← België

Cassatiebeschikking 336 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 13/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.336 Rolnummer: A. 181070/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 336 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 13/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-21 Raadplegingen: 41 - laatst gezien 2026-06-30 05:06 Fiche Beschikking nr 336 van 13 maart 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 336 van 13 maart 2007 in de zaak A. 181.

  1. In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX op 15 februari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 12 december 2006 waarbij wordt geweigerd hem te erkennen in de hoedanigheid van vluchteling; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 26 februari 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet stelt dat “elk vonnis (...) met redenen (is) omkleed”; dat artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen bepaalt dat de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen met redenen worden omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak; dat in de bestreden beslissing het asielrelaas van de verzoekende partij wordt weergegeven waarna op omstandig gemotiveerde wijze wordt besloten dat niet blijkt dat de verzoekende partij haar land heeft verlaten omwille van vervolging of eventuele andere prangende veiligheidsproble- men en moeilijkheden, dat zij niet aantoont dat zij de bescherming van haar land niet kan of wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het internatio- 181.070-1/3 naal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) en dat zij niet aannemelijk maakt aanspraak te kunnen maken op de subsidiaire beschermingsstatus; dat het middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat er geen betwisting bestaat over de identiteit, nationaliteit en herkomst van de verzoekende partij, dat daarin geen weigeringsmotief ligt en dat de kritiek van de verzoekende partij wat dat betreft derhalve niet tot cassatie kan leiden; dat de verzoekende partij met haar uiteenzetting over een foutieve toetsing aan de Vluchtelingenconventie in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat de verzoekende partij niet uiteenzet op welke andere wijze het gelijkheidsbeginsel of de rechten van de verdediging zouden zijn geschonden; dat het middel in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is; Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op dertien maart tweeduizend en zeven, door : 181.070-2/3 de HH. C. ADAMS, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. 181.070-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.336 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.