← België

Arrest 178193 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.193 Rolnummer: A. 182704/X-13257 Zaak: Arrest 178193 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-14 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:49 Fiche Arrest nr 178.193 van 27 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.193 van 27 december 2007 in de zaak A. 182.704/X-13.

  1. In zake :
  2. Luc DE MAESSCHALK,
  3. Katrien PITTOORS, die woonplaats kiezen bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  4. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Luc DE MAESSCHALK en Katrien PITTOORS op 24 april 2007 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 1 maart 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende, eensdeels, inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 14 september 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij het door de verzoekende partijen ingestelde beroep tegen het uitblijven van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Lo-Reninge met betrekking tot een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van een woning gelegen te Lo-Reninge, Zandfoortstraat 7, kadastraal bekend sectie D, nr. 105/e, wordt ingewilligd, en anderdeels, vernietiging van voornoemde beslissing van de bestendige deputatie; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-13.257-1/10 Gelet op de beschikking van 3 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. JONGBLOET, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak zich in de huidige stand van het geding als volgt aandienen : 1.
  6. De verzoekers zijn sinds 21 september 2004 eigenaar van een hoeve met schuur en weiden, gelegen te Lo-Reninge, Zandfoortstraat
  7. Blijkens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 5 februari 1979 vastgestelde gewestplan Diksmuide-Torhout is het goed gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan geldt, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. Aan de rechtsvoorganger van de verzoekers is bij besluit van 15 oktober 2002 een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het slopen van drie loodsen en bij besluit van 2 september 2003 werd een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het slopen van een berging en loods. X-13.257-2/10 1.
  8. Op 23 april 2005 dienen de verzoekers bij het gemeentebestuur van Lo-Reninge een aanvraag in om stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van een eengezinswoning. Het ontwerp voorziet in de verbouwing van de zonevreemde woning binnen het bestaande bouwvolume. De verbouwing bestaat in het plaatsen van een beglaasde deur in de westelijke vleugel en de verbouwing van een bestaande garage tot keuken en in de wijziging van een aantal raam- en deuropeningen en tevens in de lichte uitbreiding van het woongedeelte; 1.
  9. Op 21 september 2005 adviseert de gemachtigde ambtenaar de aanvraag ongunstig : “Overwegende dat uit de gegevens blijkt dat de vroegere stallingen wederrechtelijk werden verbouwd en tot woning werden omgevormd; dat het in feite de uitbreiding betreft van gebouwen niet in functie van de landbouw; dat niet voldaan is aan de uitzonderingsmaatregelen”; In zitting van 27 september 2005 weigert het college van burgemeester en schepenen van Lo-Reninge de vergunning. 1.
  10. In beroep geeft de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen bij beslissing van 14 september 2006 de vergunning af. De motivering luidt in essentie als volgt : “(...) De gemachtigde ambtenaar heeft met betrekking tot het hoofdzakelijk vergund karakter een ongunstig advies verleend naar aanleiding van een vorige aanvraag. Het ongunstig advies was gemotiveerd op grond van het feit dat op 2 september 2003 een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor de afbraak van een loods en de oorspronkelijke bedrijfswoning. Evenwel kan men op de vergunde plannen vaststellen dat de gesloopte woning werd aangeduid als berging en dat de stalling werd aangeduid als woning. Hieruit kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat in 2003 een functiewijziging van stalling naar woning werd vergund. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de woning wel degelijk hoofdzakelijk is vergund ook wat de functie betreft. De aanvraag voldoet dan ook aan alle voorwaarden vereist door artikel 145bis DRO”. 1.
  11. Op 2 oktober 2006 tekent de gemachtigde ambtenaar hoger beroep aan tegen deze beslissing “gelet op het feit dat het verbouwen van een stal tot woning strijdig is met artikel 145bis”. X-13.257-3/10 De beroepsakte is ondertekend als volgt : “Namens de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, Voor V. Lenoir, met verlof, De gemachtigde adjunct van de directeur, J. Vandaele”. Het beroepschrift bevat geen bijlage. 1.
  12. Bij ministerieel besluit van 1 maart 2007 wordt het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingewilligd en de beslissing van 14 september 2006 van de bestendige deputatie vernietigd. Dit is het bestreden besluit;
  13. Ten gronde 2.
  14. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.
  15. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekers uiteenzetten wat volgt: “Het is evident dat verzoekers als bewoners van het betrokken goed door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijden. Verzoekers kochten de hoeve in de staat waarin het zich actueel nog bevindt als een bestaande hoeve. Het gebouw waarvan in uitvoering van de stedenbouwkundige vergunning dd.

(2)september 2003 de sloop werd vergund, was al gesloopt op het ogenblik dat verzoekers het huis kochten. (...) Onmiddellijk na de aankoop betrokken zij het gedeelte van de hoeve die als woning was ingericht, en die op de vergunde plannen eveneens als bestaande woning staat aangegeven. Om hun wooncomfort te verhogen, dienden zij een aanvraag in tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor de inrichting van een keuken in de bestaande garage, de wijziging van een aantal raam- en deuropeningen, en de lichte uitbreiding van het woongedeelte. In het kader van die aanvraag kwam naar voor dat de vorige eigenaar in uitvoering van de stedenbouwkundige vergunning dd. 2 september 2003 klaarblijkelijk zou zijn overgegaan tot de afbraak van de oorspronkelijke X-13.257-4/10 woning, waardoor hen de vergunning werd geweigerd, en waardoor de bewoonbaarheid van de hoeve in het gedrang leek te komen. (...) Teneinde de bewoonbaarheid van de hoeve veilig te stellen, dienden verzoekers een nieuwe aanvraag in, waarin nu uitdrukkelijk de regularisatie wordt gevraagd van de door hun rechtsvoorganger buiten hun weten om doorgevoerde functiewijziging en waarbij de beoogde verbouwing werd beperkt tot het bestaande volume. In afwachting daarvan leefden verzoekers verder in de precaire leefomstandigheden waarin zij het goed hadden betrokken, samen met hun dochtertje. Op 14 september 2006 werd deze vergunning hen door de bestendige deputatie van de Provincie West-Vlaanderen afgeleverd, waarbij werd gesteld dat de functiewijziging reeds stilzwijgend werd vergund bij vergunning dd. 2 september 2003. Hierdoor was het woonrecht dat verzoekers hadden in het gebouw veilig gesteld. Dit besluit was voor verzoekers uiteraard een verlossing. De vergunning betekende immers een oplossing voor een probleem waarvan zij niet op de hoogte waren op het ogenblik van de aankoop, laat staan dat dit probleem door (hen) zou zijn veroorzaakt. Eindelijk konden verzoekers verder gaan met (
  1. de)inrichting van hun woning, waardoor hun dochtertje een eigen kamer zou krijgen waaruit het vocht zou kunnen worden geweerd. Wegens het vocht in de woning diende het dochtertje van verzoekers, dat kampt met (astmaproblemen) immers te slapen in een tent in de slaapkamers van haar ouders (...), eindelijk zou ook de verdieping van de woning kunnen worden ingericht zodat de kledij van verzoekers niet langer in de woonkamer diende te worden gehangen (...), eindelijk zou ook een degelijke badkamer kunnen worden geïnstalleerd (...), en eindelijk zou ook aan het vochtprobleem kunnen worden verholpen (...). In de periode waarin de vergunning van de bestendige deputatie van de Provincie West-Vlaanderen werd afgeleverd vernam tweede verzoekster bovendien dat ze zwanger was van haar tweede kind (...). De aflevering van de vergunning kwam daarom als geroepen, nu dit verzoekers de zekerheid bood dat zij dit kind zouden kunnen ontvangen in een ordentelijke woning. Door het beroep van de door de gemachtigde ambtenaar aangestelde ambtenaar, en door het bestreden besluit, wordt alles echter opnieuw ter discussie gesteld. De bevalling van tweede verzoekster is inmiddels nakend, zonder dat de werkzaamheden die verzoekers hadden gehoopt ervóór te kunnen uitvoeren zijn uitgevoerd. Door het bestreden besluit zijn verzoekers immers in een volstrekte rechtsonzekerheid gedompeld. Doordat immers, zoals in de middelen aangetoond, het beroep dat de Gemachtigde Ambtenaar instelde tegen het vergunningsbesluit van de bestendigde deputatie manifest onwettig was, en dus in principe geen uitwerking kan kennen, beschikken verzoekers vandaag principieel nog over een rechtsgeldige stedenbouwkundige vergunning. Door het bestreden besluit, dat ten onrechte voorbijgaat aan de onontvankelijkheden waarmee het beroep van de gemachtigde ambtenaar is behept, blijft deze rechtsgeldige vergunning echter onuitvoerbaar, en (kunnen) dus de vergunde werken niet worden uitgevoerd. Het bestreden besluit heeft daarnaast in hoofde van verzoekers het effect dat zij in alle redelijkheid ook niet kunnen overgaan tot de uitvoering van de inrichtingswerkzaamheden die niet vergunningsplichtig zijn. Door het bestreden besluit wordt immers de bewoonbaarheid van de hoeve die zij kochten opnieuw in het gedrang gebracht. X-13.257-5/10 Verzoekers kochten een bestaande hoeve, met woongedeelte, waarbij dit woongedeelte op de bij besluit dd. 2 september 2003 vergunde plannen effectief staat aangeduid op de plaats waar dit woongedeelte zich bevond. Door deze vergunning en het vermoeden van wettigheid dat eraan kleeft, hadden verzoekers geen enkele reden om te twijfelen dat wat als woning was ingericht ook effectief een bestaande en vergunde woning was. Later blijkt dat de ware toedracht buiten hun weten om anders was. In zijn vergunningsbesluit heeft de bestendige deputatie van de Provincie West-Vlaanderen geoordeeld dat hoe dan ook de vergunning dd. 2 september 2003, die niet door verzoekers werd aangevraagd, noch werd verkregen, de door de voorganger van verzoekers doorgevoerde functiewijziging stilzwijgend regulariseerde, waardoor het woonrecht in dit woongedeelte werd erkend. Door het bestreden besluit staat dit woonrecht echter opnieuw ter discussie en bevinden verzoekers zich in een situatie van hoogste rechtsonzekerheid, nu zij niettegenstaande de bestaande en tot op vandaag rechtsgeldige vergunning van de bestendige deputatie van de Provincie West-Vlaanderen ingevolge het bestreden besluit van vandaag op morgen riskeren te worden geconfronteerd met een herstelvordering waarbij het woonverbod in de bestaande woning wordt gevorderd. Het hoeft weinig betoog dat voor een gezin met een kleuter en een baby op (komst) zulke situatie van rechtsonzekerheid die volstrekt buiten hen is veroorzaakt, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt. Door de vernietiging van het bestreden besluit, waarbij met zoveel woorden de onontvankelijkheid van het bestreden besluit zou worden vastgesteld, zou de vergunning van de bestendige deputatie van de Provincie West-Vlaanderen meteen haar rechtskracht hernemen (...). Daardoor zou dan ook de rechtsgeldigheid van deze vergunning duidelijk zijn, zou de rechtsonzekerheid een einde nemen, zouden verzoekers een aanvang kunnen nemen met de sanering en inrichting van de woning, en zouden zij minstens de zekerheid hebben dat zij de woning die zij kochten ook als woning mogen gebruiken. Het is dan ook duidelijk dat het bestreden besluit verzoekers een moeilijk te herstellen ernstig nadeel toebrengt, nu zij enkel en alleen door dit besluit worden verhinderd in de tenuitvoerlegging van de hun door de bestendige deputatie van West-Vlaanderen verleende stedenbouwkundige vergunning die tot op de dag van vandaag volstrekt rechtsgeldig was, nu ze niet op een regelmatige wijze werd aangevochten door de gemachtigde ambtenaar. In zijn rechtspraak aanvaardde Uw Raad reeds herhaaldelijk dat het nadeel dat verzoekende partijen lijden door de onuitvoerbaarheid van een door een bestendige deputatie afgeleverde en principieel rechtsgeldige vergunning ingevolge een Ministerieel Besluit dat ten onrechte besluit tot de ontvankelijkheid van het beroep van de gemachtigde ambtenaar dat tegen deze vergunning is gericht een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel is, dat de schorsing van tenuitvoerlegging van het bestreden besluit kan schragen (...)”; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij, in verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel als volgt repliceert: “1. Verzoekende partijen beschouwen het als evident dat zij als bewoners van het betrokken goed door de tenuitvoerlegging van een bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijden. Zij betogen dat de werken, waarvoor de vergunning werd aangevraagd, noodzakelijk is (zijn) om de bewoonbaarheid van de hoeve veilig te stellen. Het besluit van 14 september 2006 van de Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen betekende voor verzoekende partijen ‘een verlossing’. X-13.257-6/10 Verzoekende partijen verduidelijken hiertoe dat door het verder kunnen gaan met de inrichting van hun woning hun dochtertje een eigen kamer zou krijgen waaruit het vocht zou kunnen worden geweerd in plaats van dat zij diende te slapen in een tent in de slaapkamer van haar ouders omwille van haar astmaproblemen. Bovendien ‘vernam’ tweede verzoekende partij in de periode waarin de vergunning van de Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen werd afgeleverd ‘dat ze zwanger was van haar tweede kind’. Ook daarvoor kwam de aflevering van de vergunning ‘als geroepen’. Door het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar werd wel alles terug ter discussie gesteld. Hierdoor werden verzoekende partijen in een volstrekte rechtsonzekerheid gedompeld. Verzoekende partijen roepen deze rechtsonzekerheid ‘die volstrekt buiten hen is veroorzaakt’ in als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Door de vernietiging van het bestreden besluit zou volgens verzoekende partijen de vergunning van de Bestendige Deputatie van de Provincie van West-Vlaanderen meteen haar rechtskracht hernemen. Daardoor zou de rechtsonzekerheid een einde nemen. 2. De rechtsonzekerheid zou volgens verzoekende partijen het gevolg zijn van het ten onrechte ontvankelijk verklaren van het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar tegen het besluit van 14 september 2006 van de Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen. De ongegrondheid van de op grond van art. 53 § 2 van het Coördinatiedecreet gesteunde middelen heeft tot gevolg dat de door verzoekende partijen omschreven rechtsonzekerheid gesteund is op een verkeerde inschatting en een verkeerde lezing of toepassing van deze wetsbepaling. Op zich toont dit reeds aan dat er geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt bewezen. Tevens wordt ten onrechte beweerd dat in geval van gegrondheid van de ingeroepen middelen en de onontvankelijkheid van het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar ‘de vergunning van de Bestendige Deputatie van de Provincie van West-Vlaanderen meteen haar rechtskracht (zou) hernemen’. Zelfs indien de door verzoekende partijen ingeroepen middelen zouden leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit - quod certe non - , dan nog betekent dit niet dat verzoekende partijen reeds over de nodige stedenbouwkundige vergunning zouden beschikken. Een vernietigingsarrest staat immers niet gelijk met een vergunning. Het besluit van 14 september 2006 van de Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen wordt door een vernietigingsarrest niet uitvoerbaar. De uitvoering van dit besluit werd ingevolge het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar geschorst. De beroepsinstantie dient alleszins, ook na een (eventueel) vernietigingsarrest, terug uitspraak te doen. In (een) arrest (...) wordt geoordeeld dat uit het onderzoek van het (door de aanvrager) ingesteld beroep (tot nietigverklaring) blijkt dat de Gemachtigde Ambtenaar zijn beroep bij de regering niet op regelmatige wijze heeft ingediend en dat bijgevolg het Ministerieel Besluit (tot verwerping van de bouwaanvraag) moet vernietigd worden. In het arrest wordt aan deze vernietiging de veroordeling van de Minister verbonden om opnieuw uitspraak te doen over het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar. Zelfs in de redenering van verzoekende partijen is een nieuwe formele administratieve beslissing derhalve noodzakelijk na een eventueel vernietigingsarrest van uw Raad. Een eventuele schorsing zou dan ook niet tot gevolg hebben dat het door verzoekende partijen ingeroepen nadeel - in zoverre bewezen en gegrond zou zijn - meteen zou ophouden. X-13.257-7/10 (...)”; 2.2.3.1. Overwegende dat het voorwerp van de bouwaanvraag die de verzoekers op 23 april 2005 bij het college van burgemeester en schepenen van Lo- Reninge indienen, de verbouwing betreft van een zonevreemde woning, binnen het bestaande bouwvolume; dat de geplande verbouwing bestaat in de inrichting van een keuken in de bestaande garage, de wijziging van een aantal raam- en deuropeningen en de lichte uitbreiding van het woongedeelte; dat de verbouwing tevens bestaat in het plaatsen van een beglaasde deur in de westelijke vleugel; 2.2.3.2. Overwegende dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat de verzoekers aanvoeren, vooreerst te wijten is aan hun eigen toedoen, wat op het eerste gezicht ondermeer blijkt uit de volgende passus van het bestreden besluit, die steun vindt in het administratief dossier en als volgt luidt: “Overwegende dat uit de historiek van het dossier blijkt dat het huidig woongebouw nooit vergund of vergund geacht geweest is als woning; dat nergens in enige beslissing sprake is van een functiewijziging van bedrijfsgebouwen naar wonen; dat in het advies van de gemachtigde ambtenaar dd. 27 augustus 2003 er evenmin sprake is van een dergelijke functiewijziging; dat, zowel in het advies van de afdeling Land als in de nota van de architect en ondertekend door de aanvrager, van een functiewijziging geen sprake is, er is alleen sprake van een slopingsaanvraag voor berging en loods; dat het duidelijk is dat de stedenbouwkundige vergunning van 2 september 2003 uitsluitend betrekking had op het slopen van berging en loods, dat uit het proces-verbaal van 30 augustus 2005 blijkt dat de uitgevoerde werken (slopen van bergingen, alsook de oorspronkelijke woning) werden uitgevoerd in opdracht van zowel de vorige eigenaar als de huidige eigenaar; dat de aanvrager bijgevolg goed wist, zelfs vóór de aankoop van het goed, dat deze functiewijziging werd doorgevoerd zonder de vereiste vergunning; dat de voorgestelde uitbreiding of verbouwing van de bewuste woning, in casu de omvorming van de garage tot keuken en de andere werken, onmogelijk kunnen vergund worden in toepassing van het eerder vermelde artikel 145bis (van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening), omdat aan één van de primordiale toepassingsvoorwaarden, namelijk het voorhanden zijn van een vergunde woning, niet is voldaan”; 2.2.3.3. Overwegende dat vervolgens de nadelen die de verzoekers aanvoeren in verband met het vochtprobleem in het gebouw, indirecte nadelen zijn die voortvloeien uit de toestand van het gebouw, waarin het zich bevond op het tijdstip van de aankoop door de verzoekers, en niet uit het bestreden besluit, nog daargelaten de vraag of het behandelen van vochtproblemen in een gebouw de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning vereist; dat hetzelfde geldt voor het aangevoerde nadeel in verband met het gebrek aan wooncomfort; X-13.257-8/10 2.2.3.4. Overwegende dat daaraan wordt toegevoegd dat de overige nadelen die de verzoekers aanvoeren, met name het niet verder kunnen inrichten van de woning en het niet kunnen installeren van een degelijke badkamer, op het eerste gezicht te wijten zijn aan de bestemmingsvoorschriften van het gebied waarin het goed is gelegen; dat het goed dat de verzoekers aankochten immers is gesitueerd in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, krachtens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 5 februari 1979 vastgestelde gewestplan Diksmuide-Torhout; dat de verzoekers in de huidige stand van het geding niet aannemelijk maken dat het gebouwencomplex dat zij aankochten ooit werd vergund; 2.2.3.5. Overwegende dat de verzoekers voorts aanvoeren dat zij door het bestreden besluit in een volstrekte rechtsonzekerheid zijn gedompeld; dat de bestreden beslissing evenwel geen “rechtsonzekerheid” meebrengt; dat bovendien rechtsonzekerheid op zich geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt; Overwegende dat de verzoekers tevens wijzen op de ernst van de aangevoerde middelen om hun moeilijk te herstellen ernstig nadeel te adstrueren; Overwegende dat artikel 17,§2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat zowel een ernstig middel moet voorhanden zijn als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit slechts mogelijk is mits voornoemde grondvoorwaarden cumulatief zijn vervuld; dat de beweerde ernst van de aangevoerde middelen bijgevolg niet relevant is om de ernst van het nadeel te beoordelen; 2.3. Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17,§2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te verwerpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-13.257-9/10 Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig december 2007, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. D. MOONS. X-13.257-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.193 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.079 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.531 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.