← België

Cassatiebeschikking 362 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 27/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.362 Rolnummer: A. 181643/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 362 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 27/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-30 Raadplegingen: 42 - laatst gezien 2026-06-30 05:07 Fiche Beschikking nr 362 van 27 maart 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 362 van 27 maart 2007 in de zaak A. 181.643 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat L. VERHEYEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 12 b 6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd.VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Nepalese nationaliteit, op 12 maart 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 31 januari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, waarbij het beroep ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 19 maart 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) derhalve niet van toepassing zijn op haar beslissingen; dat artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 enkel betrekking heeft op de bevoegdheden van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de verzoekende partij voor het overige de motivering van de bestreden beslissing op algemene wijze betwist, doch dat de Raad van State als administratieve 181.643-1/3 cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het eerste middel niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op jurisdictionele beslissingen; dat, daargelaten de vraag of machtsafwending als cassatiemiddel tegen een jurisdictionele beslissing kan worden aangewend, de verzoekende partij niet uiteenzet op welke wijze machtsafwending zou zijn gepleegd; dat het tweede middel niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij en haar raadsman op de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 10 januari 2007 zijn gehoord en dat het asielrelaas en het standpunt van de verzoekende partij in de bestreden beslissing worden weergegeven; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij niet de kans heeft gehad haar visie uiteen te zetten waardoor de rechten van de verdediging zouden zijn geschonden; dat het derde middel kennelijk ongegrond is; Overwegende dat artikel 1, A, 2) van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, geen rechtstreekse werking heeft, zodat het vierde middel niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij met een algemene verwijzing naar het verbod op een mensonterende en mensonwaardige behandeling en naar het recht op een socio-economisch welzijn niet concreet uitwerkt hoe de artikel 3 en 8 van het E.V.R.M. zouden zijn geschonden; dat het vijfde middel niet-ontvankelijk, minstens kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij evenmin concreet uitwerkt hoe artikel 1 van het verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of mensonterende behandeling of bestraffing zou zijn geschonden; dat het zesde middel niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 181.643-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op zevenentwintig maart tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. 181.643-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.362 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.