← België

Cassatiebeschikking 172 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 30/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.172 Rolnummer: A. 180350/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 172 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 30/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-06 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-30 05:01 Fiche Beschikking nr 172 van 30 januari 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 172 van 30 januari 2007 in de zaak A. 180.

  1. In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. TACK, kantoor houdende te 9000 GENT, Onderbergen 57 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Libische nationaliteit, op 18 januari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 7 december 2006 waarbij wordt geweigerd de verzoekende partij als vluchteling te erkennen; Gelet op de ontvangst, op 26 januari 2007, van het dossier van de zaak; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 57/11, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat hij wegens zijn gebrekkige kennis van het Nederlands niet begrepen had waartoe het bericht tot afhaling van de aangetekende zending waarbij hem de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd betekend, diende, dat er derhalve sprake is van overmacht, dat de termijn om beroep aan te tekenen bij de Vaste Beroepscommissie derhalve pas begon te lopen van werkelijke kennisname van de beslissing van de Commissaris-generaal, dat verzoeker alles in het werk heeft gesteld om van deze beslissing kennis te nemen, zodat hem geen nalatigheid kan worden verweten; 180.350-1/3 Overwegende dat de vraag of er overmacht aanwezig is, uitsluitend toekomt aan de feitenrechter; dat het de Raad van State, optredend als administratief cassatierechter, niet toekomt zijn beoordeling hieromtrent in de plaats van die van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen te stellen; dat de Raad immers geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt en als administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 6 van het E.V.R.M.; dat verzoeker echter niet aantoont dat de beslissing van de Commissaris-generaal hem niet op rechtsgeldige wijze werd betekend; dat verzoekers argumenten met betrekking tot de gevraagde tweede betekening niet ter zake dienend zijn, nu blijkt dat, wanneer -zoals in voorliggend geval- de eerste kennisgeving rechtsgeldig is geschied; dat het tweede middel kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op dertig januari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, 180.350-2/3 C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. 180.350-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.172 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.