← België

Cassatiebeschikking 667 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 06/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.667 Rolnummer: A. 183027/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 667 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 06/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-14 Raadplegingen: 46 - laatst gezien 2026-06-30 05:16 Fiche Beschikking nr 667 van 6 juni 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 667 van 6 juni 2007 in de zaak A. 183.027 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. VINCK, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Pacificatiestraat 95 tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 27 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 4 april 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij het beroep wordt verworpen, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 18 april 2007; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 30 mei 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In een enig middel roept de verzoekende partij de schending in van artikel 39/75 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 3, §2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van het recht van verdediging. De verzoekende partij stelt dat zij, met toepassing van artikel 235, §3 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een verzoekschrift “tot voortzetting” heeft 1/3 ingediend bij de Vaste Beroepscommissie, maar noch zij, noch haar raadsvrouw een ter post aangetekende brief met ontvangstmelding of afgifte tegen ontvangstbewijs hebben ontvangen tot oproeping ter terechtzitting op 29 maart 2007. De verzoekende partij stelt dat zij niet op de hoogte was van de terechtzitting, “waardoor er niemand is verschenen en het beroep werd verworpen met toepassing van artikel 39/59, §2, tweede lid van de Vreemdelingenwet”, alsook het recht van verdediging van de verzoekende partij werd geschonden “om zijn middelen van verdediging te doen gelden”. Uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt dat een uitnodiging om te verschijnen op de terechtzitting van 29 maart 2007 wel degelijk werd verzonden naar de verzoekende partij, op de door haar gekozen, en in de loop van de procedure gewijzigde, woonplaats. De verzoekende partij duidt geen norm aan waaruit blijkt dat haar raadsman eveneens in kennis moet worden gesteld van de datum van de terechtzitting. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op zes juni tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. 3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.667 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.