← België

Cassatiebeschikking 1025 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.025 Rolnummer: A. 184390/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1025 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-03 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-30 04:50 Fiche Beschikking nr 1.025 van 27 juli 2007 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1025 van 27 juli 2007 in de zaak A. 184.390. In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij Advocaat Ch. DIERCKX, kantoor houdende te 4020 LUIK, Quai du Condroz 11 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, op 17 juli 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nummer 111 van 15 juni 2007; Gelet op de ontvangst, op 25 juli 2007, van het dossier van de zaak; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van artikel 1 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelin- gen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 48/4 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de appreciatiebevoegdheid en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; Overwegende dat artikel 1, A

(2)van de Vluchtelingenconventie geen rechtstreekse werking heeft en derhalve op zichzelf niet dienstig kan worden ingeroepen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele 184.390-1/2 beslissingen uitspreekt, waarop de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing zijn; dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals uit de benaming alleen reeds blijkt, evenmin van toepassing zijn op de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat met de kritiek op de appreciatie van haar asielrelaas door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de verzoekende partij in wezen beoogt dat de Raad van State van de feiten kennis zou nemen en de zaak opnieuw zou onderzoeken; dat dit evenwel niet tot de bevoegdheid behoort van de Raad van State als cassatierechter; dat de aanvrager van de subsidiaire beschermingsstatus, met name wat betreft de vraag of hij bij een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet zou lopen, niet met een verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst kan volstaan maar dat hij enig verband met zijn persoon aannemelijk moet maken, ook al is daartoe geen individuele bedreiging vereist; dat de verzoekende partij, van wie de XXXXX afkomst niet vaststaat, door ongeloofwaardige verklaringen af te leggen betreffende haar voorgehouden verblijf in XXXXX, zelf het bewijs van dergelijk verband met haar persoon onmogelijk maakt; dat in de bestreden beslissing aldus op wettige wijze op grond van de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de verzoekende partij tot het niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus kon worden besloten; dat het enig middel kennelijk niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op zevenentwintig juli tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. A. BEIRLAEN. 184.390-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.025 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.