id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.321 Rolnummer: A. 181105/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 321 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 09/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-19 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-06-30 05:06 Fiche Beschikking nr 321 van 9 maart 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 321 van 9 maart 2007 in de zaak A. 181.
- In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat E.STESSENS, kantoor houdende te 2400 MOL, Colburnlei 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Russische nationaliteit, op 16 februari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 10 januari 2007 waarbij wordt geweigerd hem te erkennen in de hoedanigheid van vluchteling; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 26 februari 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een administratief rechtscollege is, dat bijgevolg jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat bijgevolg artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op haar beslissingen; dat het eerste middel niet-ontvankelijk is; Overwegende, met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M), dat de verzoekende partij moet aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat zij in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering 181.105-1/2 of mensonterende behandeling; dat de bescherming via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat de eenvoudige vrees voor een onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M. en dat de verzoekende partij zich enkel beperkt tot het betoog dat zij bij een terugkeer opnieuw zal worden gearresteerd en opnieuw martelingen en mishandelingen zal dienen te doorstaan; dat de verzoekende partij derhalve geen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. aannemelijk maakt; dat het tweede middel kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op negen maart tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. 181.105-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.321 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.