← België

Cassatiebeschikking 138 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 24/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 24 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.138 Rolnummer: A. 180192/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 138 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 24/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-31 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-30 05:00 Fiche Beschikking nr 138 van 24 januari 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 138 van 24 januari 2007 in de zaak A. 180.192 In zake : XXXXX, tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, op 9 januari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 20 december 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 19 januari 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van de artikelen 57/6 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen is echter een administratief rechtscollege waarop deze wettelijke voorschriften niet van toepassing zijn. In een tweede middel wordt machtsafwending ingeroepen en de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Wie machtsafwending aanvoert, moet daartoe voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens aanbrengen waaruit kan worden afgeleid, 1/3 dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden nagestreefd. Opdat daarenboven van machtsafwending sprake kan zijn, moet het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden beslissing zijn geweest. Dit wordt hier niet aangetoond. Zoals uit de benaming alleen reeds blijkt, zijn de beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen welke een administratief rechtscollege is. In een derde middel wordt de schending ingeroepen van het recht van verdediging. Het middel komt er, samengevat, op neer dat de verzoekende partij beweert niet de kans te hebben gekregen, haar problemen in het land van herkomst, voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uiteen te zetten. Uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt dat de verzoekende partij voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen werd gehoord en aldus de kans heeft gekregen haar standpunt en alle relevante elementen uiteen te zetten. Het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen maakt op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uit. In een vierde middel wordt de schending ingeroepen van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, goedgekeurd bij wet van 26 juni

  1. Deze verdragsbepaling heeft echter geen rechtstreekse werking. In een vijfde middel wordt de schending ingeroepen van de subsidiaire bescherming (wet van 15 september 2006). Een middel dat op zulk een summiere wijze is ontwikkeld laat de Raad van State niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. In een zesde middel wordt de schending ingeroepen van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), goedgekeurd bij wet van 13 mei
  2. Artikel 3 van het EVRM stelt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Deze verdragsbepaling kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden ingeroepen, namelijk wanneer er ernstige en zwaarwichtige gronden zijn dat er bij terugleiding naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing. De uiteenzetting van het middel is echter summier en beperkt zich tot loutere beweringen. De verzoekende partij blijft in gebreke te bewijzen dat de verwijdering van het grondgebied van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van deze verdragsbepaling. Verder zet de verzoekende partij niet concreet uiteen waarin de schending van artikel 8 EVRM zou bestaan. 2/3 In een zevende middel wordt de schending ingeroepen van artikel 1 van het verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, aangenomen te New York op 10 december 1984, goedgekeurd bij wet van 9 juni
  3. De verzoekende partij toont niet aan dat zij dit middel heeft ingeroepen voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen en laat na de concrete elementen aan te geven waarom zij bij “(terugkeer) naar zijn land (...) wordt blootgesteld aan opzettelijk hevige pijn en hevig leed”. Een middel dat op zulk een summiere wijze is ontwikkeld laat de Raad van State niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op vierentwintig januari tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. 3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.