id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.291 Rolnummer: A. 181011/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 291 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 06/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-19 Raadplegingen: 46 - laatst gezien 2026-06-30 05:05 Fiche Beschikking nr 291 van 6 maart 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 291 van 6 maart 2007 in de zaak A. 181.
- In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Eedgenotenstraat 51 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, op 6 februari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 20 december 2006 waarbij wordt geweigerd de verzoekende partij als vluchteling te erkennen; Gelet op de ontvangst, op 21 februari 2007, van het dossier van de zaak; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 57/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen doordat de vraag of de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich kon blijven beroepen op de verhoornota’s die door de Dienst Vreemdelingenzaken niet conform de bij koninklijk besluit vastgestelde procedure werden opgesteld, een princiepskwestie is en dat bijgevolg het beroep moest worden behandeld door een kamer met drie rechters; Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt vermeld dat niet elk juridisch argument een principiële vraag is welke een behandeling met drie rechters XIV-181.011-1/3 verantwoordt; dat verzoeker thans zijn argumentatie herhaalt, zonder evenwel aan te duiden op welke wijze de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen met dit oordeel de wet of substantiële vormvereisten zou hebben geschonden; dat het eerste middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk niet gegrond is; Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van “het motiveringsbeginsel”, van de artikelen 57/22 en 62 van de Vreemdelin-genwet, van artikel 149 van de Grondwet, en van de artikelen 17 en 18 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dient gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, doordat het verhoorverslag opgemaakt door de Dienst Vreemdelingenzaken de naam van de tolk niet vermeldt; Overwegende dat daargelaten de vraag of “het motiveringsbeginsel” en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 dienstig kunnen worden aangevoerd ten aanzien van de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, uit het administra- tief dossier blijkt dat in het gehoorrapport van de Dienst Vreemdelingenzaken melding wordt gemaakt van het identificatienummer van de tolk; dat deze vermelding aldus de identificatie van de tolk mogelijk maakt, zodat voldaan is aan het vereiste van artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003; dat het middel feitelijke grondslag mist; dat bijgevolg de schending van het motiveringsbeginsel, de artikelen 57/22 en 62 van de wet van 15 december 1980, artikel 149 van de Grondwet en 18 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 niet langer dienstig kunnen worden aangevoerd, BESLUIT: Artikel
- Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-181.011-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op zes maart tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-181.011-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.291 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.