← België

Cassatiebeschikking 954 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 13/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.954 Rolnummer: A. 184156/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 954 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 13/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-18 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 05:28 Fiche Beschikking nr 954 van 13 juli 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 954 van 13 juli 2007 in de zaak A. 184.156 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat I. FLACHET, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd.VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, op 28 juni 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 17 april 2007 van de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 12 juli 2007; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen kon en zelfs moest antwoorden op het middel van de verzoekende partij betreffende de actuele toestand in XXXXX, zoals zij in de punten 5 en 6 heeft gedaan; Overwegende dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen na het beroep van de verzoekende partij tegen zijn beslissing slechts als een partij optreedt voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat, wanneer de commissaris- 184.156-1/3 generaal in zijn nota voor of op de terechtzitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet op de subsidiaire beschermingsstatus ingaat, zulks daarom niet de wettigheid van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aantast; dat artikel 235, § 1, tweede lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bevoegdheid van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bij wijze van overgangsmaatregel uitbreidt “tot de bevoegdheid om te onderzoeken of de verzoekende vreemdeling voldoet aan de in artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen voorziene voorwaarden”; dat aan die uitdrukkelijke bepaling geen afbreuk wordt gedaan door artikel 235, § 2, van de voornoemde wet van 15 september 1996, noch door artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat als dusdanig overigens enkel op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van toepassing is; dat de commissaris-generaal zich bij het nemen van zijn beslissing op 27 februari 2006 nog niet over de subsidiaire beschermingsstatus kon uitspreken omdat zulks nog niet in de Vreemdelingenwet was voorzien en dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op het ogenblik dat zij de bestreden beslissing nam op grond van de hoger genoemde overgangsmaatregel op wettige wijze zelf een onderzoek naar het toekennen van die status kon voeren; dat zij uit enerzijds de ongeloofwaardigheid van het feitenrelaas en anderzijds de aangehaalde actuele toestand in XXXXX op wettige wijze kon besluiten tot een gebrek aan elementen die een reëel risico op ernstige schade voor de verzoekende partij aannemelijk maken; dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij andere elementen voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft aangevoerd; dat het middel in die mate kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 184.156-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op dertien juli tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. C. ADAMS. 184.156-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ORD.954 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.