← België

Arrest 178400 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 08/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.400 Rolnummer: A. 180889/IX-5562 Zaak: Arrest 178400 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 08/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-11 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:28 Fiche Arrest nr 178.400 van 8 januari 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.400 van 8 januari 2008 in de zaak A. 180.889/IX-5562. In zake : Nicole VANYZERE, wonende te KUURNE, Bavikhoofsestraat 127 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Nicole VANYZERE op 5 januari 2007 heeft ingediend om de gedeeltelijke nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 14 november 2006 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen van de FOD Sociale Zekerheid, met name in de mate daarbij haar aanvraag voor vrijstelling van de bijdragen voor de driemaandelijkse bijdragen 1/2004 tot 4/2004 niet ontvankelijk wordt verklaard. Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur J. STEVENS, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 16 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 november 2007; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur J. STEVENS; IX-5562-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De bestreden beslissing steunt op het motief dat de aanvraag tot vrijstelling voor wat de voor het jaar 2004 verschuldigde bedragen betreft, niet voldoet aan artikel 88, § 2, 2/,

  1. a)van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Die bepaling luidt: “Opdat de aanvraag van een onderworpene ontvankelijk zou zijn, dient er te worden voldaan aan de twee volgende voorwaarden: 1. (...) 2. de aanvraag dient gedaan te zijn binnen de twaalf maanden. Naargelang het geval begint deze termijn te lopen:
  2. a)vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarop de door de aanvraag beoogde bijdrage betrekking heeft; (...).” 2. Verzoekster betoogt in haar verzoekschrift dat de officiële aanvraag tot vrijstelling alleen “bij gebrek aan kennis” op 13 februari 2006 ingediend werd, aangezien zij reeds op 14 mei 2004, en vervolgens ook nog op andere data waarnaar zij in een rubriek “aangehaalde feiten” verwijst, aan de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen te Brugge gevraagd heeft “om onze aanvraag in te dienen om geen bijdragen meer te moeten betalen” en dat, “indien aan de vormvoorwaarden niet is voldaan, dit niet de fout is van (haar) en (zij) er ook niet de dupe kan van zijn”. 3. Volgens de verwerende partij bevat het verzoekschrift geen rechtsmiddelen op grond waarvan de onregelmatigheid van het bestreden besluit vastgesteld zou kunnen worden. Verzoekster verklaart zich immers niet akkoord met het bestreden besluit omdat zij meent dat het bestuur haar niet tijdig ingelicht heeft over de mogelijkheid om vrijstelling te vragen, maar zij betwist niet dat artikel 88 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 correct toegepast is. In de hypothese dat de Hulpkas haar informatieverplichting niet nageleefd zou hebben, is het niet aan de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen om daar gevolgen aan te verbinden, maar wel de arbeidsrechtbank. IX-5562-2/4 4. Verzoekster repliceert dat zij op 4 maart 2004 aan de Hulpkas geschreven heeft niet akkoord te gaan met het ontvangen vervaldagbericht, aangezien zij sinds januari 2004 iedere activiteit als zelfstandige stopgezet heeft en dat zij toen ook gevraagd heeft de “verdere invordering van kwartaalbijdragen stop te zetten”. Het getuigt volgens haar van bijzondere onwil dat haar dan nu wordt tegengeworpen dat zij pas op 1 februari 2006 duidelijk blijk gaf van de intentie om een vrijstelling van bijdragen te vragen. Overigens moest zij geen vrijstelling vragen, aangezien er na het eerste kwartaal 2004 zelfs geen bijdragen meer verschuldigd waren. 5. Verzoekster vraagt de nietigverklaring van de beslissing van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen in de mate dat haar aanvraag tot vrijstelling niet ontvankelijk wordt verklaard omdat zij laattijdig een aanvraag tot vrijstelling ingediend heeft. Dat is het eigenlijk voorwerp van het beroep. 6. In het verzoekschrift stelt verzoekster dat zij het standpunt van de commissie niet aanvaardt omdat zij “sinds 14 mei 2004” -en ook nog nadien- een aanvraag ingediend heeft. Zij betwist aldus het motief van het bestreden besluit, met name dat de commissie ten onrechte geen acht geslagen heeft op de briefwisseling die zij vóór 13 februari 2006 met het bestuur gevoerd heeft en die volgens haar als aanvragen voor vrijstelling van bijdragen beschouwd hadden moeten worden. Dat middel is een rechtsmiddel. In geval van vernietiging op grond van dat middel zal de commissie de aanvraag van verzoekster niet opnieuw kunnen afwijzen zonder onderzocht te hebben of verzoekster toch niet binnen de termijn bepaald in artikel 88, § 2, 2/,
  3. a)van het koninklijk besluit van 19 december 1967 een rechtsgeldige aanvraag zoals bedoeld in die bepaling, ingediend heeft. 7. In het auditoraatsverslag is geconcludeerd dat het verzoekschrift geen rechtsmiddel bevat en dat het beroep kennelijk onontvankelijk is. Uit wat voorafgaat volgt integendeel dat de exceptie van onontvankelijkheid niet gegrond is. Het onderzoek van de zaak moet voortgezet worden. IX-5562-3/4 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep is niet kennelijk onontvankelijk. Artikel 2. De debatten worden heropend. Artikel 3. De zaak wordt volgens de gewone procedure voortgezet. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 8 januari 2008, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5562-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.400 Gerelateerde publicatie(
  4. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.282 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.