← België

Cassatiebeschikking 850 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 22/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.850 Rolnummer: A. 183637/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 850 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 22/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-05 Raadplegingen: 44 - laatst gezien 2026-06-30 05:27 Fiche Beschikking nr 850 van 22 juni 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 850 van 22 juni 2007 in de zaak A. 183.637 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. SOENEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Russische nationaliteit, op 29 mei 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 23 april 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen; Gelet op het administratief dossier, ter griffie bezorgd op 13 juni 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van de artikelen 1, A, 2) en 33 van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenverdrag), van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en van de artikelen 48/3 en 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Overwegende dat artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen met redenen worden omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak; dat in de bestreden beslissing het 183.637-1/3 asielrelaas van de verzoekende partij wordt weergegeven waarna wordt besloten dat op grond van de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas in hoofde van de verzoekende partij geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A, 2) van het Vluchtelingenverdrag in aanmerking kan worden genomen; dat het eerste middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is op betwistingen in verband met de toegang, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen; dat voor het overige de verzoekende partij, waar zij betoogt dat de Vaste Beroepscommissie geen rekening houdt met het subjectief-psychologisch element van de vrees voor vervolging en met de algemene mensenrechtensituatie in de Russische Federatie, in wezen de bestreden beslissing inhoudelijk aanvecht; dat zij aldus een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij de schending van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag aanvoert, nu de bestreden beslissing vaststelt dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij te vrezen heeft voor vervolging en zij bovendien geen verwijderingsmaatregel inhoudt; dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van de Europese richtlijn 2004/83/EG en van de artikelen 48/4 en 57/22 Vreemdelingenwet; dat richtlijn 2004/83/EG omgezet is in het Belgische recht, en met name uitdrukking vindt in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet; dat de Vaste Beroepscommissie met de vaststelling van de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas kan volstaan om tot de afwijzing van de subsidiaire beschermstatus te besluiten; dat artikel 48/4 Vreemdelingenwet weliswaar ruimte laat voor algemene informatie over willekeurig geweld in het land van herkomst, maar dat het aan de aanvrager van de subsidiaire beschermstatus toekomt om tenminste een relatie met haar persoonlijke situatie aannemelijk te maken; dat voor het overige verwezen wordt naar de bespreking van het eerste middel; dat het tweede middel kennelijk ongegrond is; BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 183.637-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op tweeëntwintig juni tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, J. CASNEUF toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF C. ADAMS. 183.637-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.850 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.