← België

Cassatiebeschikking 505 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 08/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.505 Rolnummer: A. 182388/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 505 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 08/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-15 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-30 05:11 Fiche Beschikking nr 505 van 8 mei 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 505 van 8 mei 2007 in de zaak A. 182.388. In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij Advocaat St. LAUWERS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waversesteenweg 214 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 11 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 22 maart 2007 waarbij wordt geweigerd hem te erkennen in de hoedanigheid van vluchteling; Gelet op de ontvangst, op 20 april 2007, van het dossier van de zaak; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker in een enig middel, eerste onderdeel, de schending aanvoert van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 1, 2 van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker in een tweede onderdeel de schending aanvoert van artikel 48/4 van voormelde wet van 15 december 1980, van artikel 10, 1, d, van de richtlijn 2004/83/EG van de Europese Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft; 182.388-1/2 Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op de bevoegdheid van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat deze bepaling dan ook niet dienstig kan worden aangevoerd ten aanzien van een beslissing genomen door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat artikel 1, A,

(2)van de Vluchtelingenconventie geen rechtstreekse werking heeft; dat, wat het tweede onderdeel betreft, in de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat, gelet op de ongeloofwaardigheid van het relaas, het inroepen van de subsidiaire bescherming, zoals bepaald in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet en artikel 10, 1, d, van de richtlijn 2004/83/EG, niet dienstig is; dat het middel, zoals door verzoeker geadstrueerd, neerkomt op een verzoek om de asielaanvraag opnieuw te onderzoeken; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het enig middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat, bij ontstentenis van een ontvankelijk rechtsmiddel, het administratief cassatieberoep zelf onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op acht mei tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. 182.388-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.505 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.