id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.463 Rolnummer: A. 182219/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 463 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 23/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-02 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-30 05:10 Fiche Beschikking nr 463 van 23 april 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 463 van 23 april 2007 in de zaak A. 182.219 In zake : XXXXX, tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, op 28 maart 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 6 februari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij het beroep wordt verworpen, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 27 februari 2007; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 17 april 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In een eerste middel en een derde middel roept de verzoekende partij de schending in van de artikelen 48/2 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de materiële motiveringsplicht. Volgens de verzoekende partij zou de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar beslissing ten onrechte baseren op tegenstrijdige overwegingen en op “manifest verkeerde interpretaties” om haar het vluchtelingenstatuut te ontzeggen. Zij stelt verder dat de Vaste Beroepscommissie de weigering tot toekenning van het subsidiaire beschermingsstatuut onvoldoende motiveert. 1/3 Het komt niet aan de Raad van State toe het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen. Luidens art. 14, §2, R.v.St.-wet treedt de afdeling administratie van de Raad van State in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf”. Het middel waarin de verzoekende partij wil aantonen dat hij aan de voorwaarden van art. 1, (A), 2, van het Vluchtelingenverdrag beantwoordt, kan niet in aanmerking worden genomen. Voorts stelt de bestreden beslissing vast dat de verzoekende partij geen elementen aanbrengt die aantonen dat zij van de subsidiaire bescherming kan genieten. Deze motivering volstaat. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van het recht van verdediging. Volgens de verzoekende partij zou de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar beslissing ten onrechte hebben gegrond op passages uit interviews “die volstrekt onleesbaar zijn” en zou dit een schending uitmaken van haar inzagerecht in het dossier. De verzoekende partij maakte voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen melding van enige onleesbaarheid van de interviews en voerde evenmin aan dat er sprake zou zijn van een schending van het recht van verdediging. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op drieëntwintig april tweeduizend en zeven, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. E. BREWAEYS. 3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.463 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.