id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.700 Rolnummer: A. 182824/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 700 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 08/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-15 Raadplegingen: 45 - laatst gezien 2026-06-30 05:18 Fiche Beschikking nr 700 van 8 juni 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 700 van 8 juni 2007 in de zaak A. 182.824 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd.VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, op 27 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 26 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, waarbij het beroep wordt verworpen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 25 mei 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van de “motiveringsverplichting” opwerpt doch er in de uiteenzetting van dat middel een reeks andere bepalingen en beginselen bij betrekt; dat zij sub a), sub
- b)en sub
- c)van het eerste middel aanvoert dat in de bestreden beslissing niet op alle door haar opgeworpen middelen wordt geantwoord, doch dat zij daarbij niet aangeeft op welke middelen niet zou zijn geantwoord; dat het eerste middel in die mate kennelijk niet- ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij verder in de uiteenzetting van het eerste middel de schending van de artikelen 57/22 en 62 van de wet van 15 december 182.824-1/3 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen opwerpt; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen om die reden niet op de bestreden beslissing van toepassing zijn; dat het eerste middel ook in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen met redenen worden omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak; dat in de bestreden beslissing wordt weergegeven welke grieven de verzoekende partij tegen de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen liet gelden, waarna die grieven worden besproken; dat de verzoekende partij, in de mate dat zij de motieven van de bestreden beslissing inhoudelijk aanvecht, in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat, daargelaten de vaststelling dat het asielrelaas met de bestreden beslissing ongeloof- waardig werd bevonden zodat het motief betreffende het gebrek aan documenten en het gebrek aan bewijs van het niet kunnen inroepen van bescherming in het land van herkomst een overtollig motief vormt, niet valt in te zien waarom de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen bijkomend motief zou mogen doen gelden; dat de ongeloofwaardigheid van het feitelijk relaas ook de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus kan gronden; dat het eerste middel in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus aanvecht door te stellen “dat het motief van de ongeloofwaardigheid kennelijk niet kan worden weerhouden” en “dat vervolging in de zin van artikel 48/4 (van de Vreemdelingenwet) niet noodzakelijk hetzelfde is als die van het vluchtelingenverdrag”; dat uit de bespreking van het eerste middel echter blijkt dat het motief betreffende de ongeloofwaardigheid van het feitenrelaas van de verzoekende partij standhoudt en ook de afwijzing van de subsidiaire beschermingsstatus kan gronden; dat het tweede middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is, BESLUIT: 182.824-2/3 Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op acht juni tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 182.824-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.700 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div