VII-30.384-1/13 • wijziging door : -omvorming van 3.500 varkens en 16.000 leghennen tot 3.907 varkens, zijnde 520 zeugen, 2 beren, en 3.385 gebruiksvarkens; -verplaatsing van de varkens binnen bestaande stallen, zodat de dieren als volgt verdeeld zijn : stal 1 : 203 zeugen en 393 andere varkens stal 2 : 896 andere varkens stal 3 : 207 andere varkens stal 4 : biggen jonger dan 10 weken stal 5 : 317 zeugen, 97 andere varkens en 2 beren stal 6 : 1.008 andere varkens stal 7 : 784 andere varkens • uitbreiding van : - de mestopslag boven de 7.688 m³ - het opgepompt debiet van de grondwaterwinning boven de 22 m³/dag en 8.000 m³/jaar"; Gelet op het arrest nr. 125.756 van 27 november 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoekers; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 29 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoekers; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; VII-30.384-2/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VERMEIREN, die, loco advocaat R. HENS, verschijnt voor verzoekers, en van advocaat N. DEWINT, die, loco advocaat B. BRONDERS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Verzoekers exploiteren een landbouwbedrijf te Hoogstraten. 1.2. Op 30 april 1992 dienen zij een vergunningsaanvraag in om een varkenshouderij, gelegen te Hoogstraten (Meer) aan de Terbeeksestraat 73a verder in bedrijf te houden en te veranderen door wijziging en uitbreiding. Wat de dieren aangaat betreft de wijziging : - de samenvoeging van de vergunningen op naam van beide verzoekers tot één vergunning; - de omvorming van 5.580 gebruiksvarkens en 320 zeugen tot 5.100 gebruiksvar- kens, 525 zeugen en 4 beren; - de verplaatsing van de varkens binnen de bestaande stallen. 1.3. Tijdens de vergunningsprocedure in eerste aanleg wordt het voorwerp van de aanvraag evenwel gewijzigd. In de aanvraag wordt afstand gedaan van 2.400 varkens, doch anderzijds wordt de omvorming gevraagd van 16.000 legkippen naar 900 mestvarkens. In concreto wordt wat de dierenaantallen betreft een omvorming gevraagd van 3.500 varkens en 16.000 leghennen tot 3.907 varkens, zijnde 3.385 gebruiksvarkens, 520 zeugen en 2 beren. 1.4. Op 7 november 2002 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gewijzigde vergunningsaanvraag in, en neemt zij tevens akte van een aantal klasse 3-inrichtingen. VII-30.384-3/13 1.5. Op 18 december 2002 tekent de Vlaamse Landmaatschappij beroep aan tegen dit vergunningsbesluit. Betoogd wordt dat de vergunning voor het pluimvee van rechtswege is vervallen aangezien sinds 1996 geen pluimvee meer wordt gehouden. Bovendien was de aanvraag voor de omvorming van het pluimvee naar varkens niet in de oorspronkelijke aanvraag opgenomen en dus ook niet onderworpen aan het openbaar onderzoek. De Vlaamse Landmaatschappij stelt dat er een stijging is van de vergunde mestproductie, hetgeen strijdig is met de bepalingen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet). 1.6. Nadat in het kader van de beroepsprocedure een aantal adviezen wordt uitgebracht, wordt op 23 mei 2003 het thans bestreden besluit genomen. Het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij wordt gegrond verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd; 2. De gegrondheid 2.1.1. Overwegende dat verzoekers in het eerste middel de schending aanvoeren van artikel 28, §1, 3/, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van artikel 46 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet, van de motiveringsplicht, het algemene zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel; dat zij in essentie betogen dat de verwerende partij ten onrechte beslist dat de vergunning voor de 16.000 legkippen is vervallen, dat in het bestreden besluit nergens wordt gesteld dat de kwestieuze inrichting niet gedurende twee jaar zou zijn geëxploiteerd, dat de overwegingen in het bestreden besluit die betrekking hebben op het verval van de vergunning de terzake geldende wettelijke bepalingen miskennen, dat artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet en artikel 46 van Vlarem I bepalen dat de milieuvergunning vervalt indien de inrichting gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd, dat onder "exploitatie" luidens artikel 2, 2/, van het milieuvergunningsdecreet onder meer moet worden verstaan : het in stand houden van een inrichting, dat uit de feitelijke uiteenzetting die verzoekers gaven, zeer duidelijk blijkt dat zij er alles aan deden om de inrichting in stand te houden, dat in 1995 tweede verzoeker een milieuvergunningsaanvraag indiende voor de omvor- ming van 16.000 vergunde legkippen naar 900 varkens, dat naar aanleiding van een discussie omtrent het aantal vergunde varkens op de inrichting, de aanvraag werd VII-30.384-4/13 afgewezen, maar dat over de omvorming nooit een uitspraak werd gedaan, terwijl over het vergund zijn van de 16.000 legkippen geen betwisting bestond, dat de Vlaamse minister van Leefmilieu op 18 november 1996 de vergunning weigerde, en dat daartegen een annulatieberoep werd ingesteld bij de Raad van State, dat door dit beroep de iure het nodige werd gedaan voor de instandhouding van de inrichting, dat immers bij vernietiging van het weigeringsbesluit opnieuw uitspraak zal moeten worden gedaan over de omvorming van legkippen naar varkens, dat aldus de inrichting tot op heden wel degelijk in stand wordt gehouden, dat nog steeds de mogelijkheid bestaat dat over de omvorming van 16.000 vergunde legkippen naar 900 varkens een beslissing moet worden genomen en dat de vergunning dus niet als vervallen kan worden beschouwd; dat zij, voorts, stellen dat er sprake is van een bedrijfseigen reden waarom er geen aangifte was van kippen bij de Mestbank voor de aanslagjaren 1998 en volgende, dat uit de omzendbrief van 19 december 1996 betreffende de toepassing van het mestdecreet en haar uitvoeringsbesluiten voortvloeit dat bij het verval van de vergunning rekening moet worden gehouden met overmacht of bedrijfseigen redenen, dat die bedrijfseigen redenen de genoemde procedure voor de Raad van State en de discussie over het feit of de 2.400 varkens vervat zitten in de 3.600 varkens zijn; dat zij besluiten dat, aangezien de vergunning voor de 16.000 legkippen niet is vervallen, hun aanvraag wel degelijk voldoet aan de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet, dat immers de vergunde 3.500 varkens en de 16.000 vergunde kippen een hogere mestproductie geven dan de thans gevraagde 3.907 varkens; dat zij daarnaast de stelling blijven toegedaan dat benevens de vergunning voor 3.500 varkens tevens een vergunning voor 2.400 varkens aanwezig is; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord vooreerst de overwegingen van 's Raads arrest nr. 125.756 van 27 november 2003 en de aanhef van het bestreden besluit citeert; dat zij vervolgens stil staat bij artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet en artikel 46 van Vlarem I; dat zij, voorts, citeert uit 's Raads arrest nr. 94.216 van 22 maart 2001 waarin de Raad in dat verband overweegt dat de term "in stand houden" van een inrichting in de definitie van artikel 2, 2/, van het milieuvergunningsdecreet in wezen niet verschilt van de andere daarin voorkomende termen zoals "in werking houden" of "gebruiken"; dat zij stelt dat rubriek 9.3.1. van de indelingslijst van bijlage 1 bij Vlarem I in niet mis te verstane bewoordingen de vergunningsplichtige inrichting als "kippenstal, (...), waaronder verstaan wordt één of meer gebouwen en/of installaties waarin leghennen en mestkippen (...) gefokt of gehouden worden, (...)", omschrijft, dat in de kippenstal geen leghennen werden gefokt of gehouden VII-30.384-5/13 gedurende meer dan twee opeenvolgende jaren, dat het bestreden besluit bovendien op gemotiveerde wijze aangeeft waarom na 1997 gedurende ten minste twee opeenvolgende jaren geen kippen werden gehouden, dat dit blijkt uit de mestbank- aangifte en het feit dat er een bouwvergunning werd afgeleverd tot het verbouwen van een kippenstal tot varkensstal, dat artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunnings- decreet niet voorziet in een afwijkingsmogelijkheid, zodat geen rekening kan worden gehouden met het door verzoekers ingestelde annulatieberoep, dat dit beroep geen bedrijfseigen reden vormt; 2.1.3. Overwegende dat blijkens de aanhef van het bestreden besluit de essentiële redenen voor het gedeeltelijk weigeren van de vergunning de volgende zijn : - volgens de mestbankaangifte tot en met het aanslagjaar 1997 (productiejaar 1996), en rekening houdend met de gekende vergunningsbeslissingen, werden er voor het deel van de inrichting op naam van tweede verzoeker 16.000 opfokpoeljen van legkippen aangegeven, doch na 1997 werden er geen legkippen meer gehouden op deze plaats. Op 31 augustus 1992 werd zelfs een bouwvergunning afgeleverd voor het verbouwen van de kippenstal tot varkensstal. Bijgevolg is in toepassing van artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet de vergunning voor de legkippen vervallen. Dit betekent dat de inrichting overeenkomstig de geldende berekeningswijze nog een vergunde mestproductie heeft van 45.500 kg N en 18.655 kg P2O5, zijnde de mestproductie van de nog vergunde 3.500 varkens; - de gevraagde vergunning voor de verdere exploitatie van 3.500 mestvarkens en de verandering door omvorming van de vervallen vergunning voor 16.000 legkippen naar varkens, zodat het totaal komt op 3.907 varkens, zou leiden tot een mestproductie van 56.533 kg N en 29.572 kg P2O5, dus een stijging van de mestproductie. Bijgevolg voldoet de aanvraag niet aan de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet; dat uit artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet voortvloeit dat geen milieuvergunningen kunnen worden verleend die tot een verhoging van de vergunde mestproductie zouden leiden; dat verzoekers van oordeel zijn dat er in hun geval geen sprake is van een verhoging van de vergunde mestproductie als men rekening houdt met de mestproductie van de 16.000 legkippen, terwijl de verwerende partij doet gelden dat de vergunning voor die 16.000 legkippen is vervallen, zodat er dan ook geen rekening meer mee kan worden gehouden; dat in de aanhef van het bestreden besluit wordt gesteld dat er tot en met het aanslagjaar 1997 (productiejaar VII-30.384-6/13 1996) 16.000 legkippen werden aangegeven bij de Mestbank, maar daarna niet meer, en dat bovendien op 31 augustus 1992 een bouwvergunning werd verleend voor het verbouwen van een kippenstal tot een varkensstal; dat verzoekers deze feitelijke gegevens niet betwisten, zodat er kan worden van uitgegaan dat er gedurende verscheidene jaren, en alleszins gedurende twee opeenvolgende jaren, geen 16.000 legkippen werden gehouden; dat artikel 28, § 1, 3/, van het milieuvergunningsde- creet bepaalt wat volgt : "§1. De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting : (...) 3/ die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. § 2. Indien de in § 1 genoemde gevallen slechts betrekking hebben op een gedeelte van de inrichting, vervalt de vergunning slechts voor dat gedeelte"; dat artikel 46 van Vlarem I een gelijkaardige bepaling bevat; dat die bepalingen zo moeten worden begrepen dat een vergunning geheel of gedeeltelijk vervalt indien een inrichting of een gedeelte ervan gedurende twee opeenvolgende jaren de facto niet werd geëxploiteerd, hetgeen in casu betekent dat er gedurende twee opeenvol- gende jaren geen kippen werden gehouden; dat het betoog van verzoekers dat hun vergunning toch niet zou zijn vervallen niet opgaat; dat men de term "in stand houden" van een inrichting in de definitie van artikel 2, 2/, van het milieuvergun- ningsdecreet, immers moet verstaan als een feitelijke instandhouding; dat de term "in stand houden" in wezen niet verschilt van de andere daarin voorkomende termen zoals "in werking houden" of "gebruiken"; dat het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten in essentie de hinder en de risico's van hinderlijke inrichtingen beogen onder controle te houden en te beperken; dat die hinder een feitelijke aangelegenheid vormt; dat het feitelijk "in stand houden" hinder kan veroorzaken, doch niet het juridisch "in stand houden"; dat het voeren van een procedure voor de Raad van State aldus bezwaarlijk als een instandhouding van een inrichting zoals bedoeld in het milieuvergunningsdecreet kan worden aangemerkt; dat men onder de indelingsrubriek 9.3.1. van de indelingslijst in bijlage 1 bij Vlarem I het volgende leest : "Kippenstal, stal voor pluimvee en/of niet onder rubriek 9.2.2.

  1. f)en 9.3.2. begrepen gevogelte, waaronder verstaan wordt één of meer gebouwen en/of installaties waarin leghennen en mestkippen respectievelijk pluimvee en/of gevogelte gefokt of gehouden worden (...)"; dat in die omschrijving, het houden of fokken van dieren van belang is; dat het ingestelde annulatieberoep A. 72.866/VII-15.110 gericht tegen het besluit van 18 november 1996 houdende weigering van de vergunning voor de verandering van VII-30.384-7/13 16.000 legkippen naar 900 varkens, geen bedrijfseigen reden vormt die kan verijdelen dat de milieuvergunning voor 16.000 kippen is vervallen, temeer daar het annulatieberoep uiteindelijk is uitgemond in een verwerping van de vordering; dat tweede verzoeker zelfs na voornoemd weigeringsbesluit, 16.000 kippen mocht blijven houden; dat hij niet in de onmogelijkheid werd geplaatst om zulks te doen maar er de voorkeur aan gaf om die exploitatie te stoppen; dat de verwerende partij, gelet op het voorgaande, aldus terecht heeft geconcludeerd dat de vergunning is vervallen; dat het gevolg van het verval van de vergunning voor 16.000 kippen is dat de mestproductie stijgt, zodat de aanvraag van verzoekers niet verenigbaar is met artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet; dat het eerste middel bijgevolg niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoekers in het tweede middel de schending aanvoeren van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het zorgvuldigheidsbe- ginsel en het vertrouwensbeginsel; dat zij het tweede middel samengevat als volgt toelichten : Op 28 augustus 2002 dienden verzoekers een gewijzigde vergunningsaanvraag in, naar aanleiding van een overlegvergadering op 19 juni 2002 op de dienst AMINAL te Antwerpen, waarbij in aanwezigheid van de heer GEYS (afdeling Milieuvergunningen Antwerpen) en de heer PAULY (Vlaamse Landmaatschappij Herentals) het dossier werd besproken. Verzoekers waren toen en zijn nu nog steeds van mening dat zij over een vergunning beschikken voor 5.900 varkens, terwijl de afdeling Milieuvergunningen en de Vlaamse Landmaatschappij voorhielden dat 3.500 varkens vergund waren, aangezien reeds 2.400 varkens vervat waren in het vergunde aantal van 3.500. In 1978 werd een vergunning voor 2.400 varkens en 16.000 legkippen tot het jaar 2008 vergund op naam van August GOETSCHALCKX. In 1989 werd een vergunning voor 3.500 mestvarkens verleend op naam van Herman VAN THILLO tot het jaar 2002. Op de voornoemde overlegvergadering stelde de heer GEYS dat hij de legkippen nog steeds als vergund beschouwde, en werd aan verzoekers voorgesteld deze terug op te nemen in de aanvraag, wat zij ook deden : zij wijzigden hun aanvraag naar 3.907 varkens, zijnde het totaal van de 3.500 vergunde varkens en de omvorming van de 16.000 legkippen naar varkens. Bij die wijziging VII-30.384-8/13 stipuleerden verzoekers uitdrukkelijk slechts bereid te zijn de discussie omtrent de 2.400 varkens op te geven en het lopende dossier bij de Raad van State stop te zetten op voorwaarde dat de omvorming effectief zou worden vergund. Op 7 november 2002 vergunde de bestendige deputatie de gevraagde omvorming, en in de motivering werd gesteld dat de vergunning voor de 16.000 kippen op papier nog geldig is wanneer hiermede de discussie over de vergunning voor 2.400 varkens definitief tot het verleden behoort. De bestendige deputatie heeft haar besluit vervolgens ingegeven vanuit de motivering dat op deze wijze klaarheid geschapen wordt in de vergunde toestand en dat dit voorstel een daling inhoudt van het aantal varkens dat effectief wordt gehouden. De Vlaamse Landmaatschappij stelde beroep in tegen het deputatiebesluit, en de verwerende partij verklaarde het beroep gegrond zonder rekening te houden met de geschetste omstandigheden. Nochtans was de verwerende partij op de hoogte van het overleg tussen de partijen. Door geen rekening te houden met het totale dossier werd, volgens verzoekers, zowel het zorgvuldigheids-, het vertrouwens- als het motiveringsbeginsel miskend; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord vooreerst de overwegingen uit 's Raads arrest nr. 125.756 van 27 november 2003 met betrekking tot het tweede middel citeert; dat zij, voorts, aanvoert dat het beoordelen van een milieuvergunningsaanvraag enkel kan op grond van elementen die verband houden met de hinder of de risico's van de vergunnings- plichtige activiteit voor de mens en het leefmilieu, dat in het bestreden besluit wordt geoordeeld dat niet is voldaan aan alle wettelijke voorschriften om een vergunning te verkrijgen, gezien de milieuvergunningsaanvraag van verzoekers een stijging inhoudt van de vergunde mestproductie, hetgeen niet kan overeenkomstig artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet, dat het feit dat een ambtenaar een bepaald pragmatisch voorstel doet om een slepende discussie te beëindigen niet betekent dat de verwerende partij geen rekening moet houden met de vigerende decretale bepalingen, dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden nu strikt werd toegezien op de juiste toepassing van de vigerende bepalingen, dat de redenering in het bestreden besluit uitvoerig werd gemotiveerd; 2.2.3. Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel is gebleken dat het bestreden besluit afdoende is gemotiveerd; dat de verwerende partij terecht kon besluiten tot het verval van de vergunning voor het houden van 16.000 VII-30.384-9/13 kippen, zodat het inwilligen van de aanvraag zou leiden tot een stijging van de mestproductie, hetgeen onverenigbaar is met artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet; dat niet blijkt dat de verwerende partij op onzorgvuldige wijze tewerk ging en verzuimde om rekening te houden met alle gegevens van het dossier; dat uit de motivering van het bestreden besluit duidelijk blijkt dat de verwerende partij wist dat er aanvankelijk een andere vergunningsaanvraag was ingediend, dat er discussie was ontstaan over het vergund aantal varkens en dat er een overlegver- gadering heeft plaatsgevonden waarna de exploitant verzocht werd zijn aanvraag te wijzigen, wat tweede verzoeker ook deed; dat de verwerende partij zich slechts kon buigen over de aanvraag die uiteindelijk werd ingediend en die aanleiding gaf tot het thans bestreden besluit, met name de aanvraag die onder meer inhield dat de vergunning voor de 16.000 kippen zou worden omgevormd naar een vergunning voor varkens; dat, zoals bij de uiteenzetting van het eerste middel is gebleken, de verwerende partij op juridisch correcte wijze kon beslissen dat de vergunning voor de 16.000 kippen was vervallen; dat dit standpunt niet indruist tegen het zorgvuldig- heidsbeginsel noch tegen het vertrouwensbeginsel, ook al heeft de aanvrager zijn oorspronkelijke aanvraag gewijzigd naar aanleiding van een overlegvergadering die plaatsvond met het bestuur; dat voornoemde beginselen niet de vergaande strekking hebben dat de verwerende partij de mogelijkheid krijgt om tegen de vigerende decretale en reglementaire bepalingen in toch een vergunning te verlenen; dat op de overlegvergadering van 19 juni 2002 enkel een aanbeveling werd gegeven om een gewijzigd dossier in te dienen, doch geen toezegging werd gedaan dat de vergun- ningsaanvraag zowel in eerste aanleg als in beroep zou worden ingewilligd; dat verzoekers bij de wijziging van de aanvraag uitdrukkelijk hebben gestipuleerd slechts bereid te zijn de discussie omtrent het vergunde aantal varkens en het lopende dossier bij de Raad van State te willen stopzetten op voorwaarde dat de gevraagde omvorming van kippen naar varkens effectief wordt vergund; dat aangezien het bestreden besluit de aanvraag niet inwilligt, verzoekers er juridisch noch moreel toe verplicht waren om de procedure gekend onder A. 72.866/VII- 15.110 bij de Raad van State stop te zetten of om de discussie omtrent het vergunde aantal varkens te beëindigen, zodat ook in dat opzicht het zorgvuldigheids- of het vertrouwensbeginsel niet zijn geschonden; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat verzoekers in de memorie van wederantwoord een nieuw middel aanvoeren ontleend uit de schending van artikel 52 van Vlarem I; dat zij in essentie doen gelden dat het bestreden besluit uiterlijk op 24 mei 2003 moest zijn genomen, dat zoniet er sprake zou zijn van een stilzwijgende vergunning, dat in casu de verwerende partij op 23 mei 2003 het bestreden besluit zou hebben VII-30.384-10/13 genomen, dat mevrouw Vera DUA het besluit op 23 mei 2003 in haar functie van Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw heeft ondertekend, dat voortgaande op het jaarverslag 2002-2003 van het Vlaams Parlement, zij op die dag evenwel haar ontslag indiende als minister en opnieuw ging zetelen als Vlaams volksvertegen- woordiger, dat van een uitspraak conform artikel 52, 3/, van Vlarem I dus geen sprake kan zijn, dat de handtekening van de minister overigens verschilt met deze die de minister plaatste in een ander dossier, dat binnen de tien dagen na de datum van de beslissing een voor eensluidend verklaard afschrift ervan met een ter post aangetekende brief moet worden verzonden, dat verzoekers evenwel nooit een kennisgeving per post hebben gekregen, dat enkel na correspondentie, op 24 juni 2003, het bestreden besluit werd doorgefaxt, dat aan het verzoek tot overmaking van het bewijs van een aangetekende zending nooit een gevolg werd gegeven, dat stuk 13 van het administratief dossier enkel een verzoek tot het overmaken van een aangetekende zending betreft, doch niet het bewijs van de aangetekende verzending zelf, dat zij er mogen van uitgaan dat zij over een stilzwijgende vergunning beschikken, nu zij geen beslissing ontvingen binnen de beslissingstermijn, vermeerderd met tien dagen, dat het middel, volgens verzoekers, ontvankelijk is, nu het reeds onder voorbehoud werd aangekaart in het verzoekschrift en het bovendien slechts kon worden afgeleid uit feiten die verzoekers pas voor het eerst uit het administratief dossier konden opmaken; 2.3.2. Overwegende dat het nieuw aangevoerd middel uiteenvalt in twee onderdelen; dat het eerste onderdeel vooreerst betrekking heeft op de bevoegdheid van mevrouw Vera DUA om op 23 mei 2003 het bestreden besluit te ondertekenen als Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw en vervolgens op het feit dat de handtekening op het bestreden besluit verschilt van die van andere ministeriële besluiten van haar hand; dat het tweede onderdeel betrekking heeft op het feit dat niet is aangetoond dat het bestreden besluit binnen de voorgeschreven termijn is betekend, zodat er een stilzwijgende vergunning zou zijn verkregen; dat het eerste onderdeel al in het verzoekschrift kon worden aangevoerd; dat aangezien het evenwel in wezen stelt dat het bestreden besluit werd ondertekend door een niet- bevoegd persoon en aldus de openbare orde raakt, het toch nog in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd; dat uit het besluit van de Vlaamse regering van 26 mei 2003 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering blijkt dat de heer Ludo SANNEN pas met ingang van 26 mei 2003 mevrouw Vera DUA is opgevolgd als minister bevoegd voor het Leefmilieu; dat tot dan het besluit van de Vlaamse regering van 3 juli 2002 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering gold, volgens hetwelk VII-30.384-11/13 mevrouw Vera DUA minister van Leefmilieu en Landbouw was; dat op 23 mei 2003, datum van ondertekening van het bestreden besluit, mevrouw Vera DUA nog de bevoegde minister was; dat het middel aldus feitelijke grondslag mist; dat het voorts niet volstaat dat verzoekers insinueren dat de handtekening op het bestreden besluit vals zou zijn; dat als zij menen dat er een valse handtekening werd geplaatst, zij het stuk van valsheid moeten betichten; dat het aan de strafrechter toekomt daarover uitspraak te doen; dat tot nader order moet worden aangenomen dat de handtekening op het bestreden besluit afkomstig is van mevrouw Vera DUA; dat het ook vaststaat dat het bestreden besluit tijdig is genomen; Overwegende dat het milieuvergunningsdecreet geen termijn vaststelt om de beslissingen in beroep aan de exploitant te betekenen; dat de decreetgever in artikel 24, § 2, van dat decreet heeft bepaald dat de Vlaamse regering de wijze regelt waarop het beroep moet worden bekendgemaakt en behandeld; dat in Vlarem I, in het bijzonder in de artikelen 50, 4/, c, en 52, 4/, c, de betekeningstermijn van tien kalenderdagen is vastgesteld; dat nergens in dat reglement aan het overschrijden van die termijn gevolgen worden vastgeknoopt, ook niet in de gevallen waarin de beslissingstermijn in beroep krachtens het milieuver- gunningsdecreet een vervaltermijn is; dat aldus de Vlaamse regering de betekening- stermijn in geen enkel geval als een vervaltermijn heeft beschouwd en a fortiori nergens heeft bepaald dat de overschrijding van die termijn het verkrijgen van een stilzwijgende vergunning tot gevolg heeft; dat noch het milieuvergunningsdecreet, noch de voorbereidende werkzaamheden ook maar enige aanwijzing bevatten dat de decreetgever de rechtsgeldigheid van een conform artikel 23, § 1, van het milieuvergunningsdecreet genomen beslissing en meteen de rechtstoestand van de vergunningsaanvrager wenst te laten afhangen van de tijdigheid van de betekening van die beslissing; dat het gebrek in de betekening van de tijdig genomen beslissing voor verzoekers dan ook geen stilzwijgende vergunning heeft opgeleverd; dat verzoekers niet betwisten dat zij het bestreden besluit op 24 juni 2003 per fax hebben ontvangen; dat zij dus op de hoogte waren van de inhoud van het bestreden besluit en in dat opzicht niet in hun belangen zijn geschaad; dat het feit dat die kennisname plaatsvond buiten de termijn van tien dagen nadat het bestreden besluit werd genomen, gelet op wat voorafgaat, niet kan leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit; dat bovendien uit het administratief dossier blijkt dat er op 28 mei 2003 aan de postmeester van Brussel een verzoek werd gericht om het bestreden besluit aangetekend te versturen aan eerste verzoeker; dat dit dan ook in principe is gebeurd; dat uit niets blijkt dat dit in casu niet het geval zou zijn geweest; dat het VII-30.384-12/13 nieuw middel dat in de memorie van wederantwoord wordt aangevoerd niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor de helft. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-30.384-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.156 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.125.756 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.