id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.590 Rolnummer: A. 182541/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 590 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 15/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-29 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-30 05:14 Fiche Beschikking nr 590 van 15 mei 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 590 van 15 mei 2007 in de zaak A. 182.541 In zake : XXXXX, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Russische nationaliteit, op 17 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 16 maart 2007 waarbij wordt geweigerd haar te erkennen in de hoedanigheid van vluchteling en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 22 februari 2006; Gezien de vordering tot schorsing die de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend; Gelet op de ontvangst, op 26 april 2007, van het dossier van de zaak; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster de vernietiging vraagt van, enerzijds, de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 16 maart 2007 waarbij wordt geweigerd haar te erkennen in de hoedanigheid van vluchteling, en, anderzijds, van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 22 februari 2006; dat, enerzijds, luidens artikel 235, § 4, tweede lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen slechts vatbaar zijn voor een cassatieberoep bij de Raad van State, terwijl, anderzijds, luidens artikel 232 van dezelfde 182.541-1/3 wet de Raad van State bevoegd blijft om op grond van de bepalingen die van toepassing zijn daags voor de in artikel 231 bepaalde datum, kennis te nemen van de beroepen tot nietigverklaring en tot schorsing inzake individuele beslissingen die genomen zijn met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat hieruit volgt dat de Raad van State niet bevoegd is om in eenzelfde verzoekschrift kennis te nemen van een administratief cassatieberoep tegen een beslissing van de Vaste beroepscommissie voor vluchtelingen, enerzijds, en van een annulatieberoep tegen een beslissing van de Dienst Vreemdelingenza- ken, anderzijds; dat, nu verzoekster haar middelen duidelijk formuleert ten aanzien van de weigering van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen om haar als vluchteling te erkennen, huidig beroep moet geacht te zijn gericht tegen deze laatste beslissing; dat derhalve het beroep, in zoverre het gericht is tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, niet ontvankelijk is; Overwegende dat, wat de vordering tot schorsing betreft, dat overeenkomstig de termen van artikel 57/23 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet), de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen "administratieve beslissingen in betwiste zaken" zijn, in de zin van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en dat artikel 17, § 1, van laatstgenoemde wetten de Raad van State niet machtigt dat soort beslissingen te schorsen; dat de vordering tot schorsing onontvankelijk is; Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 1, A
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.