id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.288 Rolnummer: A. 75478/X-7685 Zaak: Arrest 178288 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-16 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 07:27 Fiche Arrest nr 178.288 van 7 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.288 van 7 januari 2008 in de zaak A. 75.478/X-
- In zake :
- Josh LECOCQ,
- Geert DESMET, die woonplaats kiezen bij advocaat L. VANDERPUTTE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Kapelstraat 23/3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat R. VAN RIET, kantoor houdende te 9250 WAASMUNSTER, Nijverheidslaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Josh LECOCQ en Geert DESMET op 14 augustus 1997 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 juni 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van hun beroep tegen het besluit van 30 januari 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij hun de vergunning wordt geweigerd voor het uitvoeren van instandhoudingswerken aan de Mazenhoven te Maasmechelen, kadastraal bekend sectie B, nrs. 869/e en 869/ f; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 7 januari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen; X-7685-1/5 Gelet op de beschikking van 24 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- De verzoekers zijn sinds 1995 eigenaar van een stal, gelegen tegenover hun woning, aan de Mazenhoven te Maasmechelen, kadastraal bekend sectie B, nrs. 869/e en 869/f. Voornoemde stal is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 1 september 1980 vastgestelde gewestplan Limburgs Maasland gelegen in natuurgebied. De eigendom is niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een bijzonder plan van aanleg, noch binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
- Op 7 juni 1996 (datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag) dient de eerste verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen een aanvraag in tot het bekomen van een vergunning voor “het uitvoeren van instandhoudingswerken” aan voormelde stal. In zijn pre-advies van 1 juli 1996 stelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen dat “het hier niet (gaat) om instandhoudingswerken maar wel om een verbouwing”. Het verleent dan ook een ongunstig advies. Op 22 augustus 1996 verleent de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies. Hij overweegt onder meer het volgende : “Uit het dossier (foto’s) blijkt niet dat het handelt over instandhoudingswerken, integendeel met de gebruikte materialen en nieuwe X-7685-2/5 constructiewijze dient gesteld dat het hier duidelijk handelt over een nieuwbouwconstructie. Gelet op de ligging in een natuurgebied is art. 79 van het decreet van 13 juli 1994 niet van toepassing, gezien de natuurgebieden worden aangeduid als zone non-aedificandi. Er kan bijgevolg op generlei wijze in dit gebied gebouwd of verbouwd worden”. Op 12 september 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen de gevraagde vergunning. 1.
- Op 8 oktober 1996 tekenen de verzoekers beroep aan bij de deputatie van de provincieraad van Limburg. Zij stellen onder meer dat “door de herhaaldelijke overstromingen het gebouw intussen zodanig onderkomen (was), dat de werken om de stal in stand te kunnen houden, groter waren dan aanvankelijk voorzien” en dat “vermits we verdergebouwd hebben op muren die nog bruikbaar waren en de te recupereren materialen herbruikt hebben wij van mening (zijn) dat het hier om instandhoudingswerken gaat en geen nieuwbouwkonstruktie betreft”. Op 30 januari 1997 willigt de deputatie het beroep van de verzoekers niet in, onder meer overwegende dat “deze instandhoudingswerken betrekking hebben op het grotendeels heropbouwen van een stal”. 1.
- Op 26 februari 1997 tekenen de verzoekers beroep aan bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening. Zij stellen onder meer dat “nochtans moet opgemerkt worden dat de werken (...), er enkel toe strekken het betrokken gebouw, dat door herhaaldelijke overstroming van de Maas zwaar werd beschadigd, terug te herstellen in zijn aanvankelijke staat” en “dat het hier wel degelijk gaat om instandhoudingswerken, nu blijkt dat het bestaande gebouw enkel wordt heropgebouwd binnen zijn oorspronkelijke oppervlakte”. Zij stellen verder “dat daarenboven ook de bestemming van het gebouw -het betrokken gebouw werd en zal in de toekomst verder gebruikt worden als stal- niet zal veranderen” en “dat er weliswaar in beperkte mate gebruik gemaakt wordt van andere materialen en een andere constructiewijze als voorheen, maar dat deze keuze (...) gemaakt werd met als enig doel de stevigheid van het gebouw te vergroten, nu in (het) verleden (werd) aangetoond dat de oorspronkelijk gebruikte materialen en constructiewijze niet konden verzekeren dat het gebouw bij een overstroming van de Maas (hetgeen in dit gebied frequent voorkomt) overeind bleef”. Op 11 juni 1997 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het beroep. X-7685-3/5 Dit is het bestreden besluit.
- In rechte 2.1.
- In het enige middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “artikel 44, § 1, 1 van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962 ... doordat het bestreden besluit de betrokken werken kwalificeert als een feitelijke nieuwbouw terwijl zij moeten worden beschouwd als onderhouds- en instandhoudingswerken vermits zij de bestaande constructie noch naar vorm of bestemming wijzigen”. 2.1.
- De verwerende partij werpt bij wege van exceptie de onontvankelijkheid op van het beroep. Zij argumenteert dat de aanvraag onmiskenbaar strekt tot het verkrijgen van een regularisatie-bouwvergunning voor de verbouwing van een stalling. Zij concludeert hieruit dat, na gebeurlijke vernietiging, de verwerende partij de vergunning alleen maar opnieuw zou kunnen afwijzen. Bijgevolg hebben de verzoekende partijen volgens de exceptie geen actueel belang bij hun vordering. 2.1.
- De verzoekende partijen stellen in antwoord op de exceptie nogmaals dat de aanvraag geen betrekking heeft op verbouwingswerken, doch op instandhoudingswerken. 2.1.
- In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve de exceptie van gebrek aan belang vanuit een andere hoek ontmoet. De Raad van State kan dit standpunt bijtreden, om de hierna uiteengezette redenen. 2.2.
- Ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing bepaalde artikel 42, § 1, 1/ van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, dat : “niemand zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen mag bouwen, een grond gebruiken voor het plaatsen van één of meer vaste inrichtingen, afbreken, herbouwen, verbouwen van een bestaande woning, instandhoudings- of onderhoudswerken uitgezonderd”. 2.2.
- De verzoekende partijen hebben op grond van deze bepaling en de inhoud van het door hen ingeroepen enig middel, geen belang bij hun beroep. X-7685-4/5 Wanneer het middel gegrond zou worden bevonden, zou daaruit immers voortvloeien dat toentertijd de kwestieuze werken niet vergunningsplichtig waren. Vermits die werken reeds werden uitgevoerd, kan de vernietiging van de bestreden weigering op grond van dit middel hun geen rechtstreeks nut opleveren. De verzoekende partijen hebben om die redenen dan ook niet het vereiste rechtstreeks belang bij hun vordering. Hoewel zij met deze exceptie in het auditoraatsverslag geconfronteerd werden, hebben zij hiertegen geen verweer gevoerd en geen laatste memorie ingediend. Het beroep is onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven januari 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-7685-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.288 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div