← België

Cassatiebeschikking 1791 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.791 Rolnummer: A. 185810/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1791 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-21 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 04:59 Fiche Beschikking nr 1.791 van 21 december 2007 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1791 van 21 december 2007 in de zaak A. 185.810 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 41 bus 8 tegen : de Belgische staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Macedonische nationali- teit, op 12 november 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 2380 van 8 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 26 november 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in twee middelen de schending opwerpt van de artikelen 2.2, 3, 7 en 10 van Richtlijn 2004/38/EG inzake het recht op vrij verkeer en verblijf voor de burgers van de EU en hun familieleden, van de artikelen 40 en 41 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, en van het gelijkheids- en het non-discriminatiebeginsel; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest overweegt dat “het grens overschrijdend aspect dat door de richtlijn wordt vereist ontbreekt in casu, zodat het Europees gemeenschapsrecht niet van toepassing is”; dat 185.810-1/3 de verzoekende partij niet betwist, enerzijds dat zij geen EU-burger is, en anderzijds dat het Belgische kind bij wie zij zich wenst te vestigen geen aanspraak maakt op vrij verkeer over de grenzen van de lidstaten; dat de verzoekende partij evenmin voldoet aan de definitie van “familielid”, zoals bepaald in de artikelen 2, 2,

  1. d)juncto 3, 2,
  2. a)van Richtlijn 2004/38, zodat deze niet op haar van toepassing is, los van de vraag naar de rechtstreekse werking ervan; dat de overwegingen in de preambule van de Richtlijn geen bindende rechtskracht hebben, zodat de voorgehouden schending ervan niet dienstig kan worden aangevoerd; dat de in het middel aangehaalde interpretatie van Richtlijn 2004/38 handelt over het verblijfsrecht voor EU-burgers, een hoedanigheid die de verzoekende partij niet bezit; dat artikel 41, derde lid, van de Vreemdelingenwet handelt over het recht op binnenkomst, doch niet over het recht op vestiging; dat de verzoekende partij met haar stelling dat zij over voldoende eigen inkomsten beschikt, bevestigt dat zij niet afhankelijk is van haar kind, en dat artikel 40 van de Vreemdelingenwet derhalve niet van toepassing is; dat schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt dat gelijke gevallen onterecht ongelijk worden behandeld, en dat de verzoekende partij in de toelichting zelf aangeeft dat zij een vergelijking maakt tussen ongelijke gevallen, namelijk een kind met de Belgische nationaliteit en een kind met een andere Europese nationaliteit; dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet handelen om de Belgen en hun rechten en artikel 191 om de bescherming verleend aan de persoon en aan de goederen van vreemdelingen, zodat de verzoekende partij discriminatie en de schending van deze artikelen niet aannemelijk maakt; dat de middelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond zijn, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op éénentwintig december tweeduizend en zeven, door : 185.810-2/3 de HH. C. ADAMS, staatsraad, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 185.810-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.1.791 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.