id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 28 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.371 Rolnummer: A. 181440/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 371 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 28/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-02 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 05:07 Fiche Beschikking nr 371 van 28 maart 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 371 van 28 maart 2007 in de zaak A. 181.
- In zake : XXXXX, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, op 27 februari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 17 januari 2007 waarbij wordt geweigerd hem te erkennen in de hoedanigheid van vluchteling; Gelet op de ontvangst, op 13 maart 2007, van het dossier van de zaak; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 57/12 en 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en stelt dat “wanneer een zaak door één rechter wordt behandeld, de redenen hiervan moeten blijken uit de beslissing of beslissingen genomen door de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen”; Overwegende dat artikel 57/12, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen zoals het van kracht was op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing bepaalde: 181.440-1/2 “Wanneer de voorzitter of de door hem gemachtigde bijzitter, na inzage van het verzoekschrift, oordeelt, dat het beroep onontvankelijk of kennelijk ongegrond is, kan hij het beroep zelf behandelen als alleenrechtsprekend lid. (...)”; dat deze bepaling niet voorschrijft dat in het dispositief van de eindbeslissing desgevallend uitdrukkelijk moet worden vermeld dat het beroep kennelijk ongegrond is; dat de gemachtigde bijzitter besliste het beroep van verzoeker als alleenrechtsprekend lid te behandelen omdat dit beroep hem na inzage van het verzoekschrift kennelijk ongegrond voorkwam; dat, door als alleenrechtsprekend lid over het beroep van verzoeker uitspraak te doen en de behandeling ervan derhalve niet naar een drieledige kamer te verwijzen, de gemachtigde bijzitter impliciet maar zeker heeft te kennen gegeven dat zijn eerste indruk naderhand werd bevestigd; dat het enig middel niet tot cassatie kan leiden, BESLUIT: Artikel
- Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op achtentwintig maart tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. 181.440-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.371 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.