← België

Arrest 178401 - Arbeids- en beroepskaarten - 08/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.401 Rolnummer: A. 66867/IX-416 Zaak: Arrest 178401 - Arbeids- en beroepskaarten - 08/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:28 Fiche Arrest nr 178.401 van 8 januari 2008 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.401 van 8 januari 2008 in de zaak A. 66.867/IX-

  1. In zake : Moshe REUVENI, die woonplaats kiest bij advocaat J.-M. BIEVEZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Paul-Emile Jansonstraat 11 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Moshe REUVENI op 15 december 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 september 1995 van de minister van Middenstand houdende de weigering van een beroepskaart voor het uitoefenen van de functie van zaakvoerder van de BVBA TOM; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. DE COENE; Gelet op de beschikking van 11 juni 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-416-1/5 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  2. Op 27 juli 1994 dient verzoeker, van Israëlische nationaliteit, bij de Ambassade van België te Tel Aviv een aanvraag in om een beroepskaart voor vreemdelingen te verkrijgen, teneinde te werken als zaakvoerder van de BVBA TOM. De BVBA TOM is op 19 april 1994 opgericht en liet zich in het handelsregister te Antwerpen inschrijven voor de handelswerkzaamheid “groot- handel in goudsmidwerk, juwelen en uurwerken. Tussenpersoon in de handel, uitgezonderd hetgeen waarvoor machtiging ontbreekt.” Als zaakvoerders van de BVBA zijn aangesteld Moshe Reuveni, zijn echtgenote Zehava Reuveni, Meir Mamistvalov en zijn echtgenote Madona Elishakov. 1.
  3. Op 29 juni 1994 wordt ten laste van de BVBA TOM een pro- justitia opgesteld door een controleur van het ministerie van Middenstand. Daarin wordt vastgesteld dat de BVBA TOM een kleinhandel in juwelen, goudsmidwerk en uurwerken uitbaat zonder in het bezit te zijn van het vereiste vestigingsgetuig- schrift en dat geen van de statutaire zaakvoerders houder is van een beroepskaart. 1.
  4. Op 5 september 1994 verkrijgt de BVBA TOM een vestigings- getuigschrift om als zelfstandige de beroepswerkzaamheid van detailhandelaar uit te oefenen. 1.
  5. Op 11 mei 1995 maakt de administratie van het ministerie van Middenstand het dossier over aan de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen (REOV) om met toepassing van artikel 6 van de wet van 19 februari IX-416-2/5 1965 een advies te verlenen. In dat schrijven wordt de intentie om de aanvraag te weigeren gesteund op volgende gegevens : “nieuwe immigratie; verzadigde sector; economisch nut is niet bewezen; werkt reeds zonder beroepskaart (zie Pro-Justitia); brengt gevraagde inlichtingen niet binnen; zie ook IL 94015 Mamistvalov Meir; ongunst. advies dienst V.Z. (veroordelingen)”. Bij zijn oproeping om voor de REOV te verschijnen wordt verzoeker in kennis gesteld van die beoordelingselementen. Op 31 juli 1995 verleent de REOV een ongunstig advies over de aanvraag van verzoeker tot het verkrijgen van de beroepskaart. Het advies verwijst naar het ongunstig advies dat de Raad uitbrengt met betrekking tot de aanvraag van Mamistvalov Meir, medezaakvoerder, “omdat de essentie van huidig dossier dezelfde is”. Het advies in die zaak is als volgt gesteld : “Overwegende dat aanvrager de beroepskaart wenst te bekomen om op te treden als zaakvoerder van de B.V.B.A. TOM waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2018 ANTWERPEN, Koningin Astridplein 30 B en de uitbatingszetels op hetzelfde adres (zie huurovereenkomst d.d. 01.06.1994) en te 2018 ANTWERPEN, Pelikaanstraat 25 (zie inschrijving in het handels- register nr. 302.816 d.d. 29.04.1994); dat deze vennootschap volgend doel heeft : - klein- en groothandel in goudsmidwerk, religieuze juwelen, horloges en tussenpersoon in de handel. Overwegende dat de formele stukken die bij de aanvraag dienen gevoegd te worden, zijn neergelegd; Overwegende dat het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap 5.000.000 fr. bedraagt; dat aanvrager en zijn echtgenote elk 1250 aandelen bezitten hetgeen de helft van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt; dat de andere helft toebehoort aan de heer REUVENI Moshe en diens echtgenote die eveneens elk 1250 aandelen bezitten, dat de heer REUVENI Moshe, wiens dossier (IL. 94024/488351) ook heden door de Raad behandeld wordt, eveneens een beroepskaart wenst te bekomen om op te treden als zaakvoerder van dezelfde vennootschap; Overwegende derhalve dat het verlenen van een beroepskaart aan aanvrager tevens zou kunnen impliceren dat er ook aan de tweede zaakvoerder, en desgevallend ook aan de respectievelijke echtgenoten die eveneens zaakvoerder zijn, een beroepskaart wordt toegekend; Overwegende dat er op 29.06.1994 een Pro-Justitia werd opgesteld lastens aanvrager; dat het vooral opvalt dat meer en meer Israeliërs van dezelfde oorsprong in dezelfde omgeving een kleinhandel in gouden en diamanten juwelen wensen uit te baten; dat zij daarenboven in veel gevallen hun activiteiten opstarten zonder de nodige beroepskaart; dat er dienaangaande reeds heel wat misbruiken werden vastgesteld en dat het fenomeen van overbezetting overigens thans in een stroomversnelling terechtkomt hetgeen nl. blijkt uit het groot aantal aanvragen van dezelfde aard dat door de Raad behandeld wordt; dat de Raad daarom een kettingreactie vreest met de daaraan verbonden kettingimmigratie; IX-416-3/5 Overwegende tenslotte dat de Raad, rekening houdend met de immigratie- stop en met de verzadiging in de betrokken sector, hoe dan ook niet inziet waarom er nog op nieuwe immigraties zou dienen beroep gedaan te worden om het maatschappelijk doel van de vennootschap te verwezenlijken; dat trouwens, zoals hierboven reeds aangestipt, meer en meer migranten voor dezelfde bedrijvigheid een beroepskaart wensen te bekomen hetgeen economisch onverantwoord is”. 1.
  6. Op 26 september 1995 beslist de minister van Middenstand aan verzoeker de beroepskaart te weigeren. Deze beslissing, die het voorwerp vormt van het onderhavig beroep, steunt op volgende motieven : “Gelet op het ongunstig advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen, uitgebracht ter zitting van 31/07/95; Overwegende dat de Raad duidelijk aantoont dat het verlenen van de beroepskaart economisch onverantwoord is en dat de betreffende beroepssector ter plaatse aan oververzadiging toe is; Overwegende dat de essentie van het dossier dezelfde is als dat van de Heer MAMISTVALOV Meir, mede zaakvoerder”. De ontvankelijkheid
  7. Bij brief van 1 oktober 2007 is aan de raadsman van verzoeker gevraagd of zijn cliënt thans nog belangstelling heeft voor de gewone afhandeling van de zaak, in welk geval hij dient aan te tonen welk voordeel hij nog verwacht uit de vernietiging van de bestreden beslissing.
  8. Op deze vraag is geen antwoord gegeven. Verzoeker noch zijn raadsman zijn voorts op de openbare terechtzitting verschenen. Bovendien heeft de verwerende partij met een brief van 24 oktober 2007 aan de Raad van State medegedeeld dat verzoeker “een regularisatiedossier” ingediend heeft en dat zijn zaak “in orde gebracht (is)”. Uit die gegevens leidt de Raad van State af dat verzoeker niet meer geïnteresseerd is in een uitspraak ten gronde over het onderhavig beroep. Dat beroep is dan ook bij ontstentenis van aangetoond actueel belang, niet langer ontvankelijk. IX-416-4/5 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  9. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 8 januari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-416-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.401 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.