← België

Cassatiebeschikking 1534 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.534 Rolnummer: A. 185663/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1534 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 04:56 Fiche Beschikking nr 1.534 van 22 november 2007 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1534 van 22 november 2007 in de zaak A. 185.663 In zake :

  1. XXXXX (alias XXXXX),
  2. XXXXX, die woonplaats kiezen bij advocaat S. BUYSSE, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX en XXXXX, beiden van Wit- Russische nationaliteit, op 30 oktober 2007 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 2074 van 28 september 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 9 november 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het bestreden arrest uitvoerig weergeeft op welke gronden de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot het besluit is gekomen dat de door de verzoekende partij voorgelegde stukken vervalst zijn; dat het middel in zijn eerste onderdeel machtsoverschrijding door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet duidelijk maakt; dat het middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de bestreden beslissing expliciet vaststelt in overweging 1.9 dat de beide partijen aangaande de uitwisseling van toelichtende nota’s geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om nog een replieknota in te dienen, en dat zij zich ter 185.663-1/3 zitting schikken naar de wijsheid van de Raad; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de rechten van de verdediging niet gerespecteerd werden; dat het middel in zijn tweede onderdeel kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar luid van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondge- bied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen of hervormen, of vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eveneens de beslissing van de commissaris-generaal kan vernietigen en voor een nieuw onderzoek naar de commissaris-generaal terugsturen indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen; dat de artikelen 39/69 en 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet het de partijen bovendien mogelijk maken onder bepaalde voorwaarden nieuwe gegevens ter kennis van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te brengen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen derhalve kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en dat het om een beroep met volle rechtsmacht gaat; dat de Raad in casu het asielrelaas van de verzoekende partij uitvoerig ten gronde heeft onderzocht en bijkomend onderzoek heeft bevolen; dat het middel in zijn derde onderdeel kennelijk ongegrond is; Overwegende dat niet kan worden ingezien hoe, wanneer stukken van de verwerende partij niet in aanmerking worden genomen omdat zij niet vertaald zijn, hierdoor de rechten van de verzoekende partij zouden zijn geschonden, zoals het middel in zijn vierde onderdeel lijkt te stellen; dat het middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als dusdanig geen bindende kracht heeft; dat, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, het Europees Hof van Justitie in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C- 540/03 uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat de verzoekende partij in de uiteenzetting van het middel verder nog een uitgebreide theoretische beschouwing aangaande artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden weergeeft, maar nalaat deze concreet te betrekken op het bestreden arrest; dat het middel in zijn vijfde onderdeel kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in het opschrift van het middel nog de schending opwerpt van artikel 235 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet zonder er in het middel op terug te komen; dat zij die 185.663-2/3 bepalingen niet op het bestreden arrest betrekt, zodat het middel alleen al om die reden en in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op tweeëntwintig november tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 185.663-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.534 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.