← België

Cassatiebeschikking 1777 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.777 Rolnummer: A. 185871/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1777 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-09 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 04:58 Fiche Beschikking nr 1.777 van 21 december 2007 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1777 van 21 december 2007 in de zaak A. 185.871 In zake :

  1. XXXXX,
  2. XXXXX, die woonplaats kiezen bij advocaat L. DENYS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX en XXXXX, van Iraanse nationaliteit, op 15 november 2007 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 2578 van 12 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 30 november 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat een tegenstrijdigheid in de motivering niet gelijk staat met een gemis aan redengeving en derhalve geen verband houdt met het in artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) vastgelegde vormvereiste voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om zijn arresten met redenen te omkleden; dat het bestreden arrest bovendien is gesteund op de vaststelling dat de verzoekende partijen “niet aannemelijk (maken) dat personen met een aan hen gelijkaardig profiel bij een terugkeer naar Iran gevaar zouden lopen” en dat in hunnen hoofde geen vrees voor vervolging in de zin van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, (Vluchtelingenverdrag) bestaat, 185.871-1/3 motief dat geen verband houdt met de kwestie van een mogelijk “gebrek aan oprechtheid” van de aanvraag als “réfugié sur place” en waaraan in het middel wordt voorbijgegaan; dat het eerste middel, voor zover ontvankelijk, niet tot cassatie van het bestreden arrest kan leiden; Overwegende dat in het bestreden arrest concreet wordt uiteengezet waarom niet tot een vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag wordt besloten, in het bijzonder met betrekking tot de activiteiten van de verzoekende partijen in België; dat daarmee aan het vormvereiste van artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet is voldaan; dat ook naar de behandeling van het eerste middel kan worden verwezen en dat het tweede middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is; Overwegende dat artikel 1, A, 2) van het Vluchtelingenverdrag geen rechtstreekse werking in het Belgische recht heeft; dat het derde middel kennelijk niet- ontvankelijk is; Overwegende dat voor de afwijzing van de subsidiaire beschermingsstatus in het bestreden arrest met verwijzing naar de behandeling van de asielaanvraag ook wordt gesteund op het in het eerste middel besproken motief; dat de verzoekende partijen in de uiteenzetting van het middel in wezen een andere feitelijke beoordeling van de aanvraag tot toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus vragen, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter onbevoegd is; dat het vierde middel kennelijk niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op éénentwintig december tweeduizend en zeven, door : 185.871-2/3 de HH. C. ADAMS, staatsraad, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 185.871-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.777 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.