← België

Cassatiebeschikking 647 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 06/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.647 Rolnummer: A. 182821/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 647 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 06/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-14 Raadplegingen: 45 - laatst gezien 2026-06-30 05:16 Fiche Beschikking nr 647 van 6 juni 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 647 van 6 juni 2007 in de zaak A. 182.821 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, op 27 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 27 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij het beroep wordt verworpen, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 4 april 2007; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 29 mei 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De verzoekende partij voert in een warrig, onduidelijk en nodeloos lang verzoekschrift een enig middel aan dat bestaat uit drie onderdelen. In een eerste en een tweede onderdeel van het enig middel, voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 149 van de gecoördineerde grondwet, van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel en van het recht van verdediging. De 1/3 verzoekende partij stelt dat de Vaste Beroepscommissie haar beroep afwees als ongegrond, “zonder de door de verzoekende partij ontwikkelde middelen te onderzoeken en te beantwoorden”. De bestreden beslissing is formeel met redenen omkleed. Het loutere feit dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de stelling van de verzoekende partij niet onderschrijft houdt niet in dat haar recht van verdediging werd geschonden. Voor het overige maakt de verzoekende partij niet duidelijk dat de beweerde schendingen de strekking van de bestreden beslissing zouden hebben beïnvloed. In een derde onderdeel wordt de schending aangevoerd van artikel 57/11 van de Vreemdelingenwet, van het recht van verdediging, van artikel 149 van de gecoördineerde grondwet, van “het beginsel van de motiveringsplicht” en van de “materiële” en “inhoudelijke” motiveringsplicht, “minstens van de mogelijkheid tot toetsing van de materiële motivering”, doordat “de Vaste Beroepscommissie zich niet heeft opgesteld als een jurisdictionele orgaan dat in graad van beroep de beslissingen van het bestuur onderzoekt en desgevallend hervormt” en dat de Vaste Beroepscommissie “als een soort super-bestuur, ter zitting (een) nieuw onderzoek (heeft) doorgevoerd”. De verzoekende partij stelt dat de Vaste Beroepscommissie in de bestreden beslissing onvoldoende heeft aangegeven, waarom zij niet overtuigd is van de elementen die de verzoekende partij tijdens de terechtzitting heeft aangebracht. Voorts stelt zij dat “de bestreden beslissing het middel half weergeeft” en dat de Vaste Beroepscommissie niet heeft onderzocht “waarom het behoren tot de etnische etnie geen grond tot vervolging kan uitmaken”. Ten slotte stelt zij dat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd wat betreft het onderzoek naar het subsidiaire beschermingsstatuut. De verzoekende partij zet niet concreet uiteen waarin de schending van artikel 57/11 van de Vreemdelingenwet bestaat. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij opkomt tegen de inhoudelijke motieven van de bestreden beslissing en wil dat de Raad van State de feitelijke beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen overdoet. Wanneer de Raad van State als rechter in cassatie een jurisdictionele administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. De bestreden beslissing concludeert dat de verzoekende partij geen elementen aanbrengt die aantonen dat zij van de subsidiaire bescherming kan genieten en motiveert waarom dit te dezen het geval is. Deze motivering volstaat. 2/3 Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op zes juni tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. 3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.647 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.