id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.818 Rolnummer: A. 182837/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 818 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 22/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-05 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-30 05:23 Fiche Beschikking nr 818 van 22 juni 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 818 van 22 juni 2007 in de zaak A. 182.837 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. VAN ASSCHE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Iraanse nationaliteit, op 27 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 20 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; Gelet op het administratief dossier, verstuurd naar de griffie op 23 mei 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending van “de motiveringsplicht” opwerpt; dat in de bestreden beslissing op omstandig gemotiveerde wijze wordt besloten tot de verwerping van de asielaanvraag en tot het niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus; dat de bestreden beslissing met name vaststelt dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij gegronde vrees voor vervolging in de zin van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, (Vluchtelingenverdrag) zou moeten koesteren, dat het verwijzen naar wetgeving onvoldoende is indien niet wordt gewezen naar de manier waarop deze bepalingen worden toegepast, en dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas ondermijnd wordt door het zonder aannemelijke reden ontbreken van identiteits- en 182.837-1/3 reisdocumenten; dat aan de motiveringsplicht van rechterlijke beslissingen als vormvereiste is voldaan en dat het eerste middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij verder met een uitgebreide uiteenzetting de motivering van de bestreden beslissing inhoudelijk aanvecht; dat de verzoekende partij aldus in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat het eerste middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 1, A, 2) van het Vluchtelingenverdrag geen rechtstreekse werking heeft in het Belgische recht, en overigens slechts een definitie inhoudt van het begrip ‘vluchteling’; dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet zich beperkt tot het poneren van een algemeen recht om als vluchteling te worden erkend indien wordt voldaan aan de voorwaarden; dat de verzoekende partij opnieuw de motieven van de bestreden beslissing inhoudelijk aanvecht; dat het tweede middel kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. opwerpt en stelt dat zij “ingevolge de bestreden beslissing het grondgebied moet verlaten, nu (zij) niet als vluchteling wordt erkend”; dat de weigering van de erkenning als vluchteling echter geen verwijderingsmaatregel inhoudt; dat een eventuele schending van artikel 3 van het E.V.R.M. ingevolge een gedwongen terugkeer naar het land van herkomst derhalve niet aan de orde is; dat het derde middel kennelijk niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 182.837-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op tweeëntwintig juni tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 182.837-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.818 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.