id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.231 Rolnummer: A. 180719/XIV-28525 Zaak: Arrest 178231 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 28/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-15 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:49 Fiche Arrest nr 178.231 van 28 december 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.231 van 28 december 2007 in de zaak A. 180.719/XIV-28.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 19 januari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 4 december 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen; Gelet op de beschikking nr. 287 van 1 maart 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. BRACKE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; XIV-28.525-1/5 Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 39/18, 39/65, 48/4 en 49/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, (Vreemdelingenwet) van artikel 3 van het E.V.R.M. en van “de principes van behoorlijk bestuur” opwerpt; dat zij aanvoert dat de beslissingen in het openbaar moeten worden uitgesproken en gemotiveerd moeten zijn, dat de motivering afdoende moet zijn, dit wil zeggen steun moet vinden in het administratief dossier, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar beslissing op onvolledige elementen heeft gebaseerd en het dossier achteloos heeft behandeld alhoewel voldoende aanwijzingen bestaan om te besluiten tot een reële vrees voor het leven en de fysieke integriteit van de verzoekende partij bij een terugkeer naar het land van herkomst, dat de door de verzoekende partij neergelegde documenten worden verworpen omdat zij niet zouden voldoen aan artikel 13 van het K.B. van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, dat de verzoekende partij die documenten op de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal heeft voorgelegd en dat zij in de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen worden betrokken zodat zij vertaald zijn geweest, deel uitmaken van het dossier en niet verworpen kunnen worden, dat artikel 39/18 van de Vreemdelingenwet op de datum van de bestreden beslissing van toepassing is en enkel betrekking heeft op het deel van de procedure dat begint met het inleiden van het verzoekschrift, dat niet duidelijk is dat artikel 13 van het K.B. van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hierdoor niet zou zijn afgeschaft, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen met de stukken uit het administratief dossier rekening had moeten houden, temeer daar zij nominatim in de beslissing van de commissaris-generaal waren opgesomd, dat de artikelen 48/4 en 49/3 van de Vreemdelingen- wet zijn geschonden omdat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zonder enige redenering slechts stelt dat de verzoekende partij geen elementen heeft aangevoerd om de subsidiaire bescherming toe te kennen, dat het door artikel 3 van het E.V.R.M. beschermde recht absoluut is, dat de Tsjetsjeense afkomst van de verzoekende partij op zichzelf niet wordt betwist ook al wordt haar verweten haar identiteit niet voldoende te hebben bewezen, dat de situatie in Tsjetsjenië sedert 2004 nog is verslechterd, dat de verzoekende partij naar XIV-28.525-2/5 eerdere rechtspraak van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verwijst waarin een gegronde vrees voor vervolging van Tsjetsjenen werd aanvaard omwille van de grove mensenrechtenschendingen aldaar, dat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom nu van die rechtspraak wordt afgeweken, dat het conflict tot de naburige republieken is uitgebreid en dat Tsjetsjenen in gans de Russische federatie worden vervolgd;
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de “principes van behoorlijk bestuur” er derhalve niet op van toepassing zijn; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de artikelen 39/18 en 39/65 van de Vreemdelingenwet, zoals ingevoegd door de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, betrekking hebben op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doch niet op de bestreden beslissing; dat artikel 235, § 4, van de voornoemde wet van 15 september 2006 immers bij wijze van overgangsmaatre- gel bepaalt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de beroepen afhandelt “volgens de voorschriften die gelden daags voor de inwerkingtreding van deze bepaling” wanneer er, zoals in casu, al een rechtsdag was bepaald; dat het middel ook in die mate niet- ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet stelt dat “elk vonnis (...) met redenen (is) omkleed”; dat artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen met redenen worden omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak; dat de asielaanvraag van de verzoekende partij met de bestreden beslissing op omstandig gemotiveerde wijze wordt verworpen omwille van de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas en omdat uit haar verklaringen blijkt dat zij “in het totaal vier jaar zonder problemen te ondervinden elders in Rusland verbleven heeft (en zij dus) meer dan een vluchtalternatief had in Rusland”; dat ook wordt besloten dat de verzoekende partij geen elementen heeft aangebracht die tot het toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus leiden; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het document van de verzoekende partij waaruit zou moeten blijken dat haar oom bij een aanslag op een Russische militaire kolonne om het leven is gekomen, niet zomaar bij gebrek aan een eensluidende vertaling wordt verworpen; dat de XIV-28.525-3/5 Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het stuk wel degelijk in haar beoordeling heeft betrokken vermits zij in de bestreden beslissing overweegt dat “nergens uit blijkt dat de persoon die bij de mislukte aanslag om het leven is gekomen, de oom van appellant is of dat appellant bij dit incident aanwezig was”; dat, ook al zou de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ten onrechte een vertaling van het stuk eisen, een eventuele schending wat dat betreft niet tot cassatie kan leiden vermits die schending niet de strekking van de bestreden beslissing heeft beïnvloed; dat, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, uit het administratief dossier niet blijkt dat de documenten waarvan zij heeft verklaard dat het convocaties zijn en het document waarvan zij heeft verklaard dat het een medisch attest is, op de dienst Vreemdelingenzaken of op het commissariaat-generaal zouden zijn vertaald; dat het middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij verder in de uiteenzetting van het middel zowel de afwijzing van haar asielaanvraag als van de subsidiaire beschermings- status betwist en daartoe naar de artikelen 48/4 en 49/3 van de Vreemdelingenwet en artikel 3 van het E.V.R.M. verwijst; dat de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen precedentswaarde hebben en dat de beroepen individueel worden behandeld; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er in de oproepingsbrief van 10 oktober 2006 voor haar zitting van 24 november 2006 op heeft gewezen dat haar bevoegdheid ingevolge artikel 235, § 1, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd uitgebreid tot het onderzoek of voldaan was aan de voorwaarden om de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen; dat nergens uit blijkt dat de verzoekende partij toen bepaalde elementen met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus heeft aangevoerd, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de bestreden beslissing kon volstaan met de vaststelling “dat appellant geen gegevens aanbrengt dat hij valt onder de bepalingen van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot het verlenen van subsidiaire bescherming”; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij in het middel haar eigen standpunt weergeeft en een andere feitelijke beoordeling van de zaak voorstelt, dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; XIV-28.525-4/5 Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwin- tig december tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-28.525-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.231 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.