id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 augustus 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.101 Rolnummer: A. 184450/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1101 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/08/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-14 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 04:51 Fiche Beschikking nr 1.101 van 9 augustus 2007 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1101 van 9 augustus 2007 in de zaak A. 184.450. In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE RAAD VAN STATE, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Belarussische nationaliteit, op 20 juli 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nummer 244 van 21 juni 2007; Gelet op de ontvangst, op 1 augustus 2007, van het dossier van de zaak; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste en een derde middel de schending aanvoert van een hele reeks wetsartikelen en verdragsbepalingen, van de “motiveringsvereiste” en van de jurisdictionele motiveringsplicht, van het gelijkheidsbe- ginsel, van de rechten van de verdediging, omdat zij meent dat de door haar ingediende kopieën van oproepingen wel degelijk bewijskrachtig zijn, dat het origineel vonnis en de nota van Advocaat K wel authentiek zijn, en dat zij kort voor de zitting op 15 juni 2007 een memorie met bijkomende stukken heeft ingediend ter staving van haar relaas; dat zij meent dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze documenten niet in overweging heeft genomen en niet motiveert waarom; dat zij tevens meent dat er “voor zover de nieuwe stukken niet zouden kunnen aangewend worden in de lopende procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen” een prejudiciële vraag moet worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof, met name “of artikel 39/60 en 39/76 van de Vreemdelingenwet 184.450-1/4 geschonden worden zo er geoordeeld zou worden dat er bepaalde nieuwe gegevens/stukken zouden zijn die niet kunnen worden ingeroepen”; Overwegende dat artikel 39/76, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de voorwaarden bepaalt waaronder nieuwe elementen kunnen worden aangebracht en waaronder een replieknota kan worden ingediend; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de documenten ingediend door de verzoekende partij, met name de kopieën van de oproepingen, het origineel vonnis van 3 september 2006 en een nota van Advocaat K in overweging heeft genomen en heeft vermeld in zijn arrest, maar er geen bewijskracht aan hecht en motiveert waarom hij deze mening is toegedaan; dat de Raad de memorie van 15 juni 2007 niet in aanmerking heeft genomen, omdat het “een niet in de procedure voorzien stuk” betreft en uit de debatten wordt geweerd; dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij aan de procedurele voorwaarden van artikel 39/76 van de Vreemdelin- genwet voldeed noch dat deze bepaling zou zijn miskend; dat uit het voorgaande blijkt dat artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet waarborgt dat een vreemdeling in de loop van de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nieuwe stukken kan indienen, binnen duidelijk afgelijnde grenzen, zodat de prejudiciële vraag zoals geformuleerd door de verzoekende partij, niet hoeft te worden gesteld; Overwegende dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals uit de benaming alleen reeds blijkt, niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dat een administratief rechtscollege is; dat de verzoekende partij de schending van het gelijkheidsbeginsel niet met concrete gegevens uiteenzet; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt, waarop de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is; dat artikel 149 van de Grondwet stelt dat “elk vonnis (...) met redenen (is) omkleed”; dat in de bestreden beslissing wordt weergegeven welke grieven de verzoekende partij tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen liet gelden, waarna die grieven worden besproken; dat de door de verzoekende partij gegeven inhoudelijke kritiek op de motivering niet gelijkstaat met een gemis aan redengeving en derhalve geen verband houdt met het vormvereiste van artikel 149 van de Grondwet; dat de verzoekende partij, in de mate dat zij de motieven van de bestreden beslissing inhoudelijk aanvecht, in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat het eerste middel kennelijk ongegrond, minstens kennelijk niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de rechten van de verdediging en van artikel 6 van het Europees 184.450-2/4 Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op betwistingen in verband met de toegang, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen; dat de rechten van verdediging als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op jurisdictionele beslissingen; dat wat de door de verzoekende partij ingediende documenten betreft, uit hetgeen hierboven reeds werd gesteld blijkt dat rekening werd gehouden met de ingediende documenten, en dat werd gemotiveerd waarom haar memorie van 15 juni 2007 niet in aanmerking werd genomen; dat het middel kennelijk ongegrond, minstens kennelijk niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 1 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet en opnieuw van “de motiveringsvereiste”; Overwegende dat artikel 1, A
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.