id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.626 Rolnummer: A. 182964/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 626 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 06/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-14 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 05:15 Fiche Beschikking nr 626 van 6 juni 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 626 van 6 juni 2007 in de zaak A. 182.964 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. PALM, kantoor houdende te 4780 ST. VITH, Heckingstrasse 10 tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Russische nationaliteit, op 30 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 23 februari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij het beroep wordt verworpen, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 30 maart 2007; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 30 mei 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In een eerste onderdeel van het eerste middel en in een derde middel wordt de schending ingeroepen van de motiveringsplicht, van artikel 149 van de gecoördineerde grondwet en van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). De bestreden beslissing is formeel met redenen omkleed. Uit de lezing van het middel blijkt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht. Wanneer de Raad van State als cassatierechter een jurisdictionele beslissing aan de 1/3 wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen maakt op zich geen middel uit tot vernietiging van de bestreden beslissing. In een tweede onderdeel van het eerste middel voert de verzoekende partij aan dat de subsidiaire bescherming onvoldoende zou zijn onderzocht en dat de bestreden beslissing terzake geen rekening heeft gehouden met “de belangrijkste feiten en argumenten”, maar zich heeft beperkt tot “een enkel(e) zin”. De bestreden beslissing vermeldt uitdrukkelijk waarom aan de verzoekende partij geen subsidiaire bescherming wordt toegekend. Naar luid van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, treedt de Raad in geval van cassatieberoep tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken niet in de beoordeling van de zaken zelf. Het tweede onderdeel van het eerste middel beoogt in wezen dat de Raad van State van de feiten kennis zou nemen en de zaak opnieuw zou onderzoeken. Het eerste middel is niet ontvankelijk. In een tweede middel roept de verzoekende partij de schending in van het recht van verdediging, van het recht om gehoord te worden, van het “principe van partijautonomie” en van het principe van onpartijdigheid van de rechter zoals het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partij stelt dat de Vaste Beroepscommissie nieuwe elementen in de bestreden beslissing heeft opgenomen “die voordien nooit door de Commissaris-generaal zijn voorgebracht en dat deze punten dus niet besproken waren”. Wat de schending van het recht van verdediging en van de onpartijdigheid van de rechter betreft, komt het middel in wezen neer op een bekritisering van de beoordeling ten gronde van de feitenrechter, welke kritiek buiten de bevoegdheid van de Raad van State valt. Vervolgens voert de verzoekende partij de schending aan van een reeks algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zoals uit de benaming alleen reeds blijkt, zijn de beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen welke een administratief rechtscollege is. Het tweede middel is niet ontvankelijk. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, 2/3 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op zes juni tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. 3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.626 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.