id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.512 Rolnummer: A. 182472/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 512 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 08/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-21 Raadplegingen: 45 - laatst gezien 2026-06-30 05:12 Fiche Beschikking nr 512 van 8 mei 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 512 van 8 mei 2007 in de zaak A. 182.472. In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. SOENEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Russische nationaliteit, op 16 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 7 maart 2007 waarbij wordt geweigerd hem te erkennen in de hoedanigheid van vluchteling; Gelet op de ontvangst, op 23 april 2007, van het dossier van de zaak; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 1, A,
(2), en 33 van de Vluchtelingenconventie, van artikel 3 van het EVRM, van de artikelen 52, 62 en 63/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting; Overwegende vooreerst, dat artikel 1, A,
(2)van de Vluchtelingencon- ventie geen rechtstreekse werking heeft; dat de artikelen 52, 62 en 63/3 van de Vreemdelin- 182.472-1/3 gen niet van toepassing zijn op de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat “de beginselen van behoorlijk bestuur” zoals uit de benaming alleen reeds blijkt niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, dat een administratief rechtscollege is; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen om dezelfde reden niet van toepassing is op haar beslissingen; dat artikel 33 van de Conventie niet dienstig kan worden aangevoerd ten aanzien van een beslissing die er precies toe strekt vast te stellen dat verzoeker niet als vluchteling kan worden erkend; dat wat betreft de schending van artikel 3 van het EVRM, verzoeker aan de hand van deze bepaling tracht aan te tonen dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is; dat dit impliceert dat de Raad van State van de feiten kennis zou nemen en de zaak opnieuw zou onderzoeken, waarvoor de administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de Europese Richtlijn 2004/83/EG en van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980, doordat hem de subsidiaire bescherming niet werd toegekend terwijl er een duidelijk risico is op ernstige schade; Overwegende dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk vermeldt waarom aan verzoeker geen subsidiaire bescherming wordt toegekend; dat naar luid van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de Raad in geval van cassatieberoep tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken niet in de beoordeling van de zaken zelf treedt; dat het middel, zoals door verzoeker geadstrueerd, beoogt dat de Raad van State van de feiten kennis zou nemen en de zaak opnieuw zou onderzoeken; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat, bij ontstentenis van een ontvankelijk rechtsmiddel, het administratief cassatieberoep kennelijk onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 182.472-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op acht mei tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. 182.472-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.512 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div