id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 augustus 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.127 Rolnummer: A. 184520/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1127 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/08/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-16 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-30 04:52 Fiche Beschikking nr 1.127 van 10 augustus 2007 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1127 van 10 augustus 2007 in de zaak A. 184.
- In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij Advocaat N. BEIRNAERT, kantoor houdende te 9160 LOKEREN, Durmelaan 10 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE RAAD VAN STATE, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Russische nationaliteit, op 25 juli 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nummer 481 van 28 juni 2007; Gelet op de ontvangst, op 2 augustus 2007, van het dossier van de zaak; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 16 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, omdat het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de gekozen woonplaats van de verwerende partij niet vermeldt; dat het door de verzoekende partij uiteengezette belang bij dit middel niet opgaat, nu zij als bijlage bij haar verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met begeleidende brief bijvoegt, waarin duidelijk het adres van de verwerende partij wordt vermeld, en zij dit adres in huidig verzoekschrift heeft opgenomen; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van de zorgvuldigheidsplicht als algemeen rechtsbeginsel aanvoert; dat de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals de naam het zelf zegt, niet van toepassing zijn op 184.520-1/3 jurisdictionele beslissingen van een administratief rechtscollege zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat de feitelijke appreciatie van de door de verzoekende partij betwiste tegenstrijdigheden niet behoort tot de bevoegdheid van de Raad van State als administratieve cassatierechter; dat in het bestreden arrest op onderbouwde wijze wordt gemotiveerd waarom de status van vluchteling aan de verzoekende partij geweigerd wordt, evenals waarom haar de subsidiaire beschermingsstatus niet wordt toegekend; dat het tweede middel, zoals door de verzoekende partij geadstrueerd, beoogt dat de Raad van State van de feiten kennis zou nemen en de zaak opnieuw zou onderzoeken; dat een dergelijk middel kennelijk niet ontvankelijk is in graad van administratieve cassatie; Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat in de bestreden beslissing de middelen van de verzoekende partij worden weergegeven, waarna deze telkens worden weerlegd zodat tot de verwerping van het beroep wordt besloten; dat de door de verzoekende partij gegeven inhoudelijke kritiek op de motivering niet gelijkstaat met een gemis aan redengeving; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat de feitelijke appreciatie van de door de verzoekende partij betwiste tegenstrijdigheden niet behoort tot de bevoegdheid van de Raad van State als administratieve cassatierechter; Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending aanvoert van “de elementaire rechten van de mens” en van de artikelen 1, 3, 6 en andere van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat de verzoekende partij de schending van de artikelen 1 en 6 van het E.V.R.M. niet met concrete gegevens uiteenzet, evenmin als de schending van “de elementaire rechten van de mens”; dat zij in haar uiteenzetting betreffende artikel 3 van het E.V.R.M., verwijst naar haar asielrelaas, waarbij zij haar eigen standpunt hierover weergeeft en een andere feitelijke beoordeling van de zaak voorstelt, waarvoor de Raad van State als adminstratieve cassatierechter echter niet bevoegd is; dat het vierde middel kennelijk niet ontvankelijk is, 184.520-2/3 BESLUIT: Artikel
- Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op tien augustus tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. M.-R. BRACKE. 184.520-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.127 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.