← België

Cassatiebeschikking 320 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 09/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.320 Rolnummer: A. 181062/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 320 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 09/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-19 Raadplegingen: 43 - laatst gezien 2026-06-30 05:06 Fiche Beschikking nr 320 van 9 maart 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 320 van 9 maart 2007 in de zaak A. 181.

  1. In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat T. HERMANS, kantoor houdende te 9300 AALST, Leopoldlaan 32 A, bus 1-2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Iranese nationaliteit, op 15 februari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 20 december 2006 waarbij wordt geweigerd hem te erkennen in de hoedanigheid van vluchteling; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 26 februari 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 97 van de Grondwet, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van het redelijkheids- beginsel, op grond van de overweging dat “indien er een zorgvuldig onderzoek was voorafgegaan aan de bestreden beslissing, rekening houdend met de uitgebreide en correcte informatie die verzoekende partij heeft verstrekt, (...) redelijkerwijze nooit tot de weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling in hoofde van de verzoekende partij 181.062-1/3 (zou) zijn besloten, zeker niet omwille van het door de Vaste Beroepscommissie aangehaalde argument”; dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van artikel 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), “doordat de bestreden beslissing verzoekende partij de facto verplicht naar Iran terug te keren”; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een administratief rechtscollege is; dat derhalve jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat bijgevolg noch artikel 62 van de Vreemdelingenwet, noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen op haar beslissingen van toepassing zijn; dat artikel 97 van de Grondwet bepaalt dat alleen Belgen minister kunnen zijn; dat niet wordt ingezien hoe de bestreden beslissing deze bepaling zou kunnen hebben geschonden; dat de verzoekende partij met het tweede middel, zoals door haar geadstrueerd, in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt, hetgeen niet behoort tot de bevoegdheid van de Raad van State als administratieve cassatierechter; dat, wat het derde middel betreft, artikel 33 van de Vluchtelingenconventie een verbod tot uitzetting of terugleiding inhoudt dat enkel betrekking heeft op beslissingen op grond waarvan de vreemdeling, die als vluchteling is erkend of nog in de asielprocedure zit, verplicht zou worden naar zijn land van herkomst terug te keren; dat dit artikel daarom niet van toepassing is op de verzoekende partij en bijgevolg niet dienstig kan worden aangevoerd; dat de verzoekende partij tenslotte niet kan worden gevolgd waar zij, in een vierde middel, een schending aanvoert van artikel 3 van het E.V.R.M., “doordat de bestreden beslissing verzoekende partij de facto verplicht naar Iran terug te keren”, aangezien de bestreden beslissing geen verwijderingsmaatregel inhoudt; Overwegende dat, bij ontstentenis van een ontvankelijk rechtsmiddel, het administratief cassatieberoep zelf niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  3. 181.062-2/3 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op negen maart tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. 181.062-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.320 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.