id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.593 Rolnummer: A. 185598/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1593 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-03 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 04:57 Fiche Beschikking nr 1.593 van 27 november 2007 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1593 van 27 november 2007 in de zaak A. 185.598 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Syrische nationaliteit, op 24 oktober 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 2026 van 27 september 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 9 november 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) derhalve niet van toepassing zijn op zijn arresten; dat het middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet stelt dat “elk vonnis (...) met redenen (
- is)omkleed”; dat artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met redenen zijn omkleed; dat de verzoekende partij zich sub
- a)en
- b)in het middel beperkt tot enkele algemene 185.598-1/3 opmerkingen doch daarmee geen schending van de voornoemde bepalingen aannemelijk maakt; dat in het bestreden arrest het asielrelaas van de verzoekende partij wordt weergege- ven, gevolgd door de middelen die zij tegen de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft doen gelden en de bespreking van ieder middel; dat daarmee aan de motiveringsplicht als vormvereiste van jurisdictionele beslissingen is voldaan; dat de verzoekende partij in haar asielrelaas zelf heeft aangehaald dat haar vader van het lidmaatschap van de moslimbroederschap werd verdacht en dat zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aangevoerd waarom zij niet meer over haar vader wist, zodat in het bestreden arrest zonder schending van de motiveringsplicht of de rechten van verdediging kon worden ingegaan op de geloofwaardigheid van de voorgehouden vervolging van de vader; dat in het bestreden arrest wel degelijk de verklaring van de verzoekende partij wordt vermeld dat zij het land illegaal zou hebben verlaten, doch dat die verklaring en de verwijzing naar een aantal algemene rapporten niet als een bewijs van bedreiging of vervolging in de zin van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, worden aanvaard; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om wat dat betreft in de beoordeling van de aangehaalde feiten te treden; dat het middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de aanvrager van de subsidiaire beschermingsstatus, met name wat betreft de vraag of hij bij een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet zou lopen, niet met een verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst kan volstaan maar dat hij enig verband met zijn persoon aannemelijk moet maken, ook al is daartoe geen bewijs van een individuele bedreiging vereist; dat de verzoekende partij door ongeloofwaardige verklaringen af te leggen, zelf het bewijs van dergelijk verband met haar persoon onmogelijk maakt; dat in de bestreden beslissing aldus op wettige wijze op grond van de ongeloofwaar- digheid van de verklaringen van de verzoekende partij en het gebrek aan andere feiten kon worden besloten tot een gebrek aan elementen waaruit een reëel risico op ernstige schade in de zin van het voornoemde artikel 48/4 blijkt en derhalve tot het niet-toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus; dat het middel ook in die mate ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. 185.598-2/3 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op zevenentwintig november tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 185.598-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.593 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div