id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.329 Rolnummer: A. 181242/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 329 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 12/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-16 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 05:06 Fiche Beschikking nr 329 van 12 maart 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 329 van 12 maart 2007 in de zaak A. 181.242 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. VERPOORTEN, kantoor houdende te 2400 MOL, Rode Kruislaan 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd.VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, op 16 februari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 9 januari 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, waarbij het beroep ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 1 maart 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van de hoorplicht opwerpt; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de verzoekende partij met een oproepingsbrief van 22 november 2006 werd opgeroepen voor de zitting van 9 januari 2007 en aldaar werd gehoord samen met haar advocaat; dat derhalve aan de hoorplicht is voldaan; dat het eerste middel kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van de motiveringsplicht, zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, opwerpt; dat de XIV-181.242-1/2 Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een administratief rechtscollege is en jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat bijgevolg de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op haar beslissingen; dat het middel niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel opwerpt en een betoog houdt over de echtheid van de neergelegde medische attesten; dat het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet op jurisdictionele beslissingen van toepassing is; dat de verzoekende partij in de uiteenzetting van het middel in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt; waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat het middel niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op twaalf maart tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-181.242-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.329 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.