id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.847 Rolnummer: A. 183639/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 847 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 22/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-06 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-30 05:26 Fiche Beschikking nr 847 van 22 juni 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 847 van 22 juni 2007 in de zaak A. 183.639 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUSSCHAERT, kantoor houdende te 2400 MOL, Markt 50 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de minister van Binnenlandse Zaken,
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, op 21 mei 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 6 april 2007 van de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen waarbij het beroep wordt verworpen, van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 december 2005 en van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 juni 2005 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van al deze beslissingen; Gelet op het administratief dossier, ter griffie bezorgd op 13 juni 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat, wat betreft de vordering tot vernietiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 juni 2005 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, en van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 december 2005 tot bevestiging van de voornoemde beslissing, tegen deze beslissingen beroep openstaat bij XIV-183.639-1/4 respectievelijk de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die beide de erkenning als vluchteling hebben geweigerd; dat de verzoekende partij deze beroepsgang heeft uitgeput; dat de vordering in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is, hetgeen ook geldt voor de vordering tot schorsing als accessorium van het beroep tot nietigverklaring tegen die beslissingen; Overwegende dat de verzoekende partij verder de vernietiging vraagt van zowel de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 6 april 2007 waarbij wordt geweigerd haar te erkennen in de hoedanigheid van vluchteling, als van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 16 juni 2005; dat, enerzijds, luidens artikel 235, § 4, tweede lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen slechts vatbaar zijn voor een cassatieberoep bij de Raad van State, terwijl, anderzijds, luidens artikel 232 van dezelfde wet de Raad van State bevoegd blijft om op grond van de bepalingen die van toepassing zijn tot daags voor de in artikel 231 bepaalde datum, kennis te nemen van de beroepen tot nietigverklaring en tot schorsing inzake individuele beslissingen die genomen zijn met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat hieruit volgt dat de Raad van State niet bevoegd is om in eenzelfde verzoekschrift kennis te nemen van een administratief cassatieberoep tegen een beslissing van de Vaste Beroepscommissie enerzijds, en van een annulatieberoep tegen een beslissing van de dienst Vreemdelingenzaken anderzijds; dat, nu verzoekster haar middelen duidelijk formuleert ten aanzien van de weigering van de Vaste Beroepscommissie om haar als vluchteling te erkennen, huidig beroep moet geacht te zijn gericht tegen deze laatste beslissing; dat derhalve het beroep, in zoverre het gericht is tegen het bevel om het grondgebied te verlaten, kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat, wat de vordering tot schorsing van de beslissing van 6 april 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen betreft, de Vaste Beroepscom- missie een administratief rechtscollege is, waarvan de beslissingen overeenkomstig artikel 57/23 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) slechts vatbaar zijn voor het beroep voorzien bij artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en niet het voorwerp kunnen uitmaken van een vordering tot schorsing; dat de vordering in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in de vordering tot vernietiging van de beslissing van 6 april 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in een eerste middel de schending van artikel 62 Vreemdelingenwet en van artikel 3 van de wet van XIV-183.639-2/4 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen opwerpt; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een administratief rechtscollege is en jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat bijgevolg de voornoemde artikelen niet van toepassing zijn op haar beslissingen; dat de verzoekende partij voor het overige de motivering van de bestreden beslissing inhoudelijk aanvecht; dat zij aldus in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat het eerste middel kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden opwerpt; dat zij niet aangeeft op welke wijze zij zelf persoonlijk te vrezen zou hebben voor folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; dat het tweede middel kennelijk niet-ontvankelijk is; BESLUIT: Artikel
- Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op tweeëntwintig juni tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, XIV-183.639-3/4 J. CASNEUF toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF C. ADAMS XIV-183.639-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.847 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div