← België

Cassatiebeschikking 1005 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.005 Rolnummer: A. 184292/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1005 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-03 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-06-30 04:49 Fiche Beschikking nr 1.005 van 26 juli 2007 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1005 van 26 juli 2007 in de zaak A. 184.292. In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij Advocaat C. LIEKENDAEL, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 251/13 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van onbepaalde nationaliteit en van Syrische afkomst, op 5 juli 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nummer 121 van 15 juni 2007; Gelet op de ontvangst, op 24 juli 2007, van het dossier van de zaak; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur, en van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij de schending van voornoemde artikelen 52 en 62 niet met concrete gegevens uiteenzet en dat de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals uit de benaming alleen reeds blijkt, niet van toepassing zijn op de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dat een administratief rechtscollege is; dat in de mate dat de verzoekende partij aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een schending van zijn appreciatiebevoegdheid verwijt, dit een heronderzoek van de feiten impliceert, hetgeen niet behoort tot de bevoegdheid van de Raad van State als administratieve cassatierechter; dat het eerste middel kennelijk niet ontvankelijk is; 184.292-1/3 Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de formele motiveringplicht zoals opgenomen in artikel 62 van de Vreemdelingenwet en in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat voornoemde wet van 29 juli 1991 en artikel 62 van de Vreemdelingenwet derhalve niet van toepassing zijn op zijn beslissingen; dat het tweede middel kennelijk niet ontvankelijk is; Overwegende dat, daargelaten de vraag of machtsafwending als cassatiemiddel tegen een jurisdictionele beslissing kan worden aangewend, de verzoekende partij niet concreet uiteenzet op welke wijze machtsafwending zou zijn gepleegd; dat het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is op de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dat een administratief rechtscollege is; dat het derde middel kennelijk niet ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 1, A,

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, geen rechtstreekse werking in het Belgische recht heeft, zodat het vierde middel kennelijk niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 184.292-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op zesentwintig juli tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. A. BEIRLAEN. 184.292-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.005 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.