← België

Cassatiebeschikking 438 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 18/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.438 Rolnummer: A. 182089/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 438 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 18/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-24 Raadplegingen: 46 - laatst gezien 2026-06-30 05:09 Fiche Beschikking nr 438 van 18 april 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 438 van 18 april 2007 in de zaak A. 182.089 In zake : XXXXX, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd.VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, op 29 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 14 februari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, waarbij het beroep ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 10 april 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet stelt dat “elk vonnis (...) met redenen (is) omkleed”; dat in de bestreden beslissing het asielrelaas van de verzoekende partij wordt weergegeven waarna op omstandig gemotiveerde wijze wordt besloten dat er geen elementen zijn om in in hoofde van de verzoekende partij bij een terugkeer naar XXXXX een vrees voor vervolging in de zin van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) in aanmerking te nemen; dat het eerste middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij verder in de uiteenzetting van het eerste middel in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat artikel 1 van de 182.089-1/2 Vluchtelingenconventie geen directe werking in het Belgische recht heeft; dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de rechten van de verdediging niet geschonden worden door, ter weerlegging van de algemene verklaring van de verzoekende partij dat zij niet kan geloven dat er vrede in XXXXX zou zijn, te verwijzen naar tal van concrete bronnen waaruit blijkt dat de situatie in XXXXX na de gebeurtenissen van 18 mei 2006 grondig is gewijzigd; dat het tweede middel kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op achttien april tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. 182.089-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.438 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.