id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 augustus 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.128 Rolnummer: A. 184523/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1128 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/08/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-16 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 04:52 Fiche Beschikking nr 1.128 van 10 augustus 2007 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1128 van 10 augustus 2007 in de zaak A. 184.
- In zake :
- XXXXX,
- XXXXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat K. VAN BELLINGEN, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Jaargetijdenlaan 54 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE RAAD VAN STATE, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX en XXXXX, van Armeense nationaliteit, op 25 juli 2007 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nummer 355 van 22 juni 2007 ; Gelet op de ontvangst, op 2 augustus 2007, van het dossier van de zaak; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste onderdeel van het enig middel de schending aanvoeren van de motiveringsverplichting en van artikel 39/10, eerste lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), omdat de weigering van hun verzoek om te verschijnen voor een kamer met drie rechters niet op gemotiveerde wijze werd ingewilligd; dat uit het bestreden arrest blijkt dat hun verzoek werd afgewezen omdat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift en verzoek tot voortzetting hiertoe geen elementen aanbrachten en dat er evenmin ambtshalve een grond was; dat tevens uit het verslag van de zitting van 23 maart 2007, dat zich bevindt in het administratief dossier, blijkt dat de verzoekende partijen ter zitting van 23 maart 2007, bijgestaan door hun advocaat, zijn verschenen voor een kamer met één rechter zonder hierover opmerkingen te maken; dat het eerste onderdeel van het enig middel kennelijk ongegrond is; 184.523-1/3 Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede onderdeel van het middel de schending aanvoeren van artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet en van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat artikel 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet de voorwaarden bepaalt waaronder nieuwe elementen kunnen worden aangebracht; dat de verzoekende partijen niet aantonen dat zij aan deze procedurele voorwaarden voldeden noch dat deze bepaling zou zijn miskend; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door de verzoekende partijen ingediende fax trouwens in overweging heeft genomen, maar heeft geoordeeld dat er geen bewijswaarde aan kan worden gehecht; dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op betwistingen in verband met de toegang, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen; dat het tweede onderdeel van het enig middel kennelijk ongegrond, minstens kennelijk niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde onderdeel aanvoeren dat de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schriftelijk is en dat de vertegenwoordiger van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ter zitting geen afstand kon doen van een exceptie opgenomen in haar verweerno- ta; dat de verzoekende partijen hun belang bij dit middelonderdeel niet aantonen, nu de afstand van een exceptie van onontvankelijkheid van het door hen opgestelde verzoekschrift louter in hun voordeel speelde; dat het derde onderdeel van het enig middel kennelijk niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. 184.523-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op tien augustus tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. M.-R. BRACKE. 184.523-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.128 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.