id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.500 Rolnummer: A. 182580/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 500 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 07/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-15 Raadplegingen: 45 - laatst gezien 2026-06-30 05:11 Fiche Beschikking nr 500 van 7 mei 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 500 van 7 mei 2007 in de zaak A. 182.580 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. LAUWERS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waversesteenweg 214 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd.VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 19 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 22 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, waarbij het beroep wordt verworpen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 2 mei 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) betrekking heeft op de ontvankelijkheidsfase doch niet op beslissingen die de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de gegrondheidsfase heeft genomen; dat die bepaling derhalve niet op de bestreden beslissing van toepassing is; dat de asielaanvraag met de bestreden beslissing niet “manifest onontvankelijk” wordt verklaard, zoals de verzoekende partij in de uiteenzetting van het middel stelt; dat artikel 1 van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 geen rechtstreekse werking in het Belgische recht heeft; dat de 182.580-1/3 verzoekende partij met de uiteenzetting van het middel in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierech- ter niet voor bevoegd is; dat het eerste middel niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de inhoud van artikel 10, 1, d) van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, door artikel 25 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen letterlijk in het nieuwe artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet is overgeno- men; dat de verzoekende partij wel uitgebreid uiteenzet waarom zij als lid van een groep in de zin van de voornoemde bepaling zou moeten worden beschouwd, maar eraan voorbijgaat dat haar asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden; dat het tweede middel in die mate niet tot cassatie kan leiden; Overwegende dat de verzoekende partij in het opschrift van het tweede middel nog verwijst naar artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, dat betrekking heeft op de subsidiaire beschermingsstatus; dat de verzoekende partij zich in dat middel beperkt tot de stelling dat zij als lid van een groep wordt vervolgd, hetgeen betrekking heeft op de vraag om erkenning als vluchteling; dat zij echter niet ingaat op de subsidiaire beschermingsstatus, laat staan uiteenzet hoe de voornoemde bepaling zou zijn geschonden; dat het tweede middel in die mate niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 182.580-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op zeven mei tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 182.580-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.500 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.