← België

Cassatiebeschikking 453 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 20/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.453 Rolnummer: A. 182060/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 453 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 20/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-25 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 05:10 Fiche Beschikking nr 453 van 20 april 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 453 van 20 april 2007 in de zaak A. 182.060 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. LAUWERS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waversesteenweg 214 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd.VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 14 maart 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 17 januari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, waarbij het beroep ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 10 april 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) betrekking heeft op de ontvankelijkheidsfase doch niet op beslissingen die de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de gegrondheidsfase heeft genomen; dat die bepaling derhalve niet op de bestreden beslissing van toepassing is; dat de asielaanvraag met de bestreden beslissing niet “manifest onontvankelijk” wordt verklaard, zoals de verzoekende partij in de uiteenzetting van het middel stelt; dat artikel 1 van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 geen rechtstreekse werking in het Belgische recht heeft; dat de 182.060-1/3 verzoekende partij met de uiteenzetting van het middel in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt, waarbij zij voorbijgaat aan de concrete motivering van de bestreden beslissing; dat de Raad van State daar als administratieve cassatierechter niet voor bevoegd is; dat de eerste tak van het eerste middel niet-ontvankelijk is; Overwegende dat in de bestreden beslissing concreet wordt aangegeven waarom de onduidelijkheid van de reisweg als “een negatieve indicatie van de geloofwaardig- heid” wordt beschouwd; dat het slechts één van de vele motieven in de bestreden beslissing betreft; dat daaruit geen schending van het recht op een eerlijk proces kan worden afgeleid; dat de tweede tak van het eerste middel kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de inhoud van artikel 10, 1, d) van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, door artikel 25 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen letterlijk in het nieuwe artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet is overgeno- men; dat de verzoekende partij geen schending van een andere bepaling uit die Richtlijn opwerpt; dat de vraag naar de directe werking van de voornoemde Richtlijn en naar de vraag of die Richtlijn al dan niet volledig is omgezet in het Belgische recht derhalve niet relevant is voor de oplossing van het geschil, zodat dienaangaande geen prejudiciële vraag hoeft te worden gesteld; dat de verzoekende partij voorbijgaat aan de concrete motieven op grond waarvan haar asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden; dat het tweede middel, voor zover ontvankelijk, derhalve kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 182.060-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op twintig april tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. 182.060-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.453 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.