← België

Arrest 178157 - Milieuvergunningen - 20/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.157 Rolnummer: A. 102659/VII-23227 Zaak: Arrest 178157 - Milieuvergunningen - 20/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-19 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 04:48 Fiche Arrest nr 178.157 van 20 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.157 van 20 december 2007 in de zaak A. 102.659/VII-23.227. In zake : Frans VAN DER CRUYSSEN, wonende te LENNIK, Saffelbergstraat 16 tegen : de deputatie van de provincie VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92. tussenkomende partij : Jeannine VAN BELLINGHEN, wonende te LENNIK, Saffelbergstraat 3/1/ V. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans VAN DER CRUYSSEN op 30 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 februari 2001 waarbij het beroep ingesteld door verzoeker tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lennik van 25 september 2000, houdende het verlenen van een vergunning aan Ghislenus TIELEMANS voor het verder uitbaten van een schrijnwerkerij, gelegen aan de Joseph Van Den Bosschestraat 53 te Lennik, niet wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt bevestigd en wordt aangevuld met een bijzondere milieuvergun- ningsvoorwaarde; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 19 juni 2001; Gelet op de beschikking van 25 juni 2001 die de tussenkomst van Jeannine VAN BELLINGHEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-23.227-1/23 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 4 september 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. LEFEVER, die, loco advocaat K. VAN ALSENOY, verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. KIEKENS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Ghislenus TIELEMANS, overleden echtgenoot van de tussenkomende partij, baatte een schrijnwerkerij uit gelegen aan de Joseph Van Den Bosschestraat 53 te Lennik. Ghislenus TIELEMANS en de tussenkomende partij waren gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten ingevolge hun huwelijkscontract, verleden voor notaris WIELANT, voorheen te Gooik op 23 juli 1965. Overeenkomstig artikel 5 van dit huwelijkscontract, dat de toebedeling in de totaliteit bevat van de VII-23.227-2/23 gemeenschappelijke goederen in voordeel van de langstlevende echtgenoot, behoort de schrijnwerkerij thans aan de tussenkomende partij. 1.2. In 1989 wordt aan Ghislenus TIELEMANS (exploitant) een bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van de werkplaats. Deze bouwvergunning wordt bij 's Raads arrest nr. 79.084 van 3 maart 1999, op verzoek van huidige verzoeker in de onderhavige zaak, vernietigd omdat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lennik het tegen de bouwvergunning ingediende bezwaar, met name dat de inrichting niet thuishoort in een woongebied, niet heeft beantwoord. Dientengevolge wordt de aanvraag opnieuw ingediend en gunstig geadviseerd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lennik op 6 november 2000. In 1998 verkrijgt de exploitant nog een bouwvergunning voor het slopen van kantoren en het bouwen van garages tegen de zijgevel van de bestaande schrijnwerkerij. 1.3. De exploitant beschikt over een milieuvergunning voor de exploitatie van een schrijnwerkerij die afloopt op 4 september 2000. Op 12 juli 2000 dient hij een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder uitbaten van de schrijnwerkerij. Verzoeker dient bezwaar in, maar het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lennik verleent bij beslissing van 25 september 2000 de gevraagde vergunning voor een looptijd van twintig jaar. 1.4. Op 30 augustus 2000 laat de exploitant van de schrijnwerkerij op eigen initiatief een akoestisch onderzoek uitvoeren. Het verslag daarvan wordt op 5 september 2000 opgesteld en meegedeeld aan de Milieu-inspectie maar niet aan verzoeker. 1.5. Verzoeker stelt op 20 oktober 2000 beroep in tegen deze vergunning. Op 8 december 2000 vult verzoeker zijn beroepschrift aan, hij vraagt daarin inzage van het verslag van de geluidsmetingen die op 30 augustus 2000 zijn uitgevoerd. VII-23.227-3/23 1.6. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht : (

  1. a)Op 4 december 2000 geeft de afdeling Milieuvergunningen een gunstig advies. Zij verwerpt de argumentatie uit het beroepschrift; (
  2. b)Op 6 december 2000 geeft de afdeling ROHM een gunstig advies; (
  3. c)Op 10 januari 2001 adviseert de Provinciale Milieuvergunningscommissie unaniem het beroep niet in te willigen en de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lennik te bevestigen, mits er de volgende bijzondere voorwaarde aan toe te voegen : "het verslag van het reeds uitgevoerde akoestisch onderzoek dient voor beoordeling cf. de bepalingen van Vlarem II overgezonden te worden aan de Afdeling milieuvergunningen en de afdeling milieu-inspectie. Een kopie dient eveneens ter kennisgeving overgezonden te worden aan de bestendige deputatie". 1.7. Op 22 februari 2001 volgt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, waarvan zij de bewoordingen integraal overneemt. Dit is het bestreden besluit. Het is als volgt gemotiveerd : "Aanspraken van het beroepschrift en evaluatie : 1. Onvolledigheid van het aanvraagdossier : - het arrest van de Raad van State dat de bouwvergunning voor de schrijnwerkerij vernietigt werd niet bijgevoegd, - onvoldoende informatie over de geluidsdemping, - exploitatieplan ontbreekt. Evaluatie : - Het arrest nr. 79.084 van de Raad van State d.d. 03/03/1999 heeft betrekking op de vernietiging van de bouwvergunning voor de uitbreiding van een werkplaats. Deze vernietiging was gesteund op het feit dat de gemeente het bezwaarschrift, ingediend door de klager (zelfde als beroepindiener) tijdens het voorafgaand openbaar onderzoek niet heeft beantwoord en zonder verdere motivering van de bestaanbaarheid van de inrichting met het woongebied en de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving de vergunning verleend had. Inmiddels werd de bouwvergunningsprocedure hernomen ( zie verder). - Het verslag van een geluidsstudie is geen element dat kan leiden tot de onvolledigheid (of onontvankelijkheid) van een milieuaanvraag. Aan het bedrijf werd in het verleden door de vergunningverlenende en/of toezichthoudende overheid geen geluidsstudie opgelegd. De exploitant heeft op eigen initiatief een akoestisch onderzoek laten uitvoeren omdat hij een klacht verwachtte van beroeper. Het akoestisch onderzoek werd als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal nr. BR.64.P7.000610/00 van 12/09/00 (cf. brief van de Gemeente Lennik van 18/12/00). Het verslag van het akoestisch onderzoek is niet toegevoegd aan het milieuvergunningsdossier maar werd wel overhandigd aan de adviseur van de AMV, belast met het onderzoek van de beroepsprocedure. Op expliciet verzoek VII-23.227-4/23 van de exploitant mocht het niet overgezonden worden aan dhr. Van der Cruyssen ( zie brief van G. Tielemans van 20/12/00). Hiermee is impliciet geantwoord op de brief van de beroepindiener (d.d. 08/12/00) ter aanvulling van zijn beroepschrift waarin hij om een afschrift van het verslag van het akoestisch onderzoek vraagt. Vermits echter geluidsemissie eigen is aan de uitbating van een schrijnwerkerij en maatregelen om deze te beperken een beoordelingscriterium is voor de verenigbaarheid van de uitbating met de bepalingen van Vlarem II, is de PMVC van oordeel dat het verslag van het akoestisch onderzoek voor beoordeling moet vrijgegeven worden aan de AMV en de afdeling milieu-inspectie cf. de bepalingen van Vlarem II. Een kopie dient eveneens ter kennisgeving overgezonden te worden aan de bestendige deputatie zodat dit voortaan deel uitmaakt van het dossier. De AMV en de AMI zullen cf. hun bevoegdheid ter zake oordelen of er voldoende maatregelen voorzien zijn, zoniet dienen saneringsmaatregelen voorgesteld te worden. 2. Niet voldaan aan de motiveringsplicht: - inhoud gunstige adviezen onbekend, - geen antwoord op de bezwaren, - geen maatregelen geluidshinder, verwijzing naar groenscherm is onvoldoende. Het gunstig advies waarnaar verwezen wordt in de beslissing van het CBS heeft betrekking op het advies uitgaande van de intergemeentelijke milieudienst van Haviland d.d. 02/08/2000. Dit advies was gunstig, bij naleving van de algemene en sectorale voorwaarden. Deze voorwaarden werden opgenomen in de beslissing van het CBS. Door het opleggen van deze voorwaarden werd tevens rekening gehouden met de opmerkingen van de klager. 3. Geen bouwvergunning voor de schrijnwerkerij. In tegenstelling tot wat beroepindiener ook onder punt 1 beweert, gaat de door de Raad van State vernietigde bouwvergunning enkel over de uitbreiding van de schrijnwerkerij door sloping van burelen en bouwen van garages. In de vernietigde bouwvergunning van 23/10/89 staat trouwens expliciet vermeld dat 'de constructie wordt ingeplant op 3m van de linkerperceelsgrens tegen de zijgevel van de bestaande schrijnwerkerij op 10,5m achter de achtergevel van de schrijnwerkerij'. De vereiste bouwvergunning diende dus opnieuw aangevraagd te worden. Dit is inmiddels gebeurd op 11/09/2000. In zitting van 06/11/2000 verleende het CBS van Lennik een gunstig advies tot regularisatie van de uitgevoerde werken (schrijnwerkerijwerkplaats). 4. Gebrek aan overgangsgebied op het terrein van de inrichting - intrinsieke hinderlijkheid. Geluidsemissie is eigen aan de uitbating van een schrijnwerkerij. Deze emissie dient tot een aanvaardbaar niveau beperkt te worden voor de omwonenden. Om geluidshinder te beperken werden cf. Vlarem II door het CBS van Lennik geluidsnormen opgelegd. Zo is het onder meer verboden luidruchtige werkzaamheden uit te oefenen tussen 19 u en 7 u, alsook op zon- en feestdagen. Uit het onaangekondigd plaatsbezoek door de AMV op 16 november 2000, omstreeks 16u30, is gebleken dat de werkzaamheden gestopt waren. Het groenscherm, dat volgens de beroepindiener nog niet geplaatst zou zijn, blijkt reeds een hoogte te hebben van bijna 4 m en bevindt zich tussen de werkplaats en de richting van de woning van de klager. Enkel tussen de tuin van de klager en deze van de exploitant werd geen groenscherm geplaatst. Deze tuinen zijn immers van elkaar gescheiden door een weide. Om de geluidshinder zoveel mogelijk te beperken, heeft de exploitant de motor die instaat voor de afzuiging van het houtstof, volledig ingekapseld. VII-23.227-5/23 De exploitant heeft op vrijwillige basis (zie boven) een volledig akoestisch onderzoek laten uitvoeren door een erkend deskundige. Dit onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van steekproeven. Zowel uit de statistische als uit de frequentiemetingen, kwamen dezelfde besluiten naar voor. Namelijk dat de schrijnwerkerij een specifiek geluid veroorzaakt op het meetpunt ter hoogte van de achtertuin van de woning van de exploitant van ca. 38 dB(A). Ter hoogte van het raam van de slaapkamer van de beroepindiener werd een specifiek geluid gemeten van 44 dB(A). Uit de frequentie-analyse blijkt dat er duidelijk tonaliteit aanwezig is in de omgeving. Volgens Vlarem II dient het specifiek geluid gecorrigeerd te worden met 5 dB(A) bij tonaal karakter omdat tonaal geluid als hinderlijk ervaren wordt. Een toetsing met de richtwaarden uit Vlarem II voor woongebied tijdens de dagperiode (er wordt immers enkel tijdens de dag gewerkt), toont aan dat op grondniveau de geluidsdrukniveaus conform de richtwaarden zijn. Ter hoogte van het raam van de slaapkamer van de beroepindiener werd een specifiek geluid gemeten van 44 dB(A). Met bovengenoemde correctie (straf)factor van 5dB(A) geeft dit 49 dB(A) wat een overschrijding van de richtwaarde (45 dB(A)) betekent met 4 dB(A). Hierdoor is het aangewezen dat het verslag van het akoestisch onderzoek voor beoordeling vrijgegeven wordt aan de AMV en de afdeling milieu- inspectie cf. de bepalingen van Vlarem II en dat desgewenst saneringsmaatregelen voorgesteld en uitgevoerd worden. Hoorzitting : Op 20/12/00 heeft de exploitant gevraagd om gehoord te worden. Uit de overlijdensakte opgesteld op 22/12/00, blijkt dat de exploitant overleden is op 21/12/00. Mevrouw Jeannine Van Bellinghen, weduwe van Ghislenus Tielemans, is rechtsopvolger voor de schrijnwerkerij. Zij heeft aan Georges Tielemans, haar schoonbroer, volmacht gegeven om de hoorzitting van PMVC bij te wonen. Het bedrijf bestaat reeds meer dan honderd jaar. De gebuur/beroepindiener is ongeveer 15 j. geleden ter plaatse komen wonen. Op het atelier zijn slechts 2 à 3 personen aanwezig . De rest vertrekt 's morgens naar de werven. In het atelier zelf wordt weinig gewerkt. Het bedrijf werkt ook nog met een 28- tal mensen in onderaanneming maar die komen nooit in het atelier. De stofzuiginstallatie staat in een geïsoleerd atelier, in de grond en niet in het houtdroogmagazijn zoals beroeper beweert. De exploitant bevestigt dat de lichtkoepels méér geïsoleerd worden/zijn dan enkel met golfplaten. De exploitant bevestigt dat in de bouwtoelating door de gemeente een fout gemaakt werd die na vernietiging door de Raad van State kan rechtgezet worden. De exploitant bevestigt de aanwezigheid van een groenscherm. Doch benadrukt nogmaals dat tussen het eigendom van beroepindiener en tussen de exploitatie nog het eigendom van een andere buur ligt. Beroeper grenst dus niet aan de betrokken inrichting. De schrijnwerkerij is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 07/03/1977, gelegen in een woongebied waarvoor art. 5 en 6 van het KB van 28/12/72 betreffende de inrichting en toepassing van gewestplannen van toepassing is. Conform bovengenoemd art. 5 en 6 dient beoordeeld te worden of de uitbating bestaanbaar is met de bestemming woongebied en verenigbaar is met de omgeving. VII-23.227-6/23 De exploitatie van een schrijnwerkerij, ingedeeld in klasse II mag volgens Vlarem II uitgebaat worden in een woongebied. Deze schrijnwerkerij is reeds sinds meer dan 100 jaar in exploitatie op dezelfde locatie. Het enige bezwaar dat tegen de uitbating van dit bedrijf werd ingediend, gaat uit van de indiener van dit beroep. De woning van deze klager bevindt zich op ca. 20 m afstand van de werkplaats. De tuin van deze klager wordt gescheiden van de werkplaats door een weide, eigendom van een andere buurman. De andere omwonenden, waarvan de perceelsgrenzen van hun woningen grenzen aan deze van de exploitant, noch de overburen, hebben ooit bezwaren ingediend tegen deze exploitatie. Op deze inrichting zijn 19 personen tewerkgesteld. Hiervan zijn er echter maar 3 personen die tewerkgesteld zijn in de werkplaats, zodat er slechts 3 machines tegelijkertijd kunnen gebruikt worden. De overige personeelsleden zijn chauffeurs of werklui die op andere locaties tewerkgesteld zijn, alsook administratief personeel. De kleine refter biedt slechts plaats voor een vijftal personen. De totale aanwezige drijfkracht voor de houtbewerkingsmachines bedraagt ( volgens de gegevens op het uitvoeringsplan) ongeveer : 46 pK (ongeveer 35 kW) verdeeld over 9 machines waarvan de stofafzuiging (7,5pK ) en de schuurmachine (7pK) de grootste drijfkracht hebben. Wetende dat de bovenste indelingsdrempel voor een klasse 2 uitbating 200 kW ( = 272 pK) is, mag besloten worden dat het hier om een kleinschalig bedrijf gaat. Samen met de houtopslag ( rubriek : 19.6) zijn dit de 2 enige klasse 2 - rubrieken. Het lozingsaspect, de gevraagde opslag van diesel, de grondwaterwinning en de stalplaats voor voertuigen zijn slechts ingedeeld in klasse 3. Het geheel van de uitbating heeft derhalve een eerder beperkte impact op de omgeving. Globaal kan worden gesteld dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de exploitatie van de schrijnwerkerij bij naleving van de door het College van Lennik opgelegde exploitatie- voorwaarden, aangevuld met een bijzondere vergunningsvoorwaarde mbt. het akoestisch onderzoek, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. Er bestaat bijgevolg aanleiding toe de bestreden beslissing van het CBS van Lennik te bevestigen doch aan te vullen met een bijzondere vergunningsvoorwaarde mbt. het akoestisch onderzoek"; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst opwerpt dat het ingestelde beroep niet ontvankelijk is omdat tegen het bestreden besluit nog een administratief beroep bij de Vlaamse regering openstond dat niet werd uitgeput, dat het aldus niet om een in laatste aanleg genomen besluit gaat, dat zij zich voor deze stelling steunt op 's Raads arrest nr. 78.798 van 12 februari 1999 waarin wordt overwogen dat beroep kan worden ingesteld door elke natuurlijke - of rechtspersoon die tengevolge van een exploitatie rechtstreeks hinder kan ondervinden; VII-23.227-7/23 2.2. Overwegende dat artikel 23 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) de beroeps- mogelijkheden die bestaan tegen milieuvergunningen vaststelt; dat de artikelen 49 en 51 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) deze beroepsmogelijkheden uitwerken; dat uit deze artikelen blijkt dat tegen de beslissingen die in eerste aanleg worden genomen door het college van burgemeester en schepenen beroep kan worden ingesteld bij de deputatie van de provincieraad, en tegen de beslissingen die in eerste aanleg worden genomen door de deputatie in beroep kan worden gegaan bij de Vlaamse regering; dat er geen administratief beroep georganiseerd is tegen een in beroep door de deputatie genomen beslissing zodat een dergelijke beslissing wel degelijk een in laatste aanleg genomen beslissing is; dat in het door de tussenkomende partij geciteerd arrest nr. 78.798 van 12 februari 1999 van de Raad van State het volgende wordt overwogen : "Overwegende dat luidens artikel 24, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet), herhaald in artikel 49, § 1, 4/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), elke natuurlijke persoon die ten gevolge van de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden, beroep kan instellen tegen elke beslissing over een milieuvergunningsaanvraag van het college van burgemeester en schepenen"; dat dit arrest alleen vermeldt wie er beroep kan instellen tegen een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag genomen door het college van burgemeester en schepenen; dat het arrest zich evenwel niet uitspreekt over het orgaan bij hetwelk in beroep kan worden gegaan; dat de geciteerde overweging daarenboven het beroep betreft tegen een beslissing van het college van burgemeester en schepenen terwijl het in casu gaat over een beroep tegen een beslissing van de bestendige deputatie; dat de exceptie wordt verworpen; 3. De gegrondheid 3.1.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 2, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van artikel 5.1.0. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : het inrichtingsbesluit) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering VII-23.227-8/23 van de bestuurshandelingen, omdat de vergunde inrichting onverenigbaar is met de bestemming woongebied en het bestreden besluit onvoldoende aangeeft waarom het anders zou zijn, dat de toelaatbaarheid en aanvaardbaarheid van een inrichting door de overheid correct moet worden gecontroleerd op basis van een omstandige analyse van de bestaanbaarheid met het woongebied en de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving, dat het bestreden besluit niet afdoende antwoordt op de door verzoeker aangevoerde elementen die aantonen dat de inrichting niet verenigbaar is met de bestemming woongebied; dat hij stelt dat er niet afdoende wordt geantwoord op het bezwaar dat er een gebrek aan overgangsgebied is op het terrein van de inrichting, zoals dit in een industriegebied is vereist, dat de overweging in het besluit, met name dat de woning van de "klager" -verzoeker - wordt gescheiden van de werkplaats door een weide, eigendom van een andere buur, daarop geen antwoord is, dat die eigendom geen weide is maar een moestuin, dat vanaf de Saffelbergstraat en zijn woning er een onverminderd uitzicht is op de werkplaats omdat in die richting geen groenscherm is aangelegd langs de perceelsgrenzen, dat het niet zeker is dat een groenscherm een milderend effect zou hebben op de geluidshinder; dat hij voorts meent dat het besluit evenmin een oplossing inhoudt voor het intrinsiek storend karakter van de exploitatie, die de kwaliteit van de woonfunctie in de onmiddellijke omgeving in het gedrang brengt, dat het vrijgeven en doorsturen van een akoestisch onderzoek niet volstaat en geen waarborg inhoudt dat effectief maatregelen worden genomen, dat, indien wordt getolereerd dat de vigerende geluidsnormen worden overschreden, de inrichting om redenen van ruimtelijke ordening veeleer thuishoort in een industriegebied, waar soepelere milieunormen van toepassing zijn dan in een woongebied; dat verzoeker beweert dat de argumentatie in het bestreden besluit, volgens dewelke deze schrijnwerkerij reeds sinds meer dan 100 jaar in exploitatie is op dezelfde locatie en de andere omwonenden, waarvan de perceelsgrenzen van hun woningen grenzen aan deze van de exploitant, noch de overburen, ooit bezwaren hebben ingediend tegen de exploitatie, voorbijgaat aan de door verzoeker gevoerde argumentatie betreffende de inplanting in woongebied, dat de verwijzing in het besluit naar de indeling in klasse 2 en naar het vermogen van de machines, niet tot uiting brengt waarom de inplanting in overeenstemming zou zijn met het gewestplan, nu de organisatie van het bedrijf en van de productie niet stroken met het concept "klein bedrijf of ambacht", dat de organisatie van de afzuiging van houtafval die gemeenschappelijk is voor alle houtbewerkingsmachines, de opslag van houtafval in een bunker en de afvoer ervan door middel van een lawaaierige op een vrachtwagen geplaatste zuiger, werkwijzen zijn die niet stroken met het concept "klein bedrijf"; VII-23.227-9/23 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat, wat het eerste bezwaar betreft, het niet gaat over een industriegebied en er dus geen overgangsgebied moet zijn; dat zij, voorts, verwijst naar de in het bestreden besluit weergegeven vaststellingen die de afdeling Milieuvergunningen bij haar plaatsbezoek heeft gedaan; dat, wat de andere kritieken betreft, zij de motivering van het bestreden besluit citeert en concludeert dat er wel degelijk rekening werd gehouden met de bestaanbaarheid en de verenigbaarheid van de uitbating met de omgeving; dat zij meent dat de kritiek van verzoeker niet slaat op het feit of de verenigbaarheid van de exploitatie met de omgeving wel werd onderzocht maar wel op de inhoudelijke appreciatie van de deputatie over deze bestaanbaarheid; dat zij opmerkt dat de Raad van State zich, wat dat betreft, niet in haar plaats mag stellen, dat in de motivering uitdrukkelijk werd ingegaan op de klachten van geluidsoverlast die verzoeker tijdens de beroepsprocedure liet gelden; 3.1.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat er ten onrechte wordt voorgehouden dat het om een bestaande exploitatie gaat, dat het bedrijf sinds 1971, datum van de oorspronkelijke milieuvergunning, uitgebreid is in oppervlakte en in drijfkracht, dat het dan ook niet om de vernieuwing van een vergunning voor een bestaand bedrijf gaat maar wel om een vergunning voor een nieuwe inrichting of voor verandering van een bestaande inrichting, dat dan ook de geluidsnormen voor nieuwe inrichtingen of voor verandering van een bestaande inrichting van toepassing zijn en niet deze voor een bestaande inrichting; dat hij meent dat het geluidsonderzoek niet conform is aan de vereisten van de bijlagen 4.5.1. en 4.5.2., van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) om volgende redenen : - er was geen voorafgaandelijk overleg over meetduur, meetperiode en meetpunten; de meetresultaten in een vast meetpunt in de achtertuin van de woning J. Van Den Bosschestraat 63 zijn geen weergave van de maximale impact van de schrijnwerkerij; - het grondplan vermeldt geen schaalaanduiding en geeft een verkeerd beeld van de omvang van de schrijnwerkerij en van de onderlinge afstand tussen de schrijnwerkerij en verzoekers woning; - door de veranderingen die sinds 1971 aan de inrichting werden aangebracht moest ze als een nieuwe inrichting worden beschouwd en er werd verkeerdelijk toepassing gemaakt van de normen voor bestaande inrichtingen; volgens de normen voor nieuwe inrichtingen was er een overschrijding met 10 dB(A) en was een saneringsplan verplicht; VII-23.227-10/23 dat hij ten slotte stelt dat de bewering in het besluit van het geluidsonderzoek, volgens hetwelk een aanzienlijke verbetering van het geluidsklimaat kan worden bekomen door vervanging van de platte lichtstraat, niet volstaat als saneringsplan, dat het dan ook de plicht was van de deputatie om saneringsmaatregelen op te leggen via bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning; 3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij argumenteert dat haar schrijnwerkerij moet worden aanzien als klein bedrijf in de zin van artikel 5.1.0. van het inrichtingsbesluit zodat de inrichting verzoenbaar is met de ligging in woongebied, dat verzoeker ten onrechte stelt dat het bedrijf slechts kon worden toegestaan in woongebied, voor zover zou zijn vastgesteld dat het bestaanbaar en verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving, gelet op het bijzonder karakter van het woongebied; dat zij stelt dat het een vernieuwing van een vergunning betreft en dat in dergelijk geval de bestaanbaarheid en verenigbaarheid van de exploitatie met de omgeving slechts aanleiding kan geven tot een nieuwe beoordeling indien hetzij de aangevraagde milieuvergunning een verzwaring van de exploitatie met zich brengt, hetzij het woongebied waarin het klein bedrijf gelegen is, nieuwe eisen stelt, dat wanneer een klein bedrijf verenigbaar moet zijn met de onmiddellijke omgeving dit niet insluit dat dit bedrijf tot de normale uitrusting van het gebied moet behoren, dat het volstaat dat zij de woonfunctie niet in het gedrang brengt; dat zij ten slotte stelt dat de verwerende partij, in antwoord op de bezwaren van verzoeker, uitdrukkelijk verwijst naar de diverse uitgebrachte adviezen en antwoordt op de verschillende bezwaren, dat er wordt geargumenteerd vanuit de concrete elementen van de bedrijfsactiviteit, zoals aantal personen werkzaam in de schrijnwerkerij en gebruikte drijfkracht, en vanuit de resultaten van het geluidsonderzoek; 3.1.5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie, met betrekking tot het eerste middel, het volgende stelt : "(...) Geen antwoord is gegeven op de hierna onder (1 en 2) vermelde argumentatie van verzoeker waarmee de inrichting wordt aangemerkt als onbestaanbaar met het woongebied en onverenigbaar met de onmiddellijke omgeving :

(1)De omschrijving van de inplanting van de inrichting en kenmerken van de omgeving door aan te geven dat de inrichting is gesitueerd tussen de J. Van den Bosschestraat en de Saffelbergstraat met langs beide zijde(
  1. n)een strook voor woningen; dat thans vier woningen gelegen zijn in een omtrek van 25 m langs de voor- en achterzijde van de inrichting; dat er eveneens een te verwachten toename is van de bebouwing gelet op de vrije bouwkavels langs de Saffelbergstraat. Tussen de woning van verzoeker en het perceel van de inrichting, dit is op een nog kortere afstand tot de inrichting, bevindt zich een vrije bouwkavel die aan alle stedenbouwkundige vereisten op vlak van breedte VII-23.227-11/23 en diepte van het perceel voldoet om er een woning te bouwen. Tevens is er de vaststelling dat de woning Van den Bosschestraat 63 die voorlopig onbewoond is, eveneens op kortere afstand tot de inrichting is ingeplant. De beoordeling van de bestaanbaarheid met het woongebied en verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving diende te steunen op feitelijke elementen van inplanting van de inrichting en kenmerken van de omgeving, zowel op bestaande als toekomstige woonbebouwing en dit ongeacht (
  2. er)bezwaar werd ingediend.
(2)De uitbouwwijze van de schrijnwerkerij die in het geheel niet is afgestemd op de uitvoering van zeer luidruchtige machinale bewerkingen wat wordt aangetoond door de geluidsstudie volgens welke het geluidsproductieniveau van de machines 80 dB(A) overschrijdt. Eveneens volgens de geluidsstudie is er een duidelijke en hinderlijke tonaliteit aanwezig op woonniveau in de buurt. In het aanvraagdossier en in de beslissing ontbreekt het aan gegevens over de geluidsisolatie van dak en gevels van het gebouw in functie van de geluidsproductie van de machines. Het volstaat niet dat het intrinsiek storend karakter van de exploitatie wordt beoordeeld op basis van de geluidsvoorwaarden van Vlarem II, zonder dat de hinder tot een strikt minimum kan worden beperkt. Een afdoende motivering van de beslissing veronderstelt dat een antwoord wordt gegeven op de tijdens de vergunningsprocedure naar voren gebrachte bezwaren hetgeen niet het geval is"; 3.1.
  1. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie aanvoert dat verzoeker in zijn laatste memorie verwijst naar de noodzaak rekening te houden met de toekomstige woonbebouwing en het bestaan van een onbewoonde woning, dat deze verwijzing geen nieuwe gegevens aanbrengt nu eerder reeds naar vrije bouwkavels werd verwezen, dat, moest het wel gaan om nieuwe gegevens, ze onontvankelijk zijn; dat zij voorts, in essentie, geen nieuwe elementen toevoegt aan haar argumentatie; 3.1.
  2. Overwegende dat luidens artikel 5.1.
  3. van het inrichtingsbesluit voor woongebieden volgende bestemmingsvoorschriften gelden : "De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving"; dat inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf enkel in een woongebied kunnen worden toegestaan onder de dubbele voorwaarde dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; dat bij het beoordelen van de bestaanbaarheid rekening dient te worden gehouden met de aard en de omvang van het bedrijf, waardoor een VII-23.227-12/23 inrichting inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van het bedrijf, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied; dat bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving dient te worden uitgegaan van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard, het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, of van de bijzondere bestemming die het bijzonder plan van aanleg van het gebied aan die omgeving heeft gegeven; dat het bestreden besluit vaststelt dat 19 personen zijn tewerkgesteld in de inrichting, waarvan slechts 3 in de werkplaats, zodat er slechts 3 machines tegelijkertijd kunnen worden gebruikt; dat de overige personeelsleden chauffeurs zijn of werklui die op andere locaties zijn tewerkgesteld; dat de refter slechts plaats biedt voor een vijftal personen; dat de drijfkracht 46 pk bedraagt te verdelen over 9 machines; dat het bestreden besluit aan de hand van die vaststellingen redelijkerwijze kon besluiten dat het om een kleinbedrijf gaat in de zin van artikel 5.1.
  4. van het inrichtingsbesluit; dat de vraag naar de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied zich in casu toespitst op het aspect geluidshinder, en meer bepaald op de vraag of de geluidshinder die het bedrijf produceert, aanvaardbaar is in woongebied; dat het bestreden besluit detaillistisch ingaat op alle bezwaren van verzoeker in verband met de geluidshinder; dat de verwerende partij hierbij rekening heeft gehouden met de resultaten van de uitgevoerde geluidsmetingen, die aantonen dat er op grondniveau geen overschrijding is van de normen opgenomen in Vlarem II; dat het niet onredelijk is om in het feit dat er op het niveau van de slaapkamer een overschrijding van de normen is, geen reden te vinden om de vergunning te moeten weigeren, aangezien er 's avonds en 's nachts niet mag worden gewerkt; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat het niet gaat om de vernieuwing van een vergunning voor een bestaand bedrijf maar wel om de vergunning voor een nieuwe inrichting of voor verandering van een bestaande inrichting en dat dus ook de geluidsnormen voor nieuwe inrichtingen of voor veranderde bestaande inrichtingen en niet deze voor bestaande inrichtingen van toepassing zijn; dat het, uit de in het bestreden besluit geciteerde conclusie van het geluidsonderzoek en de daaraan verbonden conclusie, duidelijk is dat de verwerende partij is uitgegaan van een bestaande inrichting en niet van een nieuwe inrichting of van een verandering aan een bestaande inrichting; dat de in het besluit weergegeven redenering inzake geluidshinder, uitsluitend is gestoeld op een vergelijking van de gemeten geluidssterkte met de richtwaarde; dat deze redenering alleen past in de regeling die vervat is in afdeling 4.5.
  5. van Vlarem II, zijnde deze voor bestaande inrichtingen; dat de regeling voor nieuwe of veranderde inrichtingen, zoals bepaald VII-23.227-13/23 in afdeling 4.5.
  6. van Vlarem II, immers werkt met een bijkomend concept van het oorspronkelijk omgevingsgeluid; dat, voor zover deze nieuwe kritiek kan worden ingepast in het eerste middel, zij in elk geval gesteund is op een nieuw juridisch argument; dat deze kritiek een bijkomende grondslag geeft aan dat middel zodat zij als een nieuw middel of middelonderdeel moet worden gezien; dat een nieuw middel, in een memorie van wederantwoord, slechts op een ontvankelijke manier kan worden aangevoerd indien verzoeker het niet eerder had kunnen aanvoeren of indien het van openbare orde is; dat verzoeker deze kritiek reeds in zijn inleidend verzoekschrift had kunnen en moeten voeren; dat het geen middel betreft dat de openbare orde raakt; dat, gelet op wat voorafgaat, verzoeker deze kritiek niet meer voor het eerst kan aanvoeren in zijn memorie van wederantwoord; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord bijkomend aanvoert dat het akoestisch onderzoek niet voldoet aan de vereisten van de bijlagen 4.5.
  7. en 4.5.
  8. van Vlarem II; dat deze kritiek ontvankelijk is aangezien verzoeker niet eerder dan door inzage van het administratief dossier kennis heeft gekregen van de akoestische studie; dat deze kritiek in de eerste plaats handelt over de vormvereisten; dat verzoeker evenwel niet aantoont dat de meetresultaten, zoals ze werden opgetekend, onjuist zouden zijn; dat het niet voldoen aan vormvereisten aldus niet tot de conclusie kan leiden dat het bestreden besluit, dat mede is gesteund op de meetresultaten, onregelmatig is; dat, gelet op wat voorafgaat, de verwerende partij een afdoende en redelijk aanvaardbare afweging heeft gemaakt van de bestaanbaarheid met het woongebied en de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving; dat het eerste middel bijgevolg niet gegrond is; 3.2.
  9. Overwegende dat verzoeker zich in het tweede middel beroept op de schending van de artikelen 4.1.2.1., 4.1.3.
  10. en 4.5.1.1., van Vlarem II en van de motiveringsplicht vervat in artikel 50, 3/, b), van Vlarem I en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen doordat, enerzijds, de exploitant steeds de best beschikbare technieken moet toepassen en de nodige maatregelen moet nemen ter bescherming van mens en milieu terwijl het besluit geen concrete maatregelen daartoe oplegt aan de exploitant en doordat, anderzijds, niet wordt geantwoord op zijn bezwaren; dat hij kritiek uit op het feit dat de afdeling Milieuvergunningen wordt ingeschakeld om het akoestisch onderzoek te beoordelen, nu deze dienst daarover reeds een advies heeft uitgebracht; dat hij, voorts, kritiek heeft op de bevindingen van het akoestisch onderzoek, waarvan hij beweert dat er ten onrechte wordt gesteld dat er op grondniveau geen tonaal karakter zou zijn en dat de meting op grondniveau niet relevant is omdat zijn woonkamer op twee meter hoogte is gelegen; dat hij het ten VII-23.227-14/23 slotte niet eens is met de wijze, meer bepaald het tijdstip, waarop het plaatsbezoek van de afdeling Milieuvergunningen werd uitgevoerd, met het feit dat er geen toezicht is of oplossing wordt gegeven aan het gegeven dat de geluidshinder toeneemt, aangezien er wordt gewerkt met open ramen en deuren, het enige systeem van klimaatbeheersing in de werkplaats, en met het feit dat het bestreden besluit geen oplossing inhoudt voor de extreme geluidshinder veroorzaakt door het wegzuigen van houtstof via een op een vrachtwagen geïnstalleerde zuiger; 3.2.
  11. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat artikel 4.1.2.
  12. van Vlarem II inderdaad bepaalt dat de exploitant steeds de best beschikbare technieken moet gebruiken maar dat dit artikel eveneens bepaalt dat, indien de exploitant voldoet aan de vereisten van Vlarem II, hij wordt geacht de best beschikbare technieken te gebruiken, dat hetzelfde geldt voor de artikelen 4.1.3.
  13. en 4.5.1.1., van Vlarem II, die slechts het algemeen voorzorgsprincipe herhalen; dat zij er voorts op wijst dat het akoestisch onderzoek niet door de verwerende partij werd opgelegd en dat de toezichthoudende overheid voor een klasse 2-uitbating in de eerste plaats de burgemeester is, dat zij aan haar besluit als bijzondere voorwaarde heeft toegevoegd dat het akoestisch onderzoek moest worden vrijgegeven, dat er bij een overschrijding van de richtwaarden met minder dan 10 db(A) geen verplichting is om een sanering op te leggen; dat zij stelt dat de kritiek op het akoestisch onderzoek ook inhoudelijk niet gegrond is, nu dit door "de afdeling AMI van Vlaams-Brabant" werd goedgekeurd, dat de argumentatie inzake de extreme geluidshinder afkomstig van het wegzuigen van het houtstof uit de schrijnwerkerij onterecht is, dat daaromtrent in het bestreden besluit wordt geargumenteerd dat de afzuiginstallatie voor het houtstof volledig werd ingekapseld; 3.2.
  14. Overwegende dat de tussenkomende partij stelt dat verzoeker aan het bestreden besluit verwijt dat het aan de exploitant geen concrete maatregelen oplegt die er moeten voor zorgen dat de geluidshinder voor de omwonenden wordt beperkt; dat zij er op wijst dat de algemene voorwaarden die vermeld zijn in de door verzoeker geschonden geachte bepalingen 4.1.2.1., 4.1.3.
  15. en 4.5.1.1., van Vlarem II behoren tot de algemene voorwaarden die voor elke inrichting gelden, dat aldus op de exploitant de verplichting rust om als normaal zorgvuldig persoon steeds de best beschikbare technieken toe te passen; dat zij aanduidt dat het bestreden besluit in artikel 4 uitdrukkelijk stelt dat de verleende vergunning afhankelijk is van de strikte naleving van de algemene voorwaarden en van de sectorale en bijzondere voorwaarden die er uitdrukkelijk in worden vermeld, dat de overheid, bij het VII-23.227-15/23 toekennen van een milieuvergunning, alleen bijzondere voorwaarden kan opleggen indien omstandigheden eigen aan de exploitatie dit wettigen, dat dit in casu niet het geval is vermits uit het akoestisch onderzoek blijkt dat op grondniveau de richtwaarden niet worden overschreden en dat alleen ter hoogte van de slaapkamer op de eerste verdieping de dagrichtwaarden worden overschreden ingevolge het tonale karakter van het geluid, dat het onderzoek tevens vaststelt dat een verbetering van het geluidsklimaat kan worden bekomen door het vervangen van de enkelwandige platte lichtstraat door een constructie evenwaardig aan de dubbelwandige bestaande koepels; 3.2.
  16. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog het volgende stelt : "(...)Met uitzondering van specifieke toezichtsbepalingen van Vlarem II is toch algemeen aanvaard dat de milieuvoorwaarden van hetzelfde Vlarem II een beoordelingskader zijn voor het onderzoek van de vergunningsaanvraag. In dezelfde optiek zijn de bepalingen van de artikelen 4.1.2.1, 4.1.3.
  17. en 4.5.1.1 van Vlarem II een beoordelingsmaatstaf betreffende de toepassing van de huidige stand van de techniek, eveneens best beschikbare techniek (BBT) genaamd, op het vlak van geluidsvoorkoming en -beheersing ten einde de hinder tot een strikt minimum te beperken. De beslissing zal in de vorm van een milieutechnische evaluatie een grondige bespreking bevatten van de toepassing van de BBT; in de artikelen 4.1.2.1, 4.1.3.
  18. en 4.5.1.1 van Vlarem II zal de beslissing een aanvulling, toelichting en verantwoording vinden door bedoelde milieuvoorwaarden te hanteren als beoordelingsmaatstaf voor de intrinsieke hinderlijkheid van de inrichting. De tijdens de lopende vergunningsprocedure voorgelegde geluidsstudie van erkende geluidsdeskundige Busschots treedt niet in de plaats van de artikelen 4.1.2.1, 4.1.3.
  19. en 4.5.1.1 van Vlarem II of voldoet op zich niet aan deze bepalingen; de geluidsstudie wordt algemeen beschouwd als aanhangsel of sluitstuk van de toetsing aan de BBT. Door een al te eenzijdige en te beperkte bespreking van de toepassing van de huidige stand van de techniek, eveneens best beschikbare techniek of BBT genaamd, schendt de beslissing de artikelen 4.1.2.1, 4.1.3.
  20. en 4.5.1.1 van Vlarem II. Zelfs als het zo zou zijn dat de artikelen 4.1.2.1, 4.1.3.
  21. en 4.5.1.1 van Vlarem II zich rechtstreeks richten tot de exploitant, dan nog dient in de beslissing te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de BBT. De hierna onder (1, 2 en 3) vermelde argumenten over het intrinsiek storend karakter van de inrichting hadden geen toetsing aan de BBT en werden evenmin beantwoord in de beslissing :
(1)Dat de uitvoeringswijze van het dak met een belangrijke oppervlakte aan lichtkoepels en aan een lange lichtstraat, deze aangebracht boven de opstellingsplaats van de luidruchtige machines, de akoestische isolatie aantast, volgt uit volgende gegevens van het dossier : - de resultaten van de geluidsstudie volgens welke op slaapkamerniveau 6 dB(A) meer wordt gemeten dan op grondniveau en de overschrijding van de geluidsvoorwaarden met 4 dB(A) op slaapkamerniveau. - de vermelding in de beslissing dat er een duidelijke tonaliteit aanwezig is in de omgeving. Dat het dak van de inrichting een knelpunt is op het vlak van geluidsisolatie wordt bovendien bevestigd door het in de conclusie van de geluidsstudie VII-23.227-16/23 geformuleerde voorstel volgens welke een aanzienlijke verbetering van het geluidsklimaat kan worden bekomen middels het vervangen van platte lichtstraat (enkelwandig) door een constructie die evenwaardig als de bestaande koepels (dubbelwandig) in het dak. Dit voorstel voor verbetering van de geluidsisolatie kan niet worden gelijkgesteld met een saneringsplan omdat het niet beantwoordt aan de inhoudelijke vereisten van een saneringsplan volgens bijlage 4.5.3 van Vlarem II.
(2)Door een belangrijke oppervlakte aan lichtkoepels en een lange lichtstraat staat de werkplaats gedurende lente- en zomerseizoen rechtstreeks bloot aan zonne-instraling met het gevolg dat de geluidsisolatie van de gebouwomhulling wordt aangetast door het openen van vensters in de wanden en een poort in de achtergevel van de schrijnwerkerij. Vanwege dit ernstig knelpunt op het vlak van warmte-isolatie van het dak gaat het niet op als milieuvoorwaarde op te leggen dat de exploitatie moet gebeuren met gesloten ramen en poorten; er is geen andere voorziening voor klimaatbeheersing op de werkplaats dan via het openen van de ramen en de poort. De klimaatbeheersing op de werkplaats dient te geschieden op een wijze zonder dat de buurt bijkomend wordt gehinderd. De aspecten klimaatbeheersing en geluidsisolatie van het bedrijfsgebouw hadden geen toetsing aan de BBT.
(3)Als het zo is dat in de inrichting maar een beperkt volume houtafval wordt geproduceerd, zoals in het verslag van het auditoraat wordt beweerd, dan had als maatregel om het intrinsiek storend karakter te milderen een alternatief voor de verwijdering van het houtstof met een lawaaierige zuiger in afweging kunnen worden genomen. (...) Het is algemeen aanvaard dat artikel 4.5.4.
  1. een procedure van toezicht vastlegt bedoeld voor de behandeling van klachten over geluidshinder die worden ingediend tijdens de nog lopende vergunningstermijn of nog steeds geldige milieuvergunning van bestaande inrichtingen. De tekst van het artikel vangt trouwens aan met de vermelding van het beperkt akoestisch onderzoek dat wordt uitgevoerd door de toezichthoudende ambtenaren als technische controle op geluidshinder (art. 62 Vlarem I). Afhankelijk van het resultaat van deze technische controle door de toezichthoudende ambtenaar dient de exploitant over te gaan tot het laten uitvoeren van een volledig akoestisch onderzoek, dit in diens opdracht en kosten door een erkend geluidsdeskundige, en afhankelijk van het resultaat van dit laatste onderzoek zal de exploitant al dan niet verplicht zijn over te gaan tot het voorleggen van een saneringsplan. Het onderzoek van een vergunningsaanvraag, zoals in voorliggend beroepsdossier, kan niet worden gelijkgesteld met de toezichts- of handhavingsbepalingen van artikel 4.5.4.
  2. in wezen bedoeld voor een bestaande inrichting met een nog geldige milieuvergunning die het voorwerp is van een geluidsklacht. Het is tevens algemeen aanvaard dat met geluidsvoorwaarden voor een bestaande inrichting de milieukwaliteitsdoelstellingen en richtwaarden voor geluid in open lucht, zoals deze zijn opgenomen onder de bijlagen 2.2.1 en 4.5.4 van Vlarem II, worden bedoeld. De verwerende partij diende haar beslissing te nemen met toepassing van artikel 22 van het milieuvergunningsdecreet dat een dubbel oogmerk nastreeft, namelijk dat door de exploitant de geluidsvoorwaarden worden nageleefd en dat de hinder voor de buurt tot een strikt minimum wordt beperkt. De beslissing beantwoordt niet aan het dubbel oogmerk van artikel 22 van het decreet door een significante overschrijding van de geluidsvoorwaarden en de aanwezigheid van een duidelijke tonaliteit op woonniveau te tolereren gedurende een nieuwe vergunningstermijn van 20 jaar. Zoals verzoeker argumenteert faalt de beslissing door niet te voorzien in een oplossing voor het intrinsiek hinderlijk karakter van de exploitatie via afdoende bijzondere voorwaarden in de vorm van een saneringsplan. De bijzondere voorwaarde over VII-23.227-17/23 het vrijgeven van de geluidsstudie voor beoordeling en goedkeuring volstaat niet als maatregel tegen het intrinsiek hinderlijk karakter en is zelfs overbodig door identieke sectorale bepalingen onder artikel 2 van bijlage 4.5.2 van Vlarem II. Het is tevens onredelijk te concluderen dat de geluidsvoorwaarden op grondniveau zouden worden nageleefd; het woonniveau (woonkamer) bij verzoeker bevindt zich niet op grondniveau maar op minstens 2,5 meter hoogte (woning type bel-etage). In de bijlage 4.5.1 van Vlarem I waarin procedures worden vastgelegd voor het meten en beoordelen van geluid, is het begrip 'grondniveau' niet weerhouden als maatstaf bij de weergave en interpretatie van meetresultaten. De geluidsvoorwaarden van Vlarem gelden ten opzichte van elk woonniveau. De meetplaats en -hoogte bij geluidsmetingen dienen te worden vastgelegd in functie van de beoordeling van de hinder. Er is evenmin geantwoord op de opmerking van verzoeker dat het ontbrak aan een gemotiveerd voorstel van de geluidsdeskundige over keuze van meetplaats en -hoogte in verband met de geluidsstudie, zoals wordt opgelegd in bijlage 4.5.1 van Vlarem II. Het voorleggen van een gemotiveerd meetvoorstel, dit voorafgaand aan en als onderdeel van de geluidsstudie, had latere discussie desbetreffend kunnen voorkomen. In die zin is het niet redelijk om de opmerking van verzoeker over het ontbreken van een gemotiveerd meetvoorstel als niet gegrond te verklaren"; 3.2.
  3. Overwegende dat de artikelen 4.1.2.1, 4.1.3.
  4. en 4.5.1.1., van Vlarem II voor elke exploitant van een vergunningsplichtige activiteit de verplichting bevatten om steeds de best beschikbare technieken toe te passen, zelfs voor de niet- vergunningsplichtige activiteiten (artikel 4.1.2.1.), om alle noodzakelijke voorwaarden te treffen die nodig zijn om de buurt niet te hinderen (artikel 4.1.3.2.) en om de nodige maatregelen te treffen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken (artikel 4.5.1.1.); dat voormelde artikelen als zodanig verplichtingen bevatten die zich rechtstreeks tot de exploitant richten, los van enige milieuvergunningsvoorwaarde; dat zij niet kunnen worden geschonden door de vergunningsplichtige overheid bij het toekennen van een milieuvergunning; dat het feit dat het bestreden besluit, naar verzoekers mening, geen oplossing biedt voor bepaalde problemen van geluidshinder, geen schending is van voormelde artikelen; dat artikel 4.5.4.
  5. van Vlarem II bepaalt dat, indien bij bestaande inrichtingen het akoestisch onderzoek uitwijst dat het specifieke geluid dat door een klasse 2-inrichting in open lucht wordt voortgebracht, de richtwaarden met minder dan 10 db(A) overschrijdt, de vergunningverlenende overheid, op advies van de afdeling Milieuvergunningen en van de bevoegde gemeentelijke milieudienst, een saneringsplan kan opleggen; dat de verwerende partij, door aan de afdeling Milieuvergunningen een beoordeling van het akoestisch onderzoek te vragen na een eerder uitgebracht advies, alleen maar voormeld artikel toepast; dat het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door een erkend deskundige; dat verzoeker niet aantoont dat dit onderzoek onzorgvuldig zou zijn gebeurd; dat de verwerende partij dit onderzoek VII-23.227-18/23 aldus terecht heeft gebruikt om op de bezwaren van verzoeker te antwoorden; dat de aflopende vergunning van de tussenkomende partij uitdrukkelijk voorziet dat er slechts mag worden gewerkt met gesloten deuren en ramen; dat de nieuwe vergunning deze voorwaarde niet meer uitdrukkelijk voorziet; dat het werken met gesloten deuren en ramen een essentieel element voor de beheersing van de geluidshinder vormt; dat men er moet van uitgaan dat de geluidsmeting die is doorgevoerd gebeurde bij een werking met gesloten ramen en deuren, vermits de op dat moment geldende vergunning dit uitdrukkelijk voorschrijft; dat, aangezien de verwerende partij zich bij haar beoordeling heeft gebaseerd op het feit dat de schrijnwerkerij, werkend met gesloten deuren en ramen, geen geluid produceert dat de richtwaarden met meer dan 10 db(A) overschrijdt, de hinder binnen aanvaardbare normen kan worden beperkt; dat het werken met gesloten deuren en ramen tot de voormelde "best beschikbare technieken" behoort die elke exploitant van een vergunningsplichtige activiteit moet toepassen; dat het tot de discretionaire bevoegdheid van de overheid behoort te bepalen welke bijkomende maatregelen moeten worden opgelegd om geluidshinder te voorkomen; dat verzoeker niet concreet aantoont dat de verwerende partij kennelijk onredelijk heeft gehandeld door geen bijkomende maatregelen op te leggen; dat het bestreden besluit voldoende tegemoetkomt aan alle bezwaren die verzoeker laat gelden; dat het bestreden besluit artikel 50, 3/, b), van Vlarem I bijgevolg niet schendt; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.3.
  6. Overwegende dat verzoeker zich in het eerste onderdeel van het derde middel beroept op de schending van artikel 5, § 2, 10/ en 11/, van Vlarem I, doordat de verwerende partij het aanvraagdossier ten onrechte volledig heeft verklaard, terwijl elke informatie ontbreekt over de impact van het geluid voortgebracht door de houtbewerkingsmachines en er evenmin een volledig exploitatieplan van de inrichting voorligt, aangezien de garages langs de Saffelbergstraat die dienen als stelplaats voor de bedrijfsvoertuigen alsook voor het laden of lossen van hout, niet op het plan zijn aangeduid; dat hij in het tweede onderdeel stelt dat de bepalingen van de artikelen 17, § 1,1/, 32 en 36, 1/, a), van Vlarem I zijn geschonden doordat het akoestisch onderzoek werd toegevoegd na de afsluiting van het openbaar onderzoek, waardoor hij niet in staat was zijn opmerkingen betreffende de resultaten van dat onderzoek te laten gelden; 3.3.
  7. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat verzoeker niet uiteenzet waar de motivering in verband met de onvolledigheid van het plan fout zou zijn, dat garages en een stelplaats van VII-23.227-19/23 voertuigen op het bijgevoegde plan vermeld staan, dat, indien het plan onvolledig zou zijn, dit impliceert dat zaken die niet op het plan zijn vermeld, niet werden vergund en het aan de toezichthoudende overheid toebehoort te controleren of de werkelijkheid al dan niet overeenstemt met de vergunningstoestand, dat dit alleszins geen middel is dat geldig kan worden ingeroepen in het kader van de huidige procedure; dat, wat het akoestisch verslag betreft, zij antwoordt dat dit verslag, ingevolge de bijzondere vergunningsvoorwaarde, werd overgemaakt aan de afdeling Milieuvergunningen en aan de Milieu-inspectie, dat het onderzoek van die administraties bij het administratief dossier is gevoegd zodat niet kan worden ingezien op welke wijze dit onderdeel gegrond zou kunnen zijn; 3.3.
  8. Overwegende dat de tussenkomende partij er op wijst dat de verwerende partij in haar besluit heeft gesteld dat aan de exploitant geen geluidsstudie werd gevraagd bij de indiening van de milieuaanvraag, zodat het ontbreken ervan niet kan leiden tot de onvolledigheid van de aanvraag, dat het niet correct is te stellen dat zij bij haar aanvraag slechts een onvolledig exploitatieplan zou hebben gevoegd, dat zij het milieuvergunningsdossier heeft aangevuld bij schrijven van 21 juni 2000, zodat het dossier op 26 juli 2000 terecht volledig en ontvankelijk werd verklaard, dat de latere toevoeging van het akoestisch verslag geen afbreuk doet aan de eerder vastgestelde volledigheid van het aanvraagdossier; dat zij ten slotte stelt dat het akoestisch verslag ingevolge de bijzondere vergunningsvoorwaarde werd overgemaakt aan de afdeling Milieuvergunningen en aan de Milieu-inspectie conform de bepalingen van Vlarem II; 3.3.
  9. Overwegende dat, wat het eerste onderdeel betreft, uit de samenlezing van de artikelen 5 en 36, 1/, a), van Vlarem I volgt dat, om na te gaan of een aanvraag volledig is, onderzocht moet worden of zij beantwoordt aan de voorschriften van artikel 5 van Vlarem I; dat verzoeker van oordeel is dat paragraaf 2, punten 10 en 11 van artikel 5 van Vlarem I zijn geschonden; dat het geschonden geachte onderdeel van die bepaling luidt als volgt: "§
  10. De vergunningsaanvraag om een inrichting van klasse 1 of 2 te exploiteren of te veranderen, wanneer de verandering overeenkomstig artikel 6bis vooraf vergund dient te worden, wordt ingediend door middel van een milieuvergunningsaanvraagformulier waarvan het model is vastgesteld in bijlage 4, gevoegd bij dit besluit en dat formulier bevat ten minste de volgende gegevens : (....) 10/ de aard, de maximum voorziene hoeveelheid en de fysische, chemische en toxicologische kenmerken van de als hinderlijke ingedeelde opslagplaatsen en van de grondstoffen, tussenprodukten, bijprodukten eindprodukten, afvalstoffen VII-23.227-20/23 en afvalwaters alsmede de geplande bestemming van de afvalstoffen en afvalwaters; de kenmerkende gegevens van de voorziene emissies, afvalstoffen en afvalwaters; 11/ de op basis van de beste beschikbare technieken voorziene maatregelen en/of installaties om : a) zo weinig mogelijk afval te veroorzaken; b) minder gevaarlijke stoffen te gebruiken; c) de in het proces uitgestoten en gebruikte stoffen alsook afval, waar mogelijk, terug te winnen en te recycleren; d) het verbruik van grondstoffen, met inbegrip van water, te beperken en de energie-efficiëntie zo groot mogelijk te maken; e) het algemene effect van de emissies en de risico's op het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken en dit zowel voor geluid, trillingen, stralingen, lucht-, bodem- en waterverontreiniging als voor het gevaar voor de mens buiten de inrichting en het leefmilieu; f) ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken; g) te voldoen aan de algemene en sectorale milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op de inrichting; h) te voldoen aan artikel 14 en artikel 16, § 4 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu"; dat hierin niet gelezen wordt dat een aanvraag moet aangeven welke geluidsemissie een toestel produceert; dat de loutere omstandigheid dat er geen akoestische studie bij de aanvraag was gevoegd bijgevolg niet betekent dat men tot de onvolledigheid van de aanvraag kan besluiten; dat op een tweede inplantingsplan het volledige bedrijf en de garages aan de kant van de Saffelbergstraat staan aangegeven; dat de tweede kritiek van verzoeker derhalve feitelijke grondslag mist; dat het eerste onderdeel niet gegrond is; dat, wat het tweede onderdeel betreft, de tussenkomende partij op eigen initiatief het akoestisch verslag heeft laten opmaken; dat het een stuk betreft dat zij vrijwillig heeft bijgevoegd tot staving van haar aanvraag; dat het niet behoort tot "de vergunningsaanvraag en zijn bijlagen" overeenkomstig artikel 17, §1, 1/, van Vlarem I; dat geen van de in het middel aangehaalde bepalingen de overheid, die in eerste aanleg of in beroep belast is met het onderzoek van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, verbiedt om acht te slaan op stukken die in de loop van de procedure door de aanvrager worden ingediend, tot staving van de aanvraag of ter weerlegging van de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn gemaakt; dat de betrokken overheid ook niet verplicht is om die stukken ter kennis te brengen van de personen die een bezwaar hebben ingediend; dat de procedure voor het college van burgemeester en schepenen en, in beroep, voor de deputatie, immers niet contradictoir verloopt ten opzichte van diegenen die tijdens het openbaar onderzoek een bezwaar hebben ingediend, ook al is de betrokken overheid verplicht om op de ingediende bezwaren te antwoorden; dat het tweede onderdeel niet gegrond is; dat het derde middel bijgevolg niet gegrond is, VII-23.227-21/23 VII-23.227-22/23 BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-23.227-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.157 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.