id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.624 Rolnummer: A. 185665/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1624 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-11 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 04:57 Fiche Beschikking nr 1.624 van 29 november 2007 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1624 van 29 november 2007 in de zaak A. 185.665 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. TIELEMAN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Ugandese nationaliteit, op 30 oktober 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 2164 van 28 september 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 9 november 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geen bindende kracht heeft; dat het Europees Hof van Justitie in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar de verzoekende partij verwijst, uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het eerste middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar luid van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen 185.665-1/3 (Vreemdelingenwet) de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen, hervormen, vernietigen wegens een substantiële onregelmatig- heid, of vernietigen omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen; dat de artikelen 39/69 en 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet het de partijen bovendien mogelijk maken onder bepaalde voorwaarden “nieuwe gegevens” ter kennis van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te brengen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tenslotte de beslissing van de commissaris-generaal kan vernietigen en voor een nieuw onderzoek naar de commissaris- generaal terugsturen indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en derhalve kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en dat het om een beroep met volle rechtsmacht gaat; dat het eerste middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij op de dienst Vreemdelingenza- ken heeft verklaard dat zij de tolk (Engels) goed begreep, dat zij geen bezwaar tegen de tolk had en dat zij het gehoorverslag uitdrukkelijk heeft aanvaard; dat zij het aldus ook heeft ondertekend; (administratief dossier, stuk 21) dat het middel feitelijke grondslag mist waar de verzoekende partij stelt dat zij niet door een tolk werd bijgestaan; dat een en ander des te meer klemt nu de verzoekende partij, zoals in het bestreden arrest wordt overwogen, zelf bij haar antwoord op een vragenlijst een Engelstalig verslag van vijf bladzijden heeft gevoegd waarin wordt gesteld: “Ik, ondergetekende (...) verklaar op mijn woord van eer dat ik dit formulier eerlijk en zo getrouw mogelijk heb ingevuld zoals mij door betrokkene in de Engelse taal werd gedicteerd”; (administratief dossier, stuk 6) dat de verzoekende partij op het commissariaat-generaal heeft voor het eerst een tolk Luanda heeft gevraagd en dat alsdan werd afgesproken dat het gehoor aldaar met een tolk Luanda zou geschieden; dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet met betrekking tot de aanwezigheid van een tolk derhalve niet werd geschonden en dat het tweede middel kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet derhalve niet van toepassing zijn op zijn arresten; dat de kritiek op de voorgehouden afwezigheid van een tolk in het tweede middel reeds ongegrond is bevonden; dat de uiteenzetting van het middel voor het overige betrekking heeft op de feitelijke beoordeling van een aantal elementen, doch dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het derde middel ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en voor het overige kennelijk ongegrond is; 185.665-2/3 Overwegende dat de aanvrager van de subsidiaire beschermingsstatus, met name wat betreft de vraag of hij bij een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet zou lopen, niet met een verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst kan volstaan maar dat hij enig verband met zijn persoon aannemelijk moet maken, ook al is daartoe geen bewijs van een individuele bedreiging vereist; dat de verzoekende partij met een ongeloofwaardig relaas, zonder andere elementen aan te halen, zelf het bewijs van dergelijk verband met haar persoon onmogelijk maakt; dat in het bestreden arrest aldus op wettige wijze op grond van de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de verzoekende partij tot het niet-toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus kon worden besloten; dat het vierde middel in die mate kennelijk ongegrond is en kennelijk niet-ontvankelijk is in de mate dat een nieuwe feitelijke beoordeling wordt voorgesteld, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op negenentwintig november tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 185.665-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.624 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.