id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.156 Rolnummer: A. 139640/VII-30384 Zaak: Arrest 178156 - Milieuvergunningen - 20/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-17 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 04:47 Fiche Arrest nr 178.156 van 20 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.156 van 20 december 2007 in de zaak A. 139.640/VII-30.384. In zake : 1. Herman VAN THILLO, 2. August GOETSCHALCKX, die woonplaats kiezen bij advocaat R. HENS, kantoor houdende te BRASSCHAAT, Bredabaan 161, bus 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Herman VAN THILLO en August GOETSCHALCKX op 26 juli 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : "een gedeeltelijke inhoud van het besluit dd. 23 mei 2003 van de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij het beroep aangetekend door de Vlaamse Landmaatschappij, afdeling Herentals-Mestbank, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals, tegen het besluit nr. MLAV1/010-330/LDS/AK/GM van 7 november 2002 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen, houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan de heer August GOETSCHALCKX, Terbeeksestraat 75, 2321 Hoogstraten (Meer) en aan verzoeker, om een varkensbedrijf, gelegen te 2321 Hoogstraten (Meer), Terbeeksestraat 73a op de kadastrale percelen, afdeling 3, sectie E, nrs. 843/E, 843/F, 843/G, 843/L verder te exploiteren en te veranderen alsook aktename van de in de derde klasse ingedeelde onderdelen van de inrichting gegrond werd verklaard (...) in zoverre het bestreden besluit van de Bestendige Deputatie heeft gestatueerd en beslist : '2/ Artikel 1, § 3 van het bestreden besluit wordt vervangen door wat volgt : '§ 3. Aan de heer August GOETSCHALCKX wonende te 2321 Hoogstraten (Meer) Terbeeksestraat 75 en aan de heer Herman VAN THILLO wonende Terbeeksestraat 73a te 2321 Hoogstraten (Meer), wordt de milieuvergunning geweigerd om een varkensbe- drijf, gelegen Terbeeksestraat 73a te 2321 Hoogstraten (Meer), op de kadastrale percelen, afdeling 3, sectie E, nrs. 843/E, 843/F, 843/G, 843/K, 843/L, te veranderen omvattende : VII-30.384-1/13 • wijziging door : -omvorming van 3.500 varkens en 16.000 leghennen tot 3.907 varkens, zijnde 520 zeugen, 2 beren, en 3.385 gebruiksvarkens; -verplaatsing van de varkens binnen bestaande stallen, zodat de dieren als volgt verdeeld zijn : stal 1 : 203 zeugen en 393 andere varkens stal 2 : 896 andere varkens stal 3 : 207 andere varkens stal 4 : biggen jonger dan 10 weken stal 5 : 317 zeugen, 97 andere varkens en 2 beren stal 6 : 1.008 andere varkens stal 7 : 784 andere varkens • uitbreiding van : - de mestopslag boven de 7.688 m³ - het opgepompt debiet van de grondwaterwinning boven de 22 m³/dag en 8.000 m³/jaar"; Gelet op het arrest nr. 125.756 van 27 november 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoekers; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 29 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoekers; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; VII-30.384-2/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VERMEIREN, die, loco advocaat R. HENS, verschijnt voor verzoekers, en van advocaat N. DEWINT, die, loco advocaat B. BRONDERS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Verzoekers exploiteren een landbouwbedrijf te Hoogstraten. 1.2. Op 30 april 1992 dienen zij een vergunningsaanvraag in om een varkenshouderij, gelegen te Hoogstraten (Meer) aan de Terbeeksestraat 73a verder in bedrijf te houden en te veranderen door wijziging en uitbreiding. Wat de dieren aangaat betreft de wijziging : - de samenvoeging van de vergunningen op naam van beide verzoekers tot één vergunning; - de omvorming van 5.580 gebruiksvarkens en 320 zeugen tot 5.100 gebruiksvar- kens, 525 zeugen en 4 beren; - de verplaatsing van de varkens binnen de bestaande stallen. 1.3. Tijdens de vergunningsprocedure in eerste aanleg wordt het voorwerp van de aanvraag evenwel gewijzigd. In de aanvraag wordt afstand gedaan van 2.400 varkens, doch anderzijds wordt de omvorming gevraagd van 16.000 legkippen naar 900 mestvarkens. In concreto wordt wat de dierenaantallen betreft een omvorming gevraagd van 3.500 varkens en 16.000 leghennen tot 3.907 varkens, zijnde 3.385 gebruiksvarkens, 520 zeugen en 2 beren. 1.4. Op 7 november 2002 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gewijzigde vergunningsaanvraag in, en neemt zij tevens akte van een aantal klasse 3-inrichtingen. VII-30.384-3/13 1.5. Op 18 december 2002 tekent de Vlaamse Landmaatschappij beroep aan tegen dit vergunningsbesluit. Betoogd wordt dat de vergunning voor het pluimvee van rechtswege is vervallen aangezien sinds 1996 geen pluimvee meer wordt gehouden. Bovendien was de aanvraag voor de omvorming van het pluimvee naar varkens niet in de oorspronkelijke aanvraag opgenomen en dus ook niet onderworpen aan het openbaar onderzoek. De Vlaamse Landmaatschappij stelt dat er een stijging is van de vergunde mestproductie, hetgeen strijdig is met de bepalingen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet). 1.6. Nadat in het kader van de beroepsprocedure een aantal adviezen wordt uitgebracht, wordt op 23 mei 2003 het thans bestreden besluit genomen. Het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij wordt gegrond verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd; 2. De gegrondheid 2.1.1. Overwegende dat verzoekers in het eerste middel de schending aanvoeren van artikel 28, §1, 3/, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van artikel 46 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet, van de motiveringsplicht, het algemene zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel; dat zij in essentie betogen dat de verwerende partij ten onrechte beslist dat de vergunning voor de 16.000 legkippen is vervallen, dat in het bestreden besluit nergens wordt gesteld dat de kwestieuze inrichting niet gedurende twee jaar zou zijn geëxploiteerd, dat de overwegingen in het bestreden besluit die betrekking hebben op het verval van de vergunning de terzake geldende wettelijke bepalingen miskennen, dat artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet en artikel 46 van Vlarem I bepalen dat de milieuvergunning vervalt indien de inrichting gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd, dat onder "exploitatie" luidens artikel 2, 2/, van het milieuvergunningsdecreet onder meer moet worden verstaan : het in stand houden van een inrichting, dat uit de feitelijke uiteenzetting die verzoekers gaven, zeer duidelijk blijkt dat zij er alles aan deden om de inrichting in stand te houden, dat in 1995 tweede verzoeker een milieuvergunningsaanvraag indiende voor de omvor- ming van 16.000 vergunde legkippen naar 900 varkens, dat naar aanleiding van een discussie omtrent het aantal vergunde varkens op de inrichting, de aanvraag werd VII-30.384-4/13 afgewezen, maar dat over de omvorming nooit een uitspraak werd gedaan, terwijl over het vergund zijn van de 16.000 legkippen geen betwisting bestond, dat de Vlaamse minister van Leefmilieu op 18 november 1996 de vergunning weigerde, en dat daartegen een annulatieberoep werd ingesteld bij de Raad van State, dat door dit beroep de iure het nodige werd gedaan voor de instandhouding van de inrichting, dat immers bij vernietiging van het weigeringsbesluit opnieuw uitspraak zal moeten worden gedaan over de omvorming van legkippen naar varkens, dat aldus de inrichting tot op heden wel degelijk in stand wordt gehouden, dat nog steeds de mogelijkheid bestaat dat over de omvorming van 16.000 vergunde legkippen naar 900 varkens een beslissing moet worden genomen en dat de vergunning dus niet als vervallen kan worden beschouwd; dat zij, voorts, stellen dat er sprake is van een bedrijfseigen reden waarom er geen aangifte was van kippen bij de Mestbank voor de aanslagjaren 1998 en volgende, dat uit de omzendbrief van 19 december 1996 betreffende de toepassing van het mestdecreet en haar uitvoeringsbesluiten voortvloeit dat bij het verval van de vergunning rekening moet worden gehouden met overmacht of bedrijfseigen redenen, dat die bedrijfseigen redenen de genoemde procedure voor de Raad van State en de discussie over het feit of de 2.400 varkens vervat zitten in de 3.600 varkens zijn; dat zij besluiten dat, aangezien de vergunning voor de 16.000 legkippen niet is vervallen, hun aanvraag wel degelijk voldoet aan de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet, dat immers de vergunde 3.500 varkens en de 16.000 vergunde kippen een hogere mestproductie geven dan de thans gevraagde 3.907 varkens; dat zij daarnaast de stelling blijven toegedaan dat benevens de vergunning voor 3.500 varkens tevens een vergunning voor 2.400 varkens aanwezig is; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord vooreerst de overwegingen van 's Raads arrest nr. 125.756 van 27 november 2003 en de aanhef van het bestreden besluit citeert; dat zij vervolgens stil staat bij artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet en artikel 46 van Vlarem I; dat zij, voorts, citeert uit 's Raads arrest nr. 94.216 van 22 maart 2001 waarin de Raad in dat verband overweegt dat de term "in stand houden" van een inrichting in de definitie van artikel 2, 2/, van het milieuvergunningsdecreet in wezen niet verschilt van de andere daarin voorkomende termen zoals "in werking houden" of "gebruiken"; dat zij stelt dat rubriek 9.3.1. van de indelingslijst van bijlage 1 bij Vlarem I in niet mis te verstane bewoordingen de vergunningsplichtige inrichting als "kippenstal, (...), waaronder verstaan wordt één of meer gebouwen en/of installaties waarin leghennen en mestkippen (...) gefokt of gehouden worden, (...)", omschrijft, dat in de kippenstal geen leghennen werden gefokt of gehouden VII-30.384-5/13 gedurende meer dan twee opeenvolgende jaren, dat het bestreden besluit bovendien op gemotiveerde wijze aangeeft waarom na 1997 gedurende ten minste twee opeenvolgende jaren geen kippen werden gehouden, dat dit blijkt uit de mestbank- aangifte en het feit dat er een bouwvergunning werd afgeleverd tot het verbouwen van een kippenstal tot varkensstal, dat artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunnings- decreet niet voorziet in een afwijkingsmogelijkheid, zodat geen rekening kan worden gehouden met het door verzoekers ingestelde annulatieberoep, dat dit beroep geen bedrijfseigen reden vormt; 2.1.3. Overwegende dat blijkens de aanhef van het bestreden besluit de essentiële redenen voor het gedeeltelijk weigeren van de vergunning de volgende zijn : - volgens de mestbankaangifte tot en met het aanslagjaar 1997 (productiejaar 1996), en rekening houdend met de gekende vergunningsbeslissingen, werden er voor het deel van de inrichting op naam van tweede verzoeker 16.000 opfokpoeljen van legkippen aangegeven, doch na 1997 werden er geen legkippen meer gehouden op deze plaats. Op 31 augustus 1992 werd zelfs een bouwvergunning afgeleverd voor het verbouwen van de kippenstal tot varkensstal. Bijgevolg is in toepassing van artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet de vergunning voor de legkippen vervallen. Dit betekent dat de inrichting overeenkomstig de geldende berekeningswijze nog een vergunde mestproductie heeft van 45.500 kg N en 18.655 kg P2O5, zijnde de mestproductie van de nog vergunde 3.500 varkens; - de gevraagde vergunning voor de verdere exploitatie van 3.500 mestvarkens en de verandering door omvorming van de vervallen vergunning voor 16.000 legkippen naar varkens, zodat het totaal komt op 3.907 varkens, zou leiden tot een mestproductie van 56.533 kg N en 29.572 kg P2O5, dus een stijging van de mestproductie. Bijgevolg voldoet de aanvraag niet aan de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet; dat uit artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet voortvloeit dat geen milieuvergunningen kunnen worden verleend die tot een verhoging van de vergunde mestproductie zouden leiden; dat verzoekers van oordeel zijn dat er in hun geval geen sprake is van een verhoging van de vergunde mestproductie als men rekening houdt met de mestproductie van de 16.000 legkippen, terwijl de verwerende partij doet gelden dat de vergunning voor die 16.000 legkippen is vervallen, zodat er dan ook geen rekening meer mee kan worden gehouden; dat in de aanhef van het bestreden besluit wordt gesteld dat er tot en met het aanslagjaar 1997 (productiejaar VII-30.384-6/13 1996) 16.000 legkippen werden aangegeven bij de Mestbank, maar daarna niet meer, en dat bovendien op 31 augustus 1992 een bouwvergunning werd verleend voor het verbouwen van een kippenstal tot een varkensstal; dat verzoekers deze feitelijke gegevens niet betwisten, zodat er kan worden van uitgegaan dat er gedurende verscheidene jaren, en alleszins gedurende twee opeenvolgende jaren, geen 16.000 legkippen werden gehouden; dat artikel 28, § 1, 3/, van het milieuvergunningsde- creet bepaalt wat volgt : "§1. De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting : (...) 3/ die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. § 2. Indien de in § 1 genoemde gevallen slechts betrekking hebben op een gedeelte van de inrichting, vervalt de vergunning slechts voor dat gedeelte"; dat artikel 46 van Vlarem I een gelijkaardige bepaling bevat; dat die bepalingen zo moeten worden begrepen dat een vergunning geheel of gedeeltelijk vervalt indien een inrichting of een gedeelte ervan gedurende twee opeenvolgende jaren de facto niet werd geëxploiteerd, hetgeen in casu betekent dat er gedurende twee opeenvol- gende jaren geen kippen werden gehouden; dat het betoog van verzoekers dat hun vergunning toch niet zou zijn vervallen niet opgaat; dat men de term "in stand houden" van een inrichting in de definitie van artikel 2, 2/, van het milieuvergun- ningsdecreet, immers moet verstaan als een feitelijke instandhouding; dat de term "in stand houden" in wezen niet verschilt van de andere daarin voorkomende termen zoals "in werking houden" of "gebruiken"; dat het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten in essentie de hinder en de risico's van hinderlijke inrichtingen beogen onder controle te houden en te beperken; dat die hinder een feitelijke aangelegenheid vormt; dat het feitelijk "in stand houden" hinder kan veroorzaken, doch niet het juridisch "in stand houden"; dat het voeren van een procedure voor de Raad van State aldus bezwaarlijk als een instandhouding van een inrichting zoals bedoeld in het milieuvergunningsdecreet kan worden aangemerkt; dat men onder de indelingsrubriek 9.3.1. van de indelingslijst in bijlage 1 bij Vlarem I het volgende leest : "Kippenstal, stal voor pluimvee en/of niet onder rubriek 9.2.2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.