← België

Cassatiebeschikking 1104 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/08/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 augustus 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.104 Rolnummer: A. 184457/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1104 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/08/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-14 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-30 04:51 Fiche Beschikking nr 1.104 van 9 augustus 2007 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1104 van 9 augustus 2007 in de zaak A. 184.

  1. In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE RAAD VAN STATE, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van onbepaalde nationaliteit, op 23 juli 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nummer 212 van 20 juni 2007; Gelet op de ontvangst, op 1 augustus 2007, van het dossier van de zaak; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 48, 49 en 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 52, § 1, a) van de Vreemdelingenwet, dat zij bevoegdheids- overschrijding aanvoert, de schending van het redelijkheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht, dat zij in de toelichting bij het middel nog de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; 184.457-1/3 Overwegende dat de verzoekende partij niet aanduidt welke bepalingen van het Vluchtelingenverdrag zouden zijn geschonden; dat het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op beslissingen van administratieve rechtscolleges zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen; dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe de artikelen 48 en 49 van de Vreemde- lingenwet door de bestreden beslissing zouden zijn geschonden; Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en als dusdanig niet van toepassing is op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen een administratief rechtscollege is, zodat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing zijn op zijn beslissingen; dat de verzoekende partij, door aan te voeren dat de tegenstrijdigheden uit het asielrelaas geen ontegensprekelijke contradicties zouden zijn, en door kritiek te geven op de appreciatie door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in wezen beoogt dat de Raad van State van de feiten kennis zou nemen en de zaak opnieuw zou onderzoeken, hetgeen niet behoort tot de bevoegdheid van de Raad van State als administratieve cassatierechter; dat de verzoekende partij niet met concrete gegevens aanduidt waaruit de bevoegdheidsoverschrijding bestaat; dat het eerste middel kennelijk niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 52, § 1, 7/ van de Vreemdelingenwet, dat zij bevoegdheids- overschrijding aanvoert en de schending van de materiële motiveringplicht; dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet, zoals reeds hoger werd gesteld, betrekking heeft op de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en als dusdanig niet van toepassing is op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat de verzoekende partij niet met concrete gegevens aanduidt waaruit de bevoegdheidsoverschrijding bestaat; dat de verzoekende partij met haar uiteenzetting wederom beoogt dat de Raad van State van de feiten kennis zou nemen en de zaak opnieuw zou onderzoeken, hetgeen niet behoort tot de bevoegdheid van de Raad van State als administratieve cassatierechter; dat het tweede middel kennelijk niet ontvankelijk is, 184.457-2/3 BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op negen augustus tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. M.-R. BRACKE. 184.457-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.104 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.